Televisie

Na ongeveer 15 tv-loze jaren hebben we er sinds 5 december weer één. Een tv. Oorspronkelijk waren we van plan er een te kopen als Lune vier werd en naar school ging, zodat ze geen buitenbeentje zou worden. Toen het zover was hadden we echter niet de indruk dat ze het miste. Ze mocht af en toe filmpjes kijken op de computer en dat was prima. Bovendien bleef het zo echt een feest als ze bij onze ouders wel tv kon kijken.

Tijdens het feestje voor Lunes tiende verjaardag merkt echter één van haar vriendinnen er iets over op en uit Lunes reactie merken we duidelijk dat ze dat vervelend vindt. Vooral het idee van sommige klasgenoten dat we dan zeker arm zijn lijkt haar dwars te zitten (haar klasgenoten kunnen zich duidelijk niet voorstellen waarom je anders geen tv hebt , iederéén heeft toch een tv?) Het is maar een kort moment, maar toch zit het ons niet lekker. Niet wat haar klasgenoten denken, maar wel hoe Lune zich daaronder voelt. Als we het er eind november nog eens over hebben, is de beslissing dan ook snel genomen.

En zo komt het dat pakjesavond eindigt met een speurtocht door het huis. Kleine gedichtjes leiden Lune en Bloem naar een doos nieuwe borden onder ons bed, een stapel nieuwe handdoeken in bad en een nieuwe telefoon (want de oude deed het niet meer) in de meterkast. In de meterkast hangt nog een laatste gedichtje. Terwijl Lune het voorleest zien we haar ogen groter worden.

‘Een tv?! Nee, dat is vast ijdele hoop!’
‘Ga maar kijken op zolder, dan zie je het vanzelf.’

In het wasmachinehok ligt een heel groot cadeau. Lune kan het nog steeds niet te geloven en durft nauwelijks iets te zeggen, bang de betovering te verbreken. Bloem heeft daar geen last van.
‘Ja, daar zit een tv in’ stelt ze nuchter vast, alsof ze dagelijks ingepakte tv’s vindt.
Manlief tilt het pakket naar beneden, om het daar samen met Lune voorzichtig uit te pakken. Als het papier eraf is slaakt Lune een kreet die nog het meeste lijkt op de luide roep van een zeeleeuw.
‘Kijk, Bloem, een tv! We hebben een tv gekregen! We hebben een tv gekregen!’
Bloem (net naar school, vier jaar) komt even kijken.
‘O ja’.
Dan rent ze snel weer naar de bank om verder te spelen met het ridderpak dat ze van Sinterklaas gekregen heeft. Best aardig hoor, zo’n tv, maar een ridderpak is tenminste ècht leuk.

Het duurt nog een paar dagen voor we de tv aan kunnen sluiten, maar dat lijkt Lune niet te deren. We hébben er nu tenminste één en dat lijkt al voldoende om ongelovige reacties van haar klasgenoten verder te voorkomen.
‘Als ik zei dat we geen tv hadden dan zeiden de jongens: oh, ik zou echt dóódgaan als we geen tv hadden!’

Wat me in al die jaren zonder tv het meest is opgevallen, is de grote discrepantie in de reactie van kinderen en van volwassenen als je vertelt dat je geen tv hebt. De meeste kinderen reageren ongeveer net zo als Lunes klasgenoten, de meeste volwassenen schieten – nadat ze eerst hebben gevraagd waarom je dan geen tv hebt (we vonden dat we er te lang achter bleven hangen en dat begon ons steeds meer te irriteren – voor je het wist was er weer een avond voorbij) – meteen in een soort verdedigingsmodus: o, maar wij kijken bijna nooit hoor! Dat laatste heb ik altijd wel frappant gevonden, gezien de enorme hoeveelheid gesprekken die ze vervolgens wel over tv-programma’s en tv-BN’ers met elkaar voeren.

Wat me na een paar maanden mèt tv nog steeds het meeste opvalt en verbijstert is het absurde aantal zenders (ik heb niet eens zin om door te zappen tot ik ze allemaal gezien heb) en het daarmee totaal niet in verhouding staande matige en eenzijdige aanbod. Er zijn een paar formules die je vrijwel elke dag op verschillende zenders tegenkomt (talentenjachtprogramma’s (zingen, dansen, koken), ik-leer-iets-heel-moeilijks-waarbij-ik-flink-op-mijn-bek-kan-gaan-en-leer-dat-hopelijk-sneller-dan-mijn-concurrenten-programma’s (kunstschaatsen, stijldansen, schoonspringen) weetjes-spelprogramma’s, realityseries, praatprogramma’s met ‘experts’, BN’ers-die-hun-BN-status-moeten-opkrikken-en-daarom-aan-alles-meedoen-programma’s)- waarvan de grootste gemene deler volgens mij is: ik wil met mijn kop op tv en het maakt niet uit hoe.

Natuurlijk zijn er ook wel positieve uitzonderingen, maar om nu te zeggen dat televisie kijken mijn leven verrijkt – nee, bepaald niet. Die ellenlange reclameblokken – ik snap eigenlijk niet dat mensen nog zo massaal tv blijven kijken – tegen de tijd dat zo’n reclameblok voorbij is ben je bijna vergeten waar je naar zat te kijken. En het journaal – het journaal mensen, sorry hoor, maar dat is toch echt niet meer van deze tijd? De vaste cameraopstelling heeft plaatsgemaakt voor meerdere gezellig bewegende camera’s, de nieuwslezeres mag niet meerblijven zitten maar moet ook in beweging komen zodat we ook haar kekke hakjes zien en ons na afloop niet alleen de weerman met zijn bewegende kaartjes en satelietbeelden herinneren. Om over de betuttelende manier waarop de onderwerpen gebracht worden nog maar te zwijgen. Nee, sorry, geef mij maar de krant.

En nee, natuurlijk ben ik niet Roomser dan de paus. Als ik niet uitkijk wil ik de volgende uitzending van masterchef-Holland-USA-UK-Australia ook weer zien want ik vind het toch wel fascinerend wat ze nu weer moeten maken en ik hoop toch dat die of die doorgaat want die is sympathiek en die mag wat mij betreft afvallen, want dat is echt een bitch. Maar uiteindelijk word ik er niet echt blij van. Niet zoals ik dat bijvoorbeeld kan worden van het lezen van een boek, of het maken of bewerken van foto’s of iets dergelijks. Af en toe, met mate, dan blijft het wel leuk. En tijdens het strijken (maar dan kijk ik gewoon op de computer, naar uitzending gemist). Anders voel ik me al snel een beetje vies en vadsig – alsof ik te veel fast food heb gegeten.

Maar goed, we deden het ook niet voor onszelf, we deden het voor Lune. En alleen al haar enorme blijdschap bij het uitpakken van de tv was goud waard.

Lampionnetje

Eigenlijk zouden we dit jaar niet gaan. Maar ja, Bloem had dit jaar maar liefst twéé hele mooie (bijna) zelfgeknutselde lampionnetjes – nog één van het kinderdagverblijf èn een van de eerste week op school. Uiteindelijk hebben we dus toch maar een klein rondje gemaakt. En het liedje ‘lampionnetje’ dat we vorig jaar hadden ingestudeerd was nog steeds een succes.

Bonkje & Bloem zingen ‘Lampionnetje’
Lampionnetje, lampionnetje
schijn maar in de donk’re nacht
als een sterretje
als een zonnetje
licht heeft veel geluk gebracht.

Dat het maar een klein rondjes was, was overigens niet te zien aan de hoeveelheid snoep die de dames hadden opgehaald – bijna overal ‘mochten ze nog wel wat pakken’. Gelukkig telde ik ook nog een paar mandarijnen.

Toen ik Bloem voorstelde dat ze misschien ook opa en oma, die op dinsdag altijd komen, ook iets uit haar snoeptrommeltje kon geven, keek ze een beetje bedrukt. Haar gezichtje klaarde echter op toen ze zich de mandarijntjes herinnerde: die mochten opa en oma wel hebben. Delen valt niet mee.

Twee Sinten en een baby’tje

Als peuter van drie is het soms best hard hollen met je kleine beentjes om je grote zus van negen bij te benen. Vooral aan het eind van het jaar gaat het in een rap tempo.
Eerst heb je op het kinderdagverblijf een mooi egeltje geknutseld. Een lampionnetje. Voor ‘Sint Maarten’ – wat of wie dat dan ook moge zijn. Je grote zus heeft dit jaar op school voor het eerst géén lampion gemaakt maar wil dit feest eigenlijk echt niet missen. Zeker als je thuis niet zo vaak snoep krijgt, is het natuurlijk walhalla. Mama denkt terug aan haar eigen kindertijd, strijkt dan met haar hand over haar hart. Vooruit dan maar, ze wil wel met jullie langs de deuren als het Sint Maarten is. Voorwaarde is dat je grote zus dan nog wel zélf een mooie lampion maakt. Een beetje moeite mag je er wel voor doen. Je zus zoekt mooi paars karton uit, een sjabloon met hondjes en verschillende kleuren vliegerpapier. Samen met mama drukt ze de patronen van de hondjes en hondenpootjes uit het karton (een naald en een opgevouwen handdoek onder het karton dienen als alternatief priksetje). Mama vindt het ook niet leuk als jullie alleen de geijkte liedjes kennen, dus leren jullie nog een ander liedje: ‘Lampionnetje’. Een oude mevrouw is helemaal ontroerd – zo’n kleintje heeft ze nog niet aan de deur gehad – en zo’n mooi liedje heeft ze ook nog niet eerder gehoord.

Bonkje & Bloem zingen ‘Lampionnetje'(.wma)’

Sint Maarten is nog maar nauwelijks achter de rug als Sinterklaas aankomt in Nederland. Samen met je zus mag je soms naar het Sinterklaasjournaal kijken. En je schoen zetten! De eerste avond zing je Sint-Maartenliedjes bij je schoen. Gelukkig helpt je grote zus je bij het leren van Sinterklaasliedjes (In januari zing je nog heel vaak Sinterklaasliedjes, die je nu eindelijk – net iets te laat – goed kent).

En alsof dat nog niet genoeg geweest is allemaal, vieren we ook nog de geboorte van ‘baby’tje-s-Jezus’. Dat vind je wel heel mooi. ‘Baby’tje-s-Jezus is op aard hè?’. Op een dag sta je al helemaal klaar om de deur uit te gaan, om een cadeautje te kopen. Want als er een baby’tje is geboren, ga je op kraamvisite. En daar hoort een cadeautje bij.

Negen jaar

Nog een uur puffen en persen. Nog een uur en twee minuten om precies te zijn. Négen jaar geleden alweer. Alle bloed en inspanning was niet voor niets, want daar was ze dan – ons kleine grote wonder.

Ingewikkeld in een doek lag ze op mijn buik. Haar piepkleine neusje met gele stipjes. Haar piepkleine handjes.

En het leek net alsof de wereld even stilstond, even ophield te bestaan. Mijn hoofd voor één keer vrij van gedachten. Simpelweg zíjn in volmaakte stilte. Samen. Samen met ons kleine grote wonder.

Ik weet niet hoe lang het duurde, hoe lang we zo verstild hebben gelegen voor manlief aan de verloskundige vroeg ‘Mag ik even kijken?’. Natuurlijk mocht dat – en hij keek, heel voorzichtig: ‘Een meisje! Het is een meisje!’. We keken naar haar en proefden haar naam op onze lippen. Onze dochter. Onze eerstgeborene.


Zie ook: ‘It’s my party’

Mama doet een beetje gek

Na de eerste helft lopen we naar beneden -we kunnen wel iets alcoholisch gebruiken. Bonkje is nog klaarwakker – getuige het geroep uit haar kamer.
‘Heeft Nederland gewonnen?’
‘Nee, Nederland staat met 2-0 achter, wees maar blij dat je het niet hebt gezien,’ antwoordt manlief.
Als we ons opmaken voor de tweede ronde, besluiten we Bonkje te vragen of ze nog even uit bed wil om mee te kijken naar de tweede helft. Ja, dat wil ze wel. En als ze óók nog iets mag drinken en een handje chips krijgt, is het feest helemaal compleet.

Dan scoort Nederland…. bijna. Aaaargh! Ik dacht echt dat die er in zou gaan! En dat roep ik geloof ik ook. En misschien ook nog wel wat andere dingen. En misschien maak ik ook nog wel wat grootse arm- en beenbewegingen – ik kan het me niet precies herinneren. Ik weet wel dat manlief heeft overwogen me zijn hartslagmeter om te doen – leek ‘m blijkbaar wel een leuk veldonderzoekje: hoe snel kan het hart van mijn vrouw tekeer gaan bij het zien van een voetbalwedstrijd.

‘Mama doet wel een beetje gek als ze voetbal kijkt hè?’ zegt manlief tegen Bonkje.
Ja, dat vindt Bonkje ook. Ze geeft me een paar schouderklopjes.
‘Maar mama, zo erg is het toch helemaal niet, als ze verliezen? Het is maar een spelletje, er zijn véél ergere dingen in de wereld.’

Spugen

Bonkje springt op van de bank en rent naar de wc. Ik ga haar achterna, op de voet gevolgd door Bloem.
Ik haal Bonkjes haar uit haar gezicht en streel haar zachtjes over haar rug.
‘Bonkje moet spugen’ constateert Bloem.
‘Ja, Bonkje is een beetje ziek,’ zeg ik. ‘Ga maar even naar de kamer, Bloem.’
‘Nee, ik wil ook kijken!’
Met mijn been blokkeer ik haar een beetje, zodat ze niet verder kan lopen om belangstellend náást Bonkje te gaan staan kijken.
‘Mag ik ook aaien?’ vraagt ze dan.
‘Nee Bloem,’ probeer ik nog. ‘Wacht maar even, dan mag je Bonkje straks als het iets beter gaat één aaitje geven.’
Maar mijn been kan niet voorkomen dat er even later toch ook een klein handje op Bonkjes rug ligt. Eventjes. En heel voorzichtig, dat wel.
Later vraag ik me af of er een verband bestaat tussen de liefde voor medische (reality-)
programma’s en de plek in het gezin waar mensen zijn opgegroeid. En of er significant meer mensen naar dergelijke programma’s kijken die de jongste waren dan mensen die de oudste (of enig kind) waren. Het zou me niet verbazen. Want als Bloem ziek is en moet overgeven, vindt Bonkje dat weliswaar heel zielig voor haar, maar dan maakt ze dat ze zo snel mogelijk uit haar buurt is.

Catharsis

Als ik thuiskom geven Bonkje en Bloem net een dansvoorstelling voor oma, opa en pup Vief – die het liefst mee zou doen maar stevig wordt vastgehouden. Bloem heeft haar Jip-en-Janneke-pyama al aan, klaar om naar bed te gaan, en hupst enthousiast op en neer terwijl ze haar armpjes druk heen en weer zwaait.

‘Mama!’ roept ze lachend, zodra ze me ziet. Op haar mollige beentjes komt ze naar me toegerend, vleit zich even tegen me aan en holt dan snel weer naar haar plaats om door te ‘dansen’.

Bonkje had het blijkbaar warm gekregen en staat alleen nog in haar rokje en hemd te dansen.
‘We waren net aan het dansen mama!’
‘Ik zie het – en mocht de muziek zomaar zo hard aan?’
‘Dat weet ik niet’
‘Eventjes’, zegt oma, ‘alleen voor de voorstelling’.
Ik ga naast oma op de bank zitten. Bonkje danst nog even door, maar dan klimt ze op schoot, terwijl ze over de muziek heen iets probeert te vertellen.
‘Wat zeg je? Zet de muziek eens wat zachter, dan kan ik je verstaan’.
Bonkje zet de muziek een minuscuul beetje zachter.
‘Zet maar even uit’, zegt opa, ‘dan kan ik het ook horen’.

‘We hadden muziekles aan het eind en toen moest de halve klas huilen’.
‘Huilen?’ zeg ik verbaasd. Ik kijk naar oma, die met een twinkeling in haar ogen zit te luisteren. Bonkje heeft zich inmiddels bij haar op schoot genesteld. ‘Maar waarom dan?’
‘Nou, we gingen blije en bange en verdrietige muziek luisteren en toen moest je er iets bij tekenen en toen ging meisje1 opeens heel hard huilen en daarna meisje2 en toen ik en toen moest meisje4 ook heel hard huilen en toen begonnen jongen1 en meisje5 en jongen2 ook!
‘Jullie moesten allemaal huilen?’ zeg ik, terwijl ik begin te lachen. Bloem, die nu ook op schoot is geklauterd en helemaal niet snapt waar het over gaat, lacht hard mee.
‘Ja!’
‘En wat deed de juf toen?’
‘Die zei: we zullen maar snel weer een vrolijk muziekje opzetten!’
Ik zie het helemaal voor me – de juf die een leuke muziekles heeft voorbereid en plotseling met allemaal snikkende kinderen zit.
‘Wat had jij dan getekend; waar moest jij om huilen?’
‘Ik had Zoeff getekend en een kruis en ik moest denken aan hoe ziek ze werd en dat ze toen een prik kreeg en doodging en later Bologna ook. Maar de tekening heb ik niet meer, die heb ik verscheurd.’
‘En waar moesten de andere kinderen om huilen?’
‘Dat weet ik niet precies, want niet iedereen heeft het verteld, maar bij iemand was haar oma dood gegaan en bij anderen ook zoiets.’
Bonkje was met roodomrande ogen en geflankeerd door twee vriendinnen naar buiten gekomen.
‘Ik dacht: wat is er nú toch aan de hand’, zegt oma, die haar uit school kwam halen, ‘en een vader die naast me stond en zijn kind huilend naar buiten zag komen, keek alsof hij het liefst eens even een hartig woordje met de juf wilde wisselen.’
‘En de moeders?’ vraag ik aan oma.
‘Die moesten er wel een beetje om lachen’.
Gelukkig kan Bonkje er inmiddels ook weer om lachen.

Ik vraag me af wat de juf dacht, toen iedereen en masse in tranen uitbarstte. Als ik haar binnenkort zie, ga ik het haar zeker vragen.
Oh, if only I could have been a fly on the wall…

Een kwestie van geloof

 

Tijdens het avondeten kan het gesprek over van alles gaan.
‘Geloven jullie in God?’
‘Nee, ik geloof niet in God.’
‘Oh, ik wel. En geloven jullie in die knal?’
‘De oerknal bedoel je? Ja, daar geloof ik wel in.’
‘Geloven jullie dat echt?!’ – Bonkje kijkt ons vol ongeloof aan en zegt dan stellig: ‘nou, daar geloof ik dus ècht niet in!’

Behalve God kan ook een zekere heiligverklaarde bisschop uit Myra nog steeds op een rotsvast geloof rekenen. Vorig jaar vroegen we ons al wel eens af hoe lang dat geloof nog stand zou houden, maar zodra Bonkje ergens vraagtekens bij plaatste, wist ze er meteen wel weer een plausibele verklaring voor te bedenken. En soms is de bewijslast van buitenaf ook wel heel sterk – bijvoorbeeld als je Sinterklaas met eigen ogen jouw naam in zijn nieuwe grote boek ziet schrijven.

En Bloem?
Bloem kijkt mee naar de man met de baard (‘Dat is Sinterklaas’, zegt Bonkje) en naar de pieten die allemaal mooie gekleurde mutsen hebben. Het duurt wel een beetje lang (Sssst! zegt Bonkje). Maar dan mag ze net als Bonkje haar schoen voor de tuindeur zetten. En, terwijl ze net als Bonkje van haar ene been op het andere probeert te wippen (zo hoort dat blijkbaar), zingt ze liedjes met haar. Het is helemaal niet erg als ze een liedje niet kent, want dan luistert ze gewoon goed naar haar grote zus en dan doet ze het na. Het is wel vervelend dat ze die appel niet uit haar schoen mag pakken (‘Nee, die is voor het paard’, zegt Bonkje – het paard? waar?), maar de volgende dag zit er plotseling een mandarijn in, die ze wél mag pakken. En mag opeten. Wat een feest! Oh, en kijk eens, Bonkje heeft de schoen omgekeerd en er komen ook nog een paar ronde minikoekjes uit, mjam! En onder de schoen ligt ook nog een pakje! Een pakje voor Bloem? Hoera, het is een boekje van Nijntje!

‘Nijntje tieguig! Kijk, mama! Mama, Keta kantie weest! In tieguig weest! Vlogen! Savia kantie weest!’

God? De oerknal? Sinterklaas?
Bloem maakt zich er niet druk over. Bloem beleeft en geniet.

*****
Meer Sinterklaasverhalen? Zie:
Teloorgang van de roe (november/december 2008)
Ruilhandel (Sinterklaas 2009)
Babypiet als postpakket (20 november 2010)
Hoofdbrekens voor Hoofdpiet (21 november 2010)

Pony

 

Vervolg op Nagellak.

Of het nu kwam doordat ik zo was afgeleid door het nagellakverhaal, of doordat mijn hersens de door mijn ogen aangeboden informatie automatisch omzetten naar het beeld dat ik verwachtte te zien, weet ik niet. Wel weet ik dat ik het pas de volgende ochtend bewust zag: een opvallend korte pluk haar aan de voorkant van Bonkjes hoofd.

Bonkjes haar is een verhaal apart. Waar je van de lengte van het haar dat bij sommige andere kinderen van zeven al is afgeknipt met gemak een slinger van minimaal een kilometer zou kunnen maken, kan je van het beetje haar die Bonkje bij de kapper is kwijtgeraakt misschien net een lintje van 10? 15? centimeter aan elkaar rijgen. De eerste drie jaar van haar leven was ze bijna kaal, maar toen ze naar de kleuterschool ging kon ik net twee pietepeuterige staartjes maken. Ik zie haar nog stralen, wat was ze trots!

Sindsdien heeft ze geduldig doorgespaard. Haar grote droom is haar tot op haar billen (net als Rapunzel), maar ik heb haar al duidelijk gemaakt dat dat er waarschijnlijk niet in zit.

‘Waarom heb je dat nou gedaan? Wilde je opeens een pony?’
Bonkje kijkt naar de grond en knikt.
‘Maar waarom heb je dat dan niet gezegd, dan konden we het aan de kapper vragen?! En wanneer heb je dat dan gedaan?’
‘In de badkamer. Met het nagelschaartje.’
‘Toen je ook je nagels had gelakt?
‘Ja.’
‘Waarom wilde je opeens een pony? Ken je iemand die een pony heeft?’
‘Ja.’
‘Wie dan?’
‘Weet ik niet meer.’
Ik probeer te bedenken of één van haar hartsvriendinnen een pony heeft, maar ik geloof het niet.
‘Een paar jongens in de klas hebben een pony.’
‘Oh?’
Ik neem me voor de klassenfoto nog eens goed te bestuderen – ik ben wel nieuwsgierig welke jongens zo’n indruk op mijn dochter hebben gemaakt dat ze opeens ook een pony wilde.

’s Middags haal ik haar uit school.
‘Ik heb de kapper gebeld, daar gaan we zo eerst even naar toe. Dan kan die kijken wat we het beste kunnen doen en of we een pony bij je kunnen laten knippen.’
‘Ik wil geen pony!’
‘Nee?’
‘Nee! En ik wil niet naar de kapper!’
‘Dan heb je pech, want we gaan. En je hoeft niet zo boos tegen mij te doen – ík heb je haar niet afgeknipt’
‘Mmm!’
Boos kijkt ze de andere kant op. Ik had duidelijk niet tegen de kapper mogen zeggen dat ze zelf haar haar had afgeknipt.

‘Wat is je haar hard gegroeid, meid! De laatste keer dat ik je zag was het nog een stuk korter.’
Een betere openingszin had de kapper niet kunnen bedenken. Bonkje ontdooit zichtbaar en wrijft een lok haar uit haar gezicht.
‘Ik zou geen pony knippen bij haar – ze haalt het nu al uit haar ogen.’
‘En dat plukje?’
‘Niets aan doen, dat is het beste, anders wordt het alleen maar erger.’
De kapper knipt alleen de puntjes aan de achterkant bij. Bonkje zit muisstil – een hele prestatie – en mag na afloop een snoepje uitzoeken.

Ik weet niet wat voor verrassingen ze nog meer voor ons in petto heeft, maar ik denk dat ze dít in ieder geval niet snel weer zal doen.

Nagellak

 

Met Bloem nog in haar slaapzak sta ik voor het raam. Een vast ritueel – voor we gaan aankleden kijken we even of er vogels aan het eten zijn van het lekkers dat de buurvrouw voor ze ophangt. Dat is vrijwel altijd raak. Soms zien we zelfs een groene papegaai.
‘Ogel, ogel!’
Bloem trappelt met haar voetjes duwt een natte vinger tegen het raam.

Bonkje komt binnen. Ze wurmt zich naast ons om ook naar buiten te kunnen kijken.
…. ‘Wat heb jíj gedaan?’ vraag ik Bonkje. Het raam staat nog open, maar desondanks dat hangt er een verstikkende lucht om Bonkje heen. Ik kijk naar haar vingers.
Haar nagels zijn roze en bobbelig. Stukjes van haar vingers om haar nagels heen ook.
‘Heb jij net je nagels gelakt?’
‘Ja.’
‘Dacht je dat mama dat niet zou merken?’
Bonkje kijkt de andere kant op.
‘Geef eens antwoord?’
‘Mmm’. Ze haalt haar schouders op.
‘Hé, dat is niet de bedoeling hè? Kom, we gaan het er heel snel afhalen. En als je het echt zo graag wil moet je het even vragen en dan kunnen we je nagels samen lakken, als we wat meer tijd hebben.’

Ik snap wel dat ze het liefst elke dag nagellak op zou willen – ik weet nog hoe fantastisch ik het zelf vond als kind, maar helaas voor Bonkje ben ik vaak een strenge moeder. Af en toe mag het. Laatst heb ik haar zelfs, ondanks mijn eigen afgrijzen, de blauwe en paarse lak* die ze bij de naschoolse opvang op haar nagels had gesmeerd (elke hand een andere kleur) een paar dagen op laten houden voor we het er af haalden.

Anderhalve week later blijkt de nood echter te hoog om op mijn fiat te wachten.
Voor ze naar school gaat laat ze me trots haar rode nagels zien.
‘Kijk mama, bij de naschoolse opvang gedaan! Mooi hè? Of vind je het te fel?’
‘Uhm’ zeg ik – en kijk naar de klodders op haar nagels… ergens klopt er iets niet, maar omdat ik gisterenavond pas thuis kwam toen ze al in bed lag, kan ik er niet direct mijn vinger op leggen … ik kijk op mijn horloge. Geen tijd meer. Laat maar gaan dan.
‘Hop, gauw je jas aan, anders komen jullie te laat!’
Ik zwaai manlief en twee blije dochers uit.

Als ik mijn tanden sta te poetsen in de badkamer, zie ik een rood vlekje in de wasbak. Wegvegen lukt niet, ik moet het loskrabben. Rood vlekje op het deurtje waar onze toiletspullen staan. En mijn rode nagellak.
Voor iemand die geen nagellakliefhebber is en die een man heeft die ook geen grote fan is van make-up, heb ik namelijk een eigenaardige gewoonte. In de zomer lak ik mijn teennagels rood. Dat voel ik me net iets charmanter op de momenten dat ik mijn heerlijk zittende maar niet erg sexy en door mijn man niet bijster gewaardeerde maar lijdzaam geaccepteerde Birkenstocks draag.
Mijn onderbuikgevoel en het eerste rode vlekje waren eigenlijk al voldoende, maar voor het geval ik nog mocht twijfelen is ook het randje mijn lenzenhouder plotseling rood en is de dop van het potje lak ook niet meer helemaal zoals ik me meen te herinneren.

‘Wanneer heb je dat dan gedaan?’
‘Gisteravond, in de badkamer. Met de deur op slot zodat er niemand kon binnen komen.’
En ja, naar de wc gaan of een slokje water drinken mag, dus als we haar naar de badkamer horen gaan, voelen we ook niet direct nattigheid.
Ik vraag niet waarom ze er zo’n fantasieverhaal van heeft gemaakt. De nagellak van de naschoolse opvang mocht een paar dagen blijven zitten, de nagellak die ze ’s ochtends snel thuis op had gesmeerd, niet. Dit soort optelsommetjes gaat zelfs mij makkelijk af.
‘Ik vind het echt heel vervelend dat je zei dat je het bij de naschoolse opvang had gedaan. Op die manier weten papa en ik niet meer wanneer we je kunnen geloven. En dan vertel je straks misschien iets dat wèl waar is, maar dan denken wij dat je jokt.’
Bonkje zwijgt en kijkt naar de grond.
‘Snap je dat?’
Ze knikt.
‘Zal je het niet meer doen dan nu? En niet meer stiekem je nagels gaan lakken?’
‘Nee.’
‘Weet je wat mama heeft bedacht?’
Mijn toon is veranderd. Ze kijkt me vragend aan.
– noot voor manlief: even ademhalen voor je verder leest –
‘In de vakantie mag jij samen met mama jouw teennagels ook rood lakken, maar het mag niet de hele vakantie blijven zitten, dus dan moet je er maar even goed over nadenken wanneer je dat dan wil. Misschien pas als we op vakantie gaan?’
Haar ogen twinkelen.
Manlief heeft geen schijn van kans. Deze zomer loopt hij naast twéé vrouwen met gelakte teennagels. Misschien moet hij maar snel een paar leuke teenslippertjes met Bonkje gaan kopen voor ze óók nog in Birckenstocks loopt.

_______
*ongeveer dezelfde kleuren nagellak die Bonkje een vriendinnetje dat om nagellak vroeg voor haar verjaardag heeft gegeven. De moeder van het vriendinnetje zal me erg dankbaar zijn…