Schaatskoorts – Rond de Wieden

Plotseling lag de vaart dicht en werd er geschaatst. Maar alleen gaan schaatsen en Bonkje schaatsloos laten toekijken kon natuurlijk niet – en of het zou lukken om nu nog ergens nieuwe schaatsen op de kop te tikken… Eerst maar eens haar oude schaatsen van zolder halen. En warempel, ze bleek ze nog nèt aan te kunnen. Drie jaar geleden stonden ze op de kleinste maat – nu op de grootste. En waar ze toen gebleven is, gaat ze nu weer verder. Links is ‘glijbeen’, rechts is ’step’. Als ze valt, krabbelt ze weer overeind om vrolijk door te gaan. Doordat ze niet van ophouden weet – en ik ook niet – gaan we nèt iets te lang door, met ijskoude tenen en toch nog tranen als gevolg. Gelukkig is ze dat de volgende dag alweer vergeten en moet ik haar, als ze samen met het buurmeisje nog een keer is gaan schaatsen, van het ijs af plukken als het begint te schemeren.

Schaatsen op De vaart, februari 2016
De vaart, 5 februari 2012. Onbekende buurtbewoners hebben een prachtige baan geveegd.

Als, als, als…
Als ik eenmaal geproefd heb aan het ijs, ben ik een makkelijke prooi voor het schaatsvirus. Waar ik eerst nog stilletjes hoopte maar die hoop teniet zag gaan door de harde wind (zo vriest het nóóit dicht) en een dik pak sneeuw (oh nee, is het eindelijk dichtgevroren, krijg je dít), kreeg ik nu plotseling visioenen van stempelkaarten, uitgestrekte natuurgebieden en koek-en-zopie-tenten. Zondag hield ik de website waarop de – door de KNSB goedgekeurde – toertochten worden aangemeld, nauwlettend in de gaten. Toen ik veel te laat eindelijk naar bed ging, bleef het nog heel lang koortsachtig druk in mijn hoofd. Morgen, morgen kon ik het vragen.
Tot mijn grote geluk mocht en kon ik dinsdag vrij nemen. Nu kon ik de Rond-de-Wieden-tocht schaatsen! Ik maakte nog net geen vreugdedansje, maar aan alle collega’s die ik tegenkwam moest ik het meteen kwijt. Mijn kamergenoten, die allebei niet zulke grote schaatsfans zijn, maakten grapjes. Toen ik hun vertelde hoe klunzig ik drie jaar geleden langs een steile berm naar beneden was gekluund terwijl de schaatsers om mij heen als berggeiten omlaag sjeesden om vervolgens fluitend door te schaatsen, raakten ze helemaal op dreef. ‘Brandweer vindt vrouw die tijdens het klunen in de modder is blijven steken’. (De volgende dag kreeg ik van één van de twee ’s middags wel een bemoedigend sms’je en de ander belde aan het begin van de avond op om te horen of ik heelhuids was thuisgekomen).

Rond de Wieden
Dinsdagochtend is het koud. Heel erg koud. Er staat een stevige wind en het is veertien graden onder nul. Voldoende om zelfs tijdens een wegbrengrondje met de auto naar crèche, school en werk van dochters en manlief, gevoelloze vingers en tenen te krijgen. Voldoende om mij zelfs te doen besluiten een muts te kopen. En voldoende om mijn vertrek richting Sint Jansklooster nog maar even uit te stellen. Als ik ’s middags rond een uur of één eindelijk op het ijs sta, vriest het nog maar een graad of tien.

Bij de splitsing van de 15- en de 40-kilometerroute aarzel ik nog even. Zal ik het wel halen, 40 kilometer voor het donker wordt? Mijn man zou vast heel trots op me zijn als ik me in weet te houden. Toen ik vanochtend tegen hem zei dat ik wel zou zien welke afstand ik zou schaatsen als ik er eenmaal was, begon hij te lachen. ‘Wie hou je nou eigenlijk voor de gek? Jij gaat natuurlijk voor de 40 kilometer. Waarmee ik niet wil zeggen dat ik dat verstandig vind.’ Hij had gelijk. Diep in mijn hart ligt mijn keus allang vast. Drie jaar geleden schaatste ik bij Kortenhoef eerst de korte en daarna alsnog de lange route, maar toen ging het om 10 en 25 kilometer. Die optie heb ik deze keer niet. Vijfenvijtig kilometer? Nee, ik beschik nog net over voldoende zelfkennis om in te zien dat dat echt onhaalbaar is – ongetraind als ik ben èn op kunstschaatsen. Dus kan ik maar beter meteen voor de langste route kiezen.

En wat is het mooi, tussen de rietkragen op de Belterwijde door – dat zou ik hebben gemist als ik mijn verstand had laten zegevieren in plaats van mijn gevoel. En daar gaat het deze dag toch juist om, om zo optimaal mogelijk te genieten van deze prachtige kans? Om er echt alles uit te halen wat er in zit? Leven!

Belterwijde, 7 februari 2012
Belterwijde, 7 februari 2012
Kluunpunt, koek-en-zopie, stempelpost Belterwijde
Kluunpunt, koek-en-zopie, stempelpost – van Belterwijde terug naar Beulakerwijde. Friesland is ook vertegenwoordigd tijdens deze Overijsselse tocht.

Eenmaal terug op de Beulakerwijde, betrekt de lucht en begint het te sneeuwen. Op het stuk dat nu volgt moet ik recht tegen de wind in. Ging ik tussen de rietkragen ’stapvoets’ vanwege de scheuren in het ijs – nu sta ik vrijwel stil. De wind striemt in mijn gezicht en ik ben plotseling heel blij met mijn muts. Ik trek de flapjes nog wat verder over mijn oren. Harkend ga ik over het ijs, totdat ik voorbij geschaatst wordt door iemand – op noren uiteraard – die zelfs onder deze omstandigheden nog een mooie slag weet vast te houden. O ja, ik ben aan het schaatsen. Links, rechts – blijf glijden. Ik probeer aan te klampen bij het volgende groepje dat me passeert, zodat ik even een beetje beschut ben tegen de wind, maar het is hopeloos.

Ik vind het dan ook helemaal niet erg om even in de rij te moeten staan als ik eindelijk de volgende stempelpost bereik. ‘Heb je geen last van die wijde pijpen?’ merkt iemand achter me in de rij op. Ik haal mijn schouders op ‘ach, ik heb niet zoveel broeken, dus dan is de keus wat beperkt. En als je wind mee hebt is het mooi meegenomen. Dan zijn het net zeilen.’ ‘Ja, da’s waar’, beaamt hij, ‘Ieder nadeel heb z’n voordeel.’

Nadat mijn kaart is afgestempeld, zoek ik een plekje op een steiger naast het kraampje, dat tevens dienst doet als koek-en-zopie-tent. Gezien mijn ervaringen in Kortenhoef in 2009, heb ik dit keer geen enkel risico genomen en heb ik mijn eigen koek-en-zopie-voorraad meegenomen. Ik schenk mezelf wat thee in in de dop van de thermosfles en eet een banaan. Voor ik verder ploeter tegen de wind in, neem ik ook nog maar wat druivensuiker.

Beulakerwijde - snijdende tegenwind en sneeuw
Beulakerwijde – snijdende tegenwind en sneeuw
Dezelfde Beulakerwijde, maar nu met de wind in mijn rug en zon op mijn gezicht
Dezelfde Beulakerwijde, maar nu met de wind in mijn rug en zon op mijn gezicht

Ja, het is zwaar. Maar het geeft wel voldoening; vooral als ik tijdens het laatste stuk van de tocht weer wind mee heb – en zelfs de zon zich weer laat zien. Wauw, wat is dit een heerlijk gevoel. Het gaat zo hard, dat ik mijn benen af en toe zelfs maar even stil hou omdat ik het een beetje griezelig begin te vinden. Eigenlijk ben ik daardoor niet eens echt verbaasd als ik, veel sneller dan ik van tevoren had ingecalculeerd, weer bij het punt kom waar ik ben gestart. Behoefte om nog een rondje te rijden heb ik niet – vanaf hier gaat het weer recht tegen de wind in. Voor ik het ijs af ga, vraag ik een schaatsster of ze een foto van me wil maken.

Netwerken
Als ik mijn fototoestel weer wil opbergen, vraagt een meneer me of ik een foto van hem wil maken en of ik die naar hem kan mailen. Het blijkt de burgemeester van Oost Gelre te zijn. ‘Anders geloven ze nooit dat ik hier echt heb geschaatst.’ Als ik later thuis de website van de gemeente Oost Gelre bekijk, snap ik plotseling waarom. Een pak en das geven toch een heel andere indruk dan een Unox-muts, trainingsjack en Salomonschaatsen.

Toch fijn dat burgemeesters gewend zijn zich diplomatiek uit te drukken, want tegen de wind in blijkt hij een klein stukje achter me geschaatst te hebben. ‘Je had het wel zwaar hè?’, zegt hij. En zo krijgt zelfs mijn gehark tegen de wind in nog een gulden randje.

IMS met muts en de burgemeester van Oost-Gelre (ook met muts)
IMS met muts en de burgemeester van Oost-Gelre (ook met muts)
Rond-de-Wiedentocht, terug bij mijn startpunt in Sint Jansklooster
Rond-de-Wiedentocht, terug bij mijn startpunt in Sint Jansklooster

Ik wissel mijn schaatsen om voor mijn rubberlaarzen en loop naar de plek waar ik me heb ingeschreven. Er hangt een briefje: medailles kunnen worden opgehaald in Het wapen van Utrecht, in het dorp. Slim – zo heeft het dorp niet alleen overlast van de vele schaatsers, maar verdienen ze er hopelijk ook nog iets aan. Wel vraag ik me af of het café – ik stel me een klein kroegje voor, ergens op een hoek, zo’n grote stroom mensen kan verwerken. Tot mijn verbazing blijkt het echter behoorlijk groot te zijn. Als ik met mijn medaille weer naar buiten wil lopen, wil een groepje mannen dat zit te borrelen aan een tafeltje in de hoek ‘m graag even zien.

Rond de Wiedentocht, 7 februari 2012 IJsclub Ons Genoegen
Rond de Wiedentocht, 7 februari 2012 IJsclub Ons Genoegen

‘Je bent er wel blij mee hè?’
‘Jazeker!’
Mag ik ‘m eens zien? Even kijken of we er iets aan missen.’
‘Ja’, zegt een ander, ‘We hebben ‘m drie keer gereden, maar we hadden geen zin om in de rij te staan om te stempelen.’
‘Nou, ik wel hoor. Ik ben net een kind.’
En blij als een kind stap ik naar buiten. Organisatoren: bedankt! Het was me een genoegen.

Klein, klein kleutertje

Bonkje stroopt haar maillot naar beneden.
“Wat doe jij nou?”
Ze wijst op een wondje op haar knie.
“Ik ben vanmiddag gevallen!”
“O jee! Kun je al door je knie heen kijken?”
“Neeeee!” Bonkje lacht. Fijn, zo’n welwillend publiek.
Ik geef haar een kus.
“Het is nu even vervelend, maar het geneest vanzelf.”

Na het eten moet ook manlief eraan geloven.
“Kijk papa, ik heb me pijn gedaan!”
“Op school?”
“Nee, bij De Ronde Tafel.
“En moest je huilen?”
“Nee, ik hoefde niet te huilen.”
“Flink hoor.”
“Ik ben ook een flinke meid, ik ben al van groep 2!”

Ik denk terug aan vorige week, het weekend van 10 januari.

Bonkje vindt mijn medailles van de Kortenhoefse Plassentocht erg mooi.
“Mag ik ze even om?”
“Ja, dat mag.”
“Mag ik ze mee naar school nemen?”
“Nee.”
Soms ben ik best een wrede mama.
“Andere kinderen hebben wel een medaille.”
“O ja?”
“Ja, van wintersport”
“Een medaille is pas echt leuk als je hem zelf verdiend hebt,” zegt papa.
Daar moet Bonkje even over nadenken.
“Als ik zelf een medaille heb, mag ik die dan wel meenemen naar school?”
“Ja. Als jij een keer zelf een medaille hebt, dan mag dat.”
Ha, dat biedt perspectief.
“Ik wil ook een medaille winnen!”

Dat weekend staat er nog een hele reeks, door de KNSB goedgekeurde toertochten op de agenda. We vinden er één waar je al een medaille kan verdienen met een rondje van 5 km: de Zwartemeer-Kadoelen Rondetocht. Vijf kilometer lijkt ons ook echt het maximum haalbare met een kleuter die net drie keer op het ijs heeft gestaan. We denken dat het net moet kunnen als we haar af en toe een eindje op sleeptouw nemen.

Dus stappen we zaterdagochtend dik aangekleed en rijkelijk voorzien van onze eigen koek en zopie – want ik heb geleerd van mijn fout – in onze speciaal voor deze gelegenheid gehuurde auto. De rit door de polder is prachtig. De zon schijnt, de lucht is blauw en alles is met een laagje rijp bedekt.

“Papa, ik heb het zo warm.”
“Je mag je vest wel even uit.”
“Ik heb het nog steeds warm.”
“Wil je je laarzen ook even uit?”
Ja, dat wil Bonkje. Al die laagjes, pffft!

We bereiken het weiland waar we mogen parkeren zonder oponthoud – de grote drukte komt duidelijk van de andere kant – en even later stappen we uit de auto. Manlief en ik wisselen ons gewone schoeisel om voor onze rubberlaarzen, die we tenminste met gerust hart aan de kant achter durven te laten. Bonkje is op de bijrijdersstoel geklommen en trekt daar haar laarzen weer aan. Hebben we alles? Ja, we kunnen gaan.

We moeten de weg oversteken en van daar af is het nog een eindje lopen naar het meer. Eerst langs het gebouwtje van de plaatselijke ijsclub die de tocht organiseert, om toerkaarten te kopen. Daarna volgen we een spoor door een weiland naar de rand van het meer. Het spoor is bedekt met een verraderlijke ijslaag, dus lopen we er zoveel mogelijk naast.

 

Voor we het ijs opgaan, wil ik echter nog even naar het toilet. Het mobiele toilet wel te verstaan.

HCC kan diverse soorten mobiele toiletten leveren, die geschikt zijn voor bouwplaatsen, particulieren en voor diverse evenementen. De toiletten zijn zeer gebruiksvriendelijk en overal gemakkelijk te plaatsen en er is geen riool- en wateraansluiting nodig.
Elk mobiel toilet is voorzien van een urinoir en een closetpot. Deze laatste wordt afgesloten van het opvangreservoir. De toiletten zijn voorzien van een ventilatiepijp, een dak met lichtkoepel, een deursluiting, jashaken en een dubbele toiletrolhouder. De toiletten worden op vaste tijden geleegd.

Geloof me, dat klinkt een stuk mooier en vooral minder smerig dan het in werkelijkheid is. Maar met een volle blaas schaatsen is ook niet prettig. Dus sluit ik aan in de rij, gevolgd door manlief. Bonkje staat noodgedwongen naast ons te wachten.
“Ik heb het koud, ik heb het zo koud!”
“Ja lieverd, het is even niet anders. Probeer maar een beetje te springen, dan krijg je het wat warmer.”
Het huilen staat Bonkje nader dan het lachen. Ze wil niet springen. Ze wil helemaal niets. Ze heeft het alleen maar koud. Manlief tilt haar op.
“Zo, dan krijg je iets minder koude voeten”
“Ik heb nog stééds koude voeten” snift Bonkje.
“Weet je wat,” zeg ik tegen haar, “als papa zo naar de wc is geweest gaan jullie alvast jullie schaatsen aantrekken.”

Na mijn toiletbezoek loop ik het ijs op. Ik moet even zoeken, maar dan zie ik manlief en Bonkje op één van de gymnastiekbanken zitten die voor de schaatsers op het ijs gezet zijn. Bonkje heeft haar schaatsen al aan. Manlief is nog aan het worstelen met zijn noren. Na de eerste keer op het ijs vorige week heeft hij besloten dikke sokken aan te trekken in zijn schaatsen, al krijgt hij ze dan bijna niet meer aan. Ik zoek een plekje in de buurt en trek mijn eigen schaatsen aan.

Samen met Bonkje schaats ik naar het stempelhokje om te vragen waar de 5 km tocht begint.
Dat wil zeggen: ík schaats.
Bonkje snottert.
Ze heeft het koud.
Haar voeten doen pijn.
Ze vindt het “helemaal niet leuk meer!”
“Kom lieverd, probeer maar een beetje te bewegen. Als je beweegt krijg je het weer warm.”
Maar Bonkje wil me niet geloven.
Kan me misschien niet geloven.

Dan voegt ook manlief zich bij ons. Het eerste stuk van het 5 km rondje begint op hetzelfde punt als het 10 km rondje, halverwege is er een splitsing. Even doorzetten maar.

Maar Bonkje wil niet.
“Ik heb het zo kou-oud.”
Snot en tranen vliegen alle kanten op.

Omdat het in dit soort situaties meestal niet zo goed werkt om er met zijn tweeën bovenop te blijven staan, schaats ik vooruit terwijl manlief bij Bonkje blijft.

Ik schaats een stukje, kijk even om, schaats weer een stukje. Het is prachtig ijs.
Zijn ze al in beweging? Nee, zo te zien zit er nog niet echt schot in. Ik schaats een stukje terug. Andere ouders en andere kleuters schaatsen en krabbelen langs me heen. Kleuters die het zo te zien wel naar hun zin hebben.

Zal ik verder schaatsen? Een klein stukje dan, maar niet te ver. Ik heb al een tocht kunnen schaatsen, manlief niet. Ik zal hem aflossen als ze er zijn. Dan kan hij eerst zelf een rondje schaatsen.

Langs de kant van de slingerende route die de baanveger heeft uitgezet staat een klein rood stoeltje. Wie het stoeltje daar heeft achtergelaten, weet ik niet. Er is niemand in de buurt.

Klein rood stoeltje op het ijs.
Het is net een schilderij.

Ik kijk om. Ze komen nog steeds niet dichterbij. Sterker nog – ze keren om. Mijn opgetogen en optimistische gevoel maakt plaats voor bange voorgevoelens als ik terugschaats naar het begin. Daar tref ik een volkomen ontredderde Bonkje en een enigszins zuurkijkende papa aan.
“We gaan naar huis” zegt hij. “Het gaat niet. Ze heeft het echt geprobeerd, maar als je haar ooit nog het ijs op wil krijgen moeten we nu gaan.”
Bonkje snift zachtjes.
“Ga jij anders nog even schaatsen”, zeg ik tegen hem, “ik heb deze week al geschaatst. Dan ga ik wel een eindje rijden met haar en dan pikken we je over twee uur wel weer op.”
Maar nee, voor manlief is de lol er ook wel vanaf.
Zwijgend zoeken we onze laarzen op en ontdoen we ons van onze schaatsen.

Ik ben boos. Ik wil helemaal niet naar huis. Stom kind. Straks moeten we nog eens twaalf jaar wachten voor we weer zo’n kans krijgen.
Maar ik ben ook mama.
En ik weet hoe pijnlijk koude voeten kunnen zijn.
En misschien begon het met aanstellen, maar inmiddels is ze echt aandoenlijk.
En we deden dit omdat we dachten dat het leuk zou zijn, omdat we dachten dat we ook Bonkje er een groot plezier mee zouden doen.

Als we naar de auto teruglopen – voorzichtig de bevroren plassen op het weiland ontwijkend – hoor ik van manlief dat Bonkje hem, terwijl ze uit alle macht probeerde haar tranen in te slikken, had gevraagd:
“Maar papa, als ik nou ècht bang ben, wat dan?”
Het idee van een medaille was heel aanlokkelijk, maar met ijskoude voeten ziet de wereld er opeens heel anders uit. En dan zo’n immense, bevroren vlakte – en een route waarvan je het eind niet kunt zien – dat is wel even iets anders dan de overzichtelijke vaart om de hoek.

Bonkje is zo uitgeput van alle emoties dat ze in de auto al snel in slaap valt – iets dat normaal gesproken niet snel gebeurt.

Manlief legt zijn hand op mijn knie. Hij heeft het wel te verduren met twee vrouwen zoals wij. Na een sniffende Bonkje heeft hij nu ook nog een van frustratie sniffende echtgenote.
“Is het echt zo erg?”
Nee. Het is belachelijk. Ik stel me aan. Bovendien mag ik nog fijn even autorijden door het mooie winterse landschap.

Voor ik de auto terugbreng naar het verhuurbedrijf, kan ik nog heel even schaatsen op het Naardermeer. Bonkje wil mee.
“Dat had je gedroomd! Vanmiddag wilde je niet meer – nu blijf je maar mooi thuis.”

Terwijl ik de ondergaande zon op het ijs zie weerspiegelen probeer ik mijn teleurstelling over de mislukte toertocht te vergeten. Dit is toch schitterend? Zonde om dat te laten bederven door dingen waar ik toch al niets meer aan kan veranderen.

En ja, Bonkje is nog maar een kleuter.
Meestal is ze een grote, flinke kleuter. Ze is tenslotte ”al van groep 2″. Maar soms, heel soms, is ze weer even een heel klein kleutertje. Een heel klein kleutertje met kleine, koude kleutervoetjes.

Zie Bonkje on ice voor Bonkjes eerste schaatsavontuur ooit.
Nieuwsgierig hoe de naam Bonkje is ontstaan? Lees dan het eerste Bonkje verhaal

Stempelen, schaatsfanaten en spijt – deel II

Hieronder het vervolg van mijn stukje van gisteren: Stempelen, schaatsfanaten en spijt.

Plotseling komt er een eind aan de rietkragen. De route gaat rechtsaf, een breed kanaal op, langs een drukke doorgaande weg. Zo te zien is het ook een heel lang kanaal en moet ik straks het hele stuk weer terugrijden. Ik betrap mezelf op een licht gevoel van … spijt? Nee, welnee! Ik hou alleen niet zo van die lange, rechte stukken – dat wordt zo snel eentonig.

Toch ben ik verdacht blij als vlak voor een sluis de derde stempelpost in zicht komt. Tijd voor een pauze? Om mij heen strijken schaatsers op houten paaltjes langs het weiland neer en komen de boterhammen en thermosflessen tevoorschijn. Ik begin zo langzamerhand ook trek te krijgen, maar helaas is er geen koek of zopie tent te bekennen. Door naar de volgende post dan maar – daar is vast wel iets te krijgen.

Volgens de meneer van stempelpost drie heb ik reeds 9 km gereden. Niet zo gek dat ik wat vermoeid begin te raken, want bij mijn eerste rondje opgeteld zijn het er dus al 19. Oh, ik ben dus al over de helft. De helft van 35 km. Dat inzicht geeft Schaatsfanaat weer moed en mevrouw Spijt, die eigenlijk dacht dat ze het spel al gewonnen had, moet lijdzaam toezien hoe Schaatsfanaat zich zelfs niet uit het veld laat slaan door de tegenwind.

“Kijk, Spijt! Dat is toch een prachtig gezicht – die molen, de mensen, de zon die warempel even doorbreekt. Zelfs de koplampen van de auto’s op de naastgelegen weg misstaan niet in het plaatje!”
“Humpf! Als ik zonodig koplampen wil zien hoef ik echt niet helemaal hier naar toe!”

Ik maak een foto en schaats verder. Tijdens het schaatsen hou ik nauwlettend het ijs in de gaten, want er zitten af en toe lelijke scheuren in. Zodra ik iets verdachts zie rem ik af en waar mogelijk schaats ik naast het meest gebruikte spoor. Het ijs is daar vaak net iets beter te zien doordat er minder ijssplinters op liggen. Mijn tempo ligt inmiddels een stuk lager dan aan het begin van de dag. De eerste kluunplek komt als geroepen – het is een mooie doorbreking van dit lange stuk en mijn spieren kunnen even tot een beetje tot rust komen.

Omhoog moeten we, de Kortenhoefsedijk op – en over. De verkeersregelaar staat op zijn noren en met een fluorescerend hesje aan de verkeersstromen in goede banen te leiden. Kluners, auto’s, kluners, auto’s. Hij heeft een mooie, rustige slag te pakken.

Aan de andere zijde moeten we weer omlaag. Ondanks de steunbalk waar angsthazen zoals ik zich tijdens het dalen aan vast kunnen klampen, krijg ik het onderaan de dijk voor elkaar om mijn beide schaatsbeschermers in de blubber te verliezen. Nu zitten dus niet alleen mijn beschermers, maar ook mijn (eens) witte kunstschaatsen onder de modder. Terwijl ik de boel op het ijs enigszins schoon probeer te vegen, zie ik diverse schaatsers soepel de dijk afdalen. Zonder balk. Onderaan de dijk halen ze hun nauwelijks vuil geworden beschermers van hun schone schaatsen en fluitend verdwijnen ze uit zicht. Links, rechts, links, rechts…

 

Stiekem vindt Schaatsfanaat het wel een mooi avontuur, dat klunen. Geweldig toch? En ach, dat beetje modder gaat er thuis onder de kraan wel vanaf. En als na het laatste stuk  de vierde stempelpost in zicht komt, kan de dag helemaal niet meer stuk. Als ik ’s avonds mijn stempelkaart bestudeer, bedenk ik dat het alleen deze stempelpost geweest kan zijn die de naam “Het Hemeltje” heeft gekregen. Dat ook hier geen koek en zopie verkrijgbaar is, doet er niet meer toe. Het kan nu niet ver meer zijn. En inderdaad – misschien verbeeld ik het me, maar zodra we van het kanaal afbuigen, terug de plassen op, lijkt het veel sneller te gaan. Van de plas komen we op een smalle boerensloot terecht en we mogen nog één keer klunen. Het is een mooi contrast met de plassen, dit slootje. Langs een hooiberg en schapen met een bruine vacht, langs het punt waar mensen die bij Kraaiennest gestart zijn kunnen afbuigen.

En opeens herken ik het weer – op dit punt komen de 10- en 25 kilometerroute weer samen. Ik lach als ik het bord naar de ijsbaan zie staan en laat me geen tweede keer in verwarring brengen door de rood-groen-gele pijl die rechtdoor wijst. Nog een derde rondje? Nee. Zelfs Schaatsfanaat vindt het wel mooi zo.

Op naar de tweede medaille. Even schrik ik – de laatste stempelpost is verdwenen? Zouden de medailles op zijn? Nee, de stempelpost is alleen verplaatst. Waarschijnlijk vanwege de plas water die zich voor de post op het ijs gevormd had.

Zo blij als een kind klem ik mijn tweede medaille van de dag even later in mijn hand. Ja, ook hier wil ik een lintje bij. Het kan me niets schelen dat één Euro misschien wat overdreven is voor een lintje. Ik heb een mooie tocht, nee, twéé mooie tochten geschaatst. En de organisatie mag daar best ook nog iets aan verdienen. Met een beetje pech moeten ze hier weer twaalf jaar op teren. Bovendien laat ik de koek en zopie weer aan me voorbij gaan, want met een beetje geluk kan ik de bus – die maar één keer per uur rijdt, misschien nog net halen.

Helaas, dat dachten meerdere mensen met mij. Eén meneer staat er al 50 minuten. Na nog eens 15? 20? minuten wachten is iedereen het erover eens: de bus komt echt niet meer. Noch de bus naar Hilversum, noch de bus naar Weesp. Massaal slaat iedereen aan het liften. Als bijna iedereen een lift heeft gevonden besluit ik het er ook maar op te wagen. Tijdens het schaatsen was ik lekker opgewarmd, maar ik ben inmiddels tot op het bot verkleumd.

Ik hoef niet lang te wachten. Een aardige meneer uit Amersfoort, die met zijn tienerdochter de tocht heeft geschaatst, geeft mij en een andere gestrande mevrouw een lift naar Hilversum. Het is een geschenk uit de hemel. Ik weet niet of de aardige meneer en zijn dochter dit ooit zullen lezen, maar bij deze nogmaals dank!

Op het station koop ik een grote beker warme thee die ik langzaam opdrink terwijl ik tussen de forenzen op de trein sta te wachten. Het heeft me nog nooit zo goed gesmaakt.

Thuis laat Schaatsfanaat trots beide medailles aan man- en dochterlief zien. Ze vinden het heel leuk, maar zijn beiden ook wel een tikkeltje jaloers. Mevrouw Spijt vindt het nu ze weer veilig thuis is vooral jammer dat de aangekondigde 40-kilometer-tocht niet was uitgezet.

Juist.
En weet u wat ook bijzonder spijtig is, mevrouw Spijt? Dat ik u als ik nog eens een toertocht ga schaatsen lekker thuis laat.

*****
Voor mensen die de Kortenhoefse Plassentocht zaterdag 10 januari 2009 nog willen rijden, heb ik onderaan het eerste deel van mijn verslag over deze tocht, Stempelen, schaatsfanaten en spijt, een aantal praktische gegevens geplaatst, zoals het exacte adres van de twee opstappunten en de bereikbaarheid per openbaar vervoer.

Stempelen, schaatsfanaten en spijt

In de mist en de kou zit ik op de fiets naar het station.
Ik voel me net een soort dr. Jekyll/ mr. Hyde, maar dan in de gedaanten Schaatsfanaat/ mevrouw Spijt. Alhoewel mevrouw Spijt ongetwijfeld bezwaar zou maken als zij zich ervan bewust was dat ik háár de plaats van mr. Hyde gegeven heb. Niet zíj maar Schaatsfanaat is immers de gevaarlijke gek. Mevrouw Spijt denkt nu al met smart aan de thermosfles met hete thee die thuis achter is gebleven.

Over proviand maak ik me geen zorgen en Schaatsfanaat en mevrouw Spijt zijn op dat punt opvallend eensgezind. Volgens mijn berekening heb ik straks op station Hilversum voldoende tijd om etenswaar in te slaan. Helaas was me bij het maken van mijn planning wel even ontschoten dat “op tijd komen” voor de NS een rekbaar begrip is. Aangezien ik de bus – die maar één keer per uur rijdt en níet onder de vlag van de NS – graag wil halen laat ik de bananen en Snelle Jelles maar voor wat ze zijn. Bij een beetje schaatstocht zijn genoeg Koek en Zopie standjes aanwezig.

Rond half twaalf sta ik op de Kortenhoefsedijk en een half uur later ga ik op  ijs. Bij de kassa had mevrouw Spijt de overhand, dus heb ik voor de veilige 10 kilometer gekozen in plaats van de 25 kilometer.
“Veilig! Tssk! Zonder ijspriem, zonder touw en ongetraind. En op kunstschaatsen. Niemand rijdt hier op kunstschaatsen!”
“Kop dicht, Spijt!”

Ik ben er, ik ga het ècht doen. En ik ben niet eens gevallen toen ik eerst op mijn laarzen over het ijs moest lopen om een plekje op te zoeken waar ik mijn schaatsen aan kon trekken. Het leven lacht me toe.

Ik volg de rode – 10 kilometer – pijlen. Ik trek me niets aan van de schaatsers die me links en rechts passeren en concentreer me op mijn slag. Mooie, rustige slagen wil ik maken. En als ik afzet probeer ik mijn voeten van buiten naar binnen te laten bewegen. Daar heb ik nooit eerder op gelet, maar manlief wees me er pas op. Kijk, zó doen professionals dat. Ik mag dan op kunstschaatsen rijden en door iedereen worden ingehaald; stiekem droom ik ervan om al die norenrijders qua techniek te overtroeven. Niet dat het erg waarschijnlijk is dat dat ooit zal lukken, maar dromen is best aangenaam.

Drempelvrees?

Af en toe sta ik stil om de uitgestrekte plassen, de in een ijslaagje gehulde rietkragen en de geluiden van ijzers op het ijs op me in te laten werken.

Natuurijstochtenquiz. Welk type schaats hoort u?
kgh-KLIK, kgh-KLIK, kgh-KLIK. Heel goed, de combi-noor-klapschaats.

Bij de tweede stempelpost slaan de schaatsers die hebben gekozen voor de 25 kilometertocht rechtsaf. Waar ik eerst nog de indruk had als enige “maar” 10 kilometer te rijden, zie ik tot mijn verbazing dat er ook vele schaatsers linksaf gaan.

Lang voor ik er op reken, is mijn rondje al voorbij. Verbaasd kijk ik op mijn horloge. Ik heb er precies één uur over gedaan. Ik schaats naar de laatste stempelpost en neem mijn medaille in ontvangst. “Botenbouwer (dat snap ik niet? Misschien een sponsor?). Plassentocht Kortenhoef. 10 kilometer, 8-1-’09.” Als ik had geweten dat het me zó mee zou vallen had ik wel voor de 25 kilometer gekozen. Wat nu?

“Glühwein en naar huis!” roept mevrouw Spijt.
Schaatsfanaat heeft hele andere ideeën. Nog een 10 kilometer rondje? Nog twéé 10 kilometer-rondjes en dan vragen of ik de 10 kilometer medaille mag ruilen voor een 25 kilometer medaille?
“Neeeee!” gilt mevrouw Spijt.
Nee, dat zou ook wel een beetje onbevredigend zijn, want dan wil ik eigenlijk een 20 – of 30 – kilometer medaille en die zijn er niet.
Nu krijgt Schaatsfanaat een lumineus idee.

Zal ik eerst nog iets te eten en te drinken kopen bij de koek-en-zopie-tent op de ijsbaan? Ik kijk eens naar de rij en voel mijn nieuwe, groene – want vijfentwintig kilometer – kaart in mijn zak branden. Nee. Ergens halverwege misschien. En zo begin ik aan mijn tweede tocht van de dag.

Op het eerste stuk valt me op dat ik plotseling ook zelf mensen voorbij schaats. Dat ik goed warm gedraaid ben en zekerder op het ijs sta dan een uur geleden zal daar zeker een rol in spelen, maar waarschijnlijk heeft het vooral te maken met de nu en masse aantredende ééndagsschaatsers -waartoe ik mezelf overigens ook reken.  Ik zie nu af en toe ook andere mensen op kunstschaatsen en een paar kinderen.

Dat laatste is opvallend, want toen ik vanochtend startte voelde ik me erg jong als ik naar de gemiddelde leeftijd van de schaatsers om me heen keek. Best prettig overigens, want ik heb tegenwoordig vaak meer last van het tegenovergestelde gevoel.

Niet ver na de start is er een tweede koek-en-zopie standje. Ik schaats er voorbij en als een echte kenner van het gebied informeer ik enkele verward uitziende mede-toerrijders dat ze voor de eerste stempelpost nog een eindje door moeten schaatsen.

Bij de betreffende stempelpost steunt een mevrouw op het tafeltje van de stempelmeneer. Haar gezicht is een beetje vertrokken. Mijn blik glijdt even omlaag en ik constateer dat ze haar schaatsen nog aan heeft. Ik krijg mijn eerste stempel op mijn nieuwe kaart en als ik door ga, hoor ik de mevrouw nog net aan de meneer die na mij in de rij stond, vragen of hij niet toevallig dokter is. Helaas. Gelukkig zie ik een paar meter verderop twee mensen uit de toerorganisatie aankomen met een kist die alleen maar EHBO-spullen kan bevatten. Mevrouw Spijt sputtert een beetje over de gevaren van schaatsen, maar houdt zich verder koest.

Na een korte stop bij stempelpost twee volg ik dit keer de groene pijl naar rechts. Zie mij eens! Als een grote meid schaats ik mee met de echte helden. Af en toe zoeft er één voorbij. Diep gezeten, met prachtige, rustige slagen. Het gaat bikkelhard – ik probéér niet eens of ik het bij kan houden. Alleen mindere goden wil ik wel eens proberen te volgen. Links, rechts, links, rechts…. Het is nog steeds mistig, maar koud heb ik het allang niet meer. Ik beweeg en ik geniet. Geniet van het schaatsgevoel.

Omdat het nu echt de hoogste tijd is om naar bed te gaan (zeker als ik morgen heel misschien ook nog wel een toertocht wil rijden), zal ik mijn verslag op een ander moment vervolgen.
Zie Stempelen, schaatsfanaten en spijt – deel II.

Update vrijdag 9 januari: naar de Oostvaardersplassen (startpunt Kitsweg/ Knardijk) bleek met OV eigenlijk niet te doen te zijn – 82 minuten lopen vanaf halte Baronie in Lelystad. Ik heb getwijfeld over de Ankeveense Natuurplassentocht, dat is vanuit een halte in ’s Graveland “slechts” een half uur lopen. Uiteindelijk ben ik op de fiets gestapt en heb ik een rondje over het Naardermeer/ Groote Meer geschaatst (startpunt: Meerkade 3, Muiderberg). Het ijs leek op sommige plekken een beetje op een miniatuur maanlandschap, maar de grootste stukken waren prima beschaatsbaar. In tegenstelling tot gisteren scheen de zon volop. Prachtig schaatsweer en schilderachtige taferelen van zwanen in een wak vlak bij de spoorlijn. Voor de goede orde: ik ben daar níet over heen gekluund. Het meer was groot genoeg.

*****
In Kortenhoef kon vandaag – 8 januari 2009 – alleen een 10- of 25 kilometertocht worden gereden. De 40-kilometertocht was niet uitgezet. Plassentocht Kortenhoef staat ook vrijdag en zaterdag – 9 en 10 januari 2009 – op de toerschaatsagenda. Er zijn twee startpunten: de IJsbaan bij de Kattenbrug, Kortenhoefsedijk 112a en Kraaiennest, Kortenhoefsedijk 143. Koek en Zopie bij de IJsbaan en een klein stukje in de tocht, misschien ook bij Kraaiennest – daar ben ik niet geweest. Meer informatie kunt u vinden op de website van de Kortenhoefse IJsclub en de pagina over toerschaatsen op de site van de KNSB. Openbaar vervoer: bus 106 (Hilversum – Weesp) van Connexxion stopt o.a. op de Kortenhoefsedijk 116, vlakbij de IJsbaan. Gezien mijn ervaringen toen ik weer terug naar huis wilde, raad ik u aan de buschauffeur te vragen waar de bus stopt als de dijk wordt afgesloten.

Bonkje on ice

De beklimming van de Mount Everest is er niets bij.

Het beste is om te schaatsen op een kunstijsbaan. Als u op natuurlijk ijs wilt schaatsen zorg ervoor dat het toegestaan is. Controleer of het ijs al dik genoeg is zodat u er niet doorheen zakt. Waarschuw ook (uw) kinderen en anderen hiervoor. (…) Ga nooit op afgelegen plekken schaatsen. Neem in ieder geval een gsm mee die u verpakt in plastic, een stuk touw om uit het wak getrokken te kunnen worden en een stok van 1,5 meter om over een wak te kunnen leggen en uzelf uit het water te trekken. Neem altijd een ijspriem mee en draag deze om uw nek.

Uit: Schaatsen – instructies voor het gebruik schaats/ gevaren tijdens het schaatsen. HEMA B.V.

Er ligt ijs op de vaart. IJs dat sterk genoeg is om mensen te dragen. Het duurt even voor het echt tot ons doordringt – we zijn er inmiddels zo aan gewend geraakt dat het nooit meer lang genoeg vriest om te kunnen schaatsen. Maar nu dus wel en doordat manlief net de zolder een beetje heeft opgeruimd, weten we zelfs waar onze schaatsen ongeveer liggen.

Bonkje heeft nog geen schaatsen. Dus gaan we niet alleen op vuurpijlen uit, maar ook op schaatsen. Het zit mee: bij HEMA vinden we nog een paar schaatsen in de juiste maat. Ze zijn wel duurder dan de bedoeling was, maar ze hebben als pluspunt dat ze ook als inline skates te gebruiken zijn. En ze hebben precies de juiste kleur: wit met roze.

Bonkje is hoogst verbaasd.
“Waarom gaan jullie schaatsen kopen? Gaan jullie schaatsen kopen voor míj?”.
Zij heeft de link van “er ligt ijs” naar “het ijs is dik genoeg” naar “we kunnen schaatsen!” duidelijk nog niet gelegd.
Manlief voert een ernstig gesprek met haar.
“Lijkt het je leuk om met papa en mama te gaan schaatsen?”
Ja, dat lijkt Bonkje wel wat.
“Het is best moeilijk hoor, je zult wel moeten oefenen voor je het een beetje kan. En je zult ook wel eens vallen.
Lijkt het je dan nog steeds leuk?”
Dat geeft allemaal niets, natúúrlijk lijkt het haar nog steeds leuk! Bovendien kàn ze al schaatsen!
“Op school schaats ik wel eens, op één been – en dan zet ik af met het andere. En bij De Ronde Tafel ook!”

Beelden van dubbele ijzertjes, Friese doorlopers en gewone rolschaatsen dringen zich aan me op. Maar de twijfel of we zo snel nog ergens anders schaatsen op de kop kunnen tikken overheerst. Vooruit dan maar.

In de bus naar huis wordt Bonkje steeds drukker van het vooruitzicht te gaan rolschaatsen – uh, oh nee, scháátsen. Haar vriendinnetjes gaan vast niet schaatsen en die kunnen het vast ook niet hè?
Ssst, niet zo gillen – en blijf eens zitten!
We vertellen haar nog maar een keer dat het ècht niet zo makkelijk is en dat het net is als met fietsen zonder zijwieltjes – dat ging ook niet in één keer goed.
O ja, dat is ook zo. Maar zij kan het echt hoor!

Eenmaal thuis gekomen blijkt dat we nog even geduld moeten hebben voor we ons op het ijs kunnen begeven. Eerst zullen de inlineskates nog moeten worden omgetoverd tot schaatsen.
Na de drie uur die ik samen met Bonkje bezig ben geweest met het in elkaar zetten van het Playmobilhuis dat ze “van Sinterklaas” had gekregen, laat ik deze klus graag aan manlief over. Gelukkig is hij er zelf van overtuigd dat dit een typische papa-taak is. En dat het een mooi kliksysteem is.

Maar de plaatjes in de handleiding zijn zo klein dat je er weinig aan hebt en het mooie kliksysteem blijkt toch niet zo klikkerig te zijn. Het bestaat vooral uit moeren, schroeven en klinknagels.
Terwijl Bonkje op één inlineskate de huiskamer onveilig maakt en steeds enthousiaster wordt, bespeur ik bij haar papa juist een snel opkomende chagrijnigheid.
“Kom”, zeg ik tegen Bonkje, “wij kunnen ondertussen mooi even boodschappen doen.”
Bonkje protesteert hevig, maar is haar verontwaardiging snel weer vergeten als ze mag helpen bedenken wat we die avond zullen eten. Bovendien gaan we tot haar grote geluk ook nog naar de bakker om de oliebollen te kopen. Toch nog op tijd! Ze maakte zich al zorgen of we het niet zouden vergeten.

“Zou papa al aan het schaatsen zijn?” vraagt ze zich af als we weer voor de schuttingdeur staan. Maar nee. Vanuit de tuin kunnen we hem zien zitten. Zo te zien is hij nog steeds bezig.

Als we op een glibberig steigertje eindelijk onze schaatsen aantrekken,
duim ik dat Bonkje er niet na drie minuten al zo schoon genoeg van heeft dat ze vervolgens nooit meer het ijs op wil.
Maar mijn angst – en die van manlief, die de inlineskates-slash-schaatsen het afgelopen uur het liefst de vuilnisbak had ingeknikkerd – blijkt ongegrond.

Oei, wat is dat ijs glad!
Bonkje hangt aan haar papa’s benen en zwabbert als een tekenfilmfiguurtje alle kanten op. Het is erg komisch, al maak ik me bij tekenfilmfiguren wel een stuk minder zorgen over eventuele builen.

Mmm, zo had Bonkje het niet helemaal voor zich gezien.
Maar ze blijft lachen. Bovendien ziet ze een jongetje van haar leeftijd dat zich alleen al redelijk weet te redden op het ijs. Dat wil zij ook!
Na een tijdje glibberen en met aanwijzingen van manlief krijgt ze een beetje door hoe ze rechtop kan blijven staan. Horde één is genomen.

Zelf sta ik ook wat onwennig op het ijs.
Ik ben nooit een schaatskampioen geweest – tot mijn frustratie is het me bijvoorbeeld nooit gelukt om “pootje over” onder de knie te krijgen en ik heb ook nooit op noren gereden – maar na een pauze van twaalf jaar is het beetje techniek dat ik had wel erg roestig geworden.
Ik moet mezelf echt overwinnen voor ik mijn schaatsen van het ijs durf te tillen. Gaandeweg komt mijn vertrouwen in mijn eigen kunnen weer terug en durf ik manlief af te lossen.
Een beetje beweging is hem zeer welkom, want in zijn noren hebben zijn tenen het vriespunt inmiddels wel bereikt. Daar heb ik met mijn kunststof schaatsen in ieder geval geen last van.

Na een klein uur kan Bonkje zelfstandig een beetje vooruitkomen.
Ze valt vaak, maar het lukt haar uiteindelijk om in ieder geval het achterover vallen te beperken en vaker vóórover en minder hard op het ijs te landen.
“Kijk mama! Goed ben ik voorover gevallen hè?”
“Ik vind het hardstikke knap van je!”
We mogen haar ook niet meer overeind helpen of meer instructies geven.
“Nee, ik wil dat niet, ik wil het op mijn éigen manier!

Voor haar eerste schaatsavontuur alsnog in een drama kan eindigen, gaan we naar huis. Na de belofte dat we morgen nog een keer gaan schaatsen kan zelfs Bonkje zich daar in vinden. Als Bonkje ’s nachts haar oma aan de lijn heeft om haar een gelukkig nieuwjaar te wensen vertelt ze vol vuur over haar belevenissen.
“We gingen schaatsen en ik kon al heel goed zelf schaatsen en ik viel wel maar eerst viel ik achterover en toen ging ik leren voorover te vallen en toen deed het niet zo’n pijn en toen gingen we een oliebol eten en morgen gaan we weer schaatsen!”

Gek genoeg zijn we niemand tegengekomen met een kluwen touw om zijn schouder, een stok van 1,5 meter op zijn rug en een ijspriem om zijn nek. Misschien kwam het doordat we niet op een afgelegen plek hebben geschaatst.
Het lijkt mij echter waarschijnlijker dat de schaatsers die wij tegenkwamen schaatsen net als wij niet associëren met levensgevaarlijke bezigheden, maar met woorden als “ijspret”, “erwtensoep” en “warme chocolademelk”.

Overigens was het pas echt levensgevaarlijk geweest om Bonkje een ijspriem om haar nek te laten dragen.

Lees hier hoe de naam “Bonkje” is ontstaan

*****
Speciaal voor de mensen die schaatsen willen kopen bij de HEMA en in hun zoektocht hier zijn blijven hangen: website HEMA – meisjes skate/schaats. In de winkel was overigens ook een “jongensvariant” verkrijgbaar.

En voor de mensen die graag de ongerepte schaatsvlaktes verkennen en op zoek zijn naar een ijspriem: via (bijvoorbeeld) de site van de Stichting Veilig Natuurijsverkeer kunt u een veiligheidsset kopen.