Hondenleven

Na Zoeff is nu ook Zoeffs halfzusje Bologna er niet meer. In september moesten mijn schoonouders haar laten inslapen.

Toen wij Zoeff kregen was ze al drie. We hebben ons vaak afgevraagd en voorgesteld hoe ze als pup moet zijn geweest, maar we hebben haar nooit als pup gekend. Bologna wel. En nu is ze dood. Mijn gevoel protesteert: zo hoort het helemaal niet te gaan! Hoe kan een levend wezen dat je vrijwel vanaf haar geboorte hebt gekend, nú al doodgaan? Dit klopt niet, dat is niet de juiste volgorde! Ik huiver als ik bedenk wat mensen die niet hun huisdier maar hun kínd verliezen moeten doormaken…

Bologna. Met haar sprongetjes deed ze me soms nog het meest aan een dartelend hert denken. Altijd blij, altijd in voor een spelletje. Helaas voor haar had Zoeff daar meestal geen zin in, al hebben ze één keer met zijn tweeën een konijn gevangen. Het konijn mankeerde gelukkig niets, maar ik heb me vaak afgevraagd of het arme beest later niet aan stress isbezweken.

Boxers Zoeff & Bologna
Zoeff & Bologna

Bologna was niet zo groot, maar compenseerde dat met haar snelheid. Menige hond raakte in een moment van onoplettendheid zijn bal kwijt als Bologna in de buurt was. Behalve snel was ze ook pienter. Hoe pienter precies, ontdekte ik een keer toen ze bij ons logeerde nadat Zoeff al dood was.

Onze buren waren hun huis aan het uitbouwen en hun aannemer ging precies in de week dat Bologna kwam logeren, met veel geweld en oorverdovende herrie de zware betonnen fundering van een oud schuurtje te lijf. Het stomme was dat de buren met de planning van de werkzaamheden juist rekening hadden gehouden met ons. Ik was namelijk hoogzwanger van Bloem – en zij hadden speciaal een aannemer gekozen die had toegezegd dat hij vóór mijn uitgerekende datum klaar zou zijn. Wel zo prettig, want bevallen bij dat kabaal – nee, daar moest ik niet aan denken.

Nu pakte dat op zijn zachtst gezegd echter een beetje ongelukkig uit. Manlief en ik probeerden zo laat mogelijk van huis weg te gaan en zo vroeg mogelijk terug te komen, maar we moesten tussendoor echt naar ons werk – dus de arme Bologna had het zwaar te verduren. We probeerden haar zoveel mogelijk bij de herrie vandaan te houden door haar mand in de hal te zetten, met de tussendeur dicht. Zoeff lag ook altijd in de hal als wij van huis gingen zonder haar – zij het dat we het bij haar deden zodat ze niet op de bank zou gaan liggen – en dat was altijd goed gegaan. Toen ik ergens die week samen met Bonkje thuiskwam en een open voordeur aantrof en in de hal een lege mand, wist ik dan ook niet hoe ik het had. Waar ik normaal gesproken waarschijnlijk panisch zou zijn geweest bij de gedachte dat er misschien wel inbrekers binnen waren geweest, speelden zich in mijn hoofd nu alleen maar doemscenario’s af waarin Bologna de hoofdrol speelde. Bonkje dacht gelukkig nog niet zo ver door en vond het vooral grappig dat Bologna de voordeur open gekregen had en was ontsnapt.

Om de een of andere reden wierp ik voor we aan onze zoektocht door de buurt begonnen, snel nog even een blik in de achtertuin. Gelukkig maar, want wie zat daar pontificaal voor de deur? Juist.
Hoe lang ze is weggeweest en wat ze in die tussentijd heeft gedaan heeft ze ons helaas nooit verteld, maar ze had tot mijn immense opluchting de weg naar ons huis weer gevonden – zij het dan dat ze nu aan de achterkant was beland in plaats van aan de voorkant; maar misschien was dat wel bewust – wie zal het zeggen…

Later die week schoot ze nog een keer langs manlief en Bonkje de tuin uit toen ze ’s morgens op het punt stonden weg te gaan. Fijn, zo’n voorschoolse activiteit – zeker als je weet hoe het er hier ’s morgens gaat (Manlief is veel geduldiger, bij mij gaat het ongevee

r zo: ‘Sta nou eens stil, zo kan ik geen scheiding maken! Eet nou eens door! Heb je je drinken al op? Niet zo treuzelen! Hup, tanden poetsen, anders kom je te laat! Bonkje! Hoe vaak moet ik het nu nog zeggen!)… Gelukkig vonden manlief en Bonkje haar ook toen weer heelhuids terug terug. En door de voordeur ontsnappen zou haar niet nog een keer lukken, want die draaiden we nu uit voorzorg goed op slot. De eerste keer dat Bologna na haar logeerpartij weer op visite kwam, waren we bang dat ze helemaal niet meer naar binnen zou willen vanwege alle wilde avonturen die ze had beleefd, maar blijkbaar had ze er geen trauma aan over gehouden, want ze liep weer naar binnen alsof er nooit iets aan de hand was geweest.

En nu? Volgens Bonkje zitten Zoeff en Bologna nu vanuit de hemel gezellig naar ons te kijken. Al was ze er nog niet helemaal over uit of ze naast elkaar zitten, of dat Zoeff boven ons huis (boven de eettafel om precies te zijn) – en Bologna boven dat van haar opa en oma zit.

Hondenverjaardagspartijtje

Op de komst van een baby kun je je meestal negen maanden voorbereiden. Drie dagen voor de komst van Zoeff wisten wij nog niet eens van haar bestaan af. We gingen mee met mijn schoonouders, om naar Boxerpuppy’s te kijken. Op het adres waar mijn schoonouders hun oog op pup Bologna lieten vallen, liep ook de driejarige Zoeff rond. Zij was één van de honden die de fokker zelf had gehouden, maar ze bleek geen puppy’s te kunnen krijgen en was dus te koop. Na een weekend wikken en wegen hakten we de knoop door. En zo hadden wij opeens een hond. Nog eerder dan mijn schoonouders, want zij moesten nog een paar weken geduld hebben voor ze Bologna op mochten halen.

Drie jaar later lag er een uitnodiging in de brievenbus. De uitnodiging was gericht aan Zoeff.

Lieve vrienden,
Wij, Bologna en Brutus worden drie jaar. Dat vieren we vrijdag 2 juli aanstaande om 11 uur. Komen jullie op ons partijtje in het park? We wachten op jullie bij de picknicktafel op het grote grasveld vlak bij het witte bruggetje.
Tot dan!

Lebbers van Brutus en Bologna

Manlief zei dat ik gek was als ik er heen zou gaan. Maar Brutus komt uit hetzelfde nest als Bologna en als halfzus van de jarigen kon Zoeff niet verstek laten gaan. Vond ik. Bovendien zei mijn schoonmoeder dat het bazinnetje van Brutus het wel op zou lossen als het vechten werd. Dus togen Zoeff en ik, voorzien van twee identieke speeltouwen en botten – om afgunst tussen de jarigen te voorkomen – op de bewuste dag naar het park waar het feest zou plaatsvinden. In het park aangekomen volgden we de bandensporen van de auto van Brutus’ bazinnetje – want zo’n feest behoeft natuurlijk wel enige aankleding – naar een tafel tussen twee bomen. De tafel was feestelijk gedekt en aan versnaperingen voor de genodigden – naast Zoeff waren er nog drie andere gast-boxers en één gast-bulldog – en hun  bazinnetjes was geen gebrek. Het geheel, inclusief de bazinnetjes, zou niet hebben misstaan in Gooische Vrouwen.

We waren nog maar net gearriveerd of Brutus en Zoeff, die elkaar niet zo goed kenden, kregen het met elkaar aan de stok. De andere honden verdrongen elkaar om vooral ook hun zegje te kunnen doen.
“Hé, wat moet jij, ík ben hier de baas!” – scheen Brutus duidelijk te willen maken.
“Opschepper! Ik ben de oudste!” – bracht Zoeff daar tegenin.
Meestal kun je honden het beste zelf laten uitmaken wie de baas is. Als dat eenmaal duidelijk is, schikt elke hond zich in zijn rol en is er niets meer aan de hand.
Helaas zal ik nooit weten wie er zou hebben gewonnen. Het bazinnetje van Brutus riep namelijk heel hard:
“Hij heeft HD! Hij heeft HD!”
Het duurde een paar seconden voordat tot me doordrong wat ze daarmee bedoelde.
ADHD?
Oh. HeupDysplasie.
En in plaats van dat ik het haar zelf liet oplossen, voelde ik me genoodzaakt om zelf in te grijpen. Het was tenslotte mijn hond die mot had met een andere hond. Bovendien had het bazinnetje van Brutus me wel daadkrachtig geleken, maar nu klonk ze vooral paniekerig en alleen armenzwaaien loste ook niets op.

Ik greep Zoeff dus vast bij haar achterlijf, met het idee haar uit de kluwen weg te trekken, maar dat was niet zo’n goed idee.
Ik had beter een harde brul kunnen geven en haar stevig bij haar nekvel kunnen grijpen, zoals een moederhond zou hebben gedaan als het gedrag van haar kroost haar niet zou bevallen.
Zoals het was, dacht Zoeff waarschijnlijk dat ze ook van achteren belaagd werd en ze beet me in mijn vinger.
Van schrik liet ik haar meteen weer los.

Hoe de honden daarna precies uit elkaar zijn gehaald, kan ik me niet meer herinneren. Ik stond waarschijnlijk te verbouwereerd naar mijn vinger te kijken.
En me af te vragen hoe ik ook zo stom kon zijn om met Zoeff naar een hondenpartijtje te gaan.
Hoewel Zoeff niet had doorgebeten en het feestje eigenlijk nog moest beginnen, vond ik het wel mooi geweest. Ik lijnde Zoeff aan en nam haar mee naar het huis van mijn schoonouders. Voor de zekerheid liet ik mijn schoonvader, die huisarts is, even naar mijn vinger kijken – maar het was inderdaad niets ernstigs.

Na het feest kwamen ook mijn schoonmoeder en Bologna thuis. Toen ik hoorde wat er nog meer was voorgevallen, vond ik het toch wel jammer dat ik daar geen getuige van was geweest. Als fly on the wall wel te verstaan, want als mens was ik denk ik het liefst door de grond gezakt van plaatsvervangende schaamte.

Er was een oudere heer met een klein hondje langs de feestgangers gewandeld. De bulldog, die blijkbaar vond dat het feestje een beetje inkakte, was op het kleine hondje afgestormd. De andere honden vonden dat natuurlijk ook weer reuze interessant, dus binnen een mum van tijd wist de arme man zich omringd door grote monsters. Ten einde raad probeerde hij ze met zijn paraplu weg te jagen, maar dat was niet zo’n goed idee….

De bazin van de bulldog – die in het dagelijks leven een beroep uitoefent dat hoog in aanzien staat – ontpopte zich tot een ware furie die de grote monsters met gemak tot ongevaarlijke hondjes deed verbleken.
“Hoe durft u mijn hond te slaan! Hoe durft u!”
Binnen de kortste keren had ze de oudere heer zijn paraplu afhandig gemaakt en mepte ze de man met zijn eigen plu de struiken in. Al struikelend en met zijn hondje in zijn armen maakte de man zich uit de voeten. Nog nabriesend brak de bazin van de bulldog de paraplu doormidden. Daarna keerde ze terug naar de andere dames. Aangezien je moet stoppen op het hoogtepunt, besloten de bazinnetjes van Brutus en Bologna dat dit een goed moment was om het partijtje te beëindigen.

Voor zover ik weet hebben Brutus en Bologna de afgelopen jaren geen verjaardagsfeestje meer mogen geven.

Zoeff is er helaas niet meer. Zij is vorig jaar overleden.

Zoeff is dood

“Dag Zoeff!”
Bonkje zwaait naar de hemel.

Zoeff is niet meer. Zoeff is dood.
Begin juli moesten we haar laten inslapen. In een paar weken tijd veranderde ze van een blije hond in een onherkenbaar hoopje ellende. Ze had duidelijk pijn, kon nauwelijks meer lopen, at bijna niets meer. Behandelingen van de dierenarts boden ook geen uitkomst meer. Dus maakten we een afspraak om Zoeff in te laten slapen.

Dat was heel onwerkelijk. Zo hoorde het helemaal niet te gaan. Eén of twee avonden voor het zover was, zat ik bij haar. Ik streelde haar en hoopte maar dat haar hart vanzelf zou stoppen met kloppen. Maar dat deed het niet.

“De dierenarts gaat Zoeff helpen doodgaan. Dat is verdrietig, maar het is ook heel verdrietig als Zoeff zoveel pijn heeft.”

We hebben een afspraak om één uur ’s middags.
Maar voor het zover is, zullen we nog één keer met zijn allen naar het park rijden waar we Zoeff zo vaak hebben uitgelaten – en waar ze heeft leren zwemmen.

’s Ochtends loopt Bonkje naar Zoeff toe. Ze heeft van de dierenarts een doosje gekregen met hondensnoepjes.
“Jij gaat bijna dood hè?” zegt ze opgewekt, terwijl ze Zoeff zachtjes aait en een hondensnoepje toestopt.
Wonder boven wonder eet Zoeff het snoepje op.
In de tuin maak ik nog een paar foto’s van Bonkje en Zoeff.
“Mag ik Zoeff nog een snoepje geven?”
“Vooruit. Maar de rest van de snoepjes moet je maar even bewaren tot we in het park zijn.”
“Ja, maar we moeten het niet vergeten hè? Want dan kan ik ze niet meer aan haar geven.”
“Nee hoor, dat vergeten we niet.”
Het is een prachtige dag – warm en zonnig.

In het park lopen we naar Zoeffs favoriete zwemplek toe, zodat ze er nog één keer even kan pootjebaden. Moeizaam laat ze zich in het water zakken. Manlief, Bonkje en ik stappen ook in het water.
“Weet je nog die keer, dat Zoeff opeens ophield met zwemmen, om te kijken waar de bal gebleven was?”
In gedachten zien we Zoeff weer kopje onder gaan – ze had duidelijk even het idee ze op de kant stond en rustig stil kon gaan staan. Gelukkig kwam ze meteen weer in beweging toen ze merkte dat ze zonk. Oeps – foutje!
We denken aan alle keren dat manlief startklaar heeft gestaan – schoenen al uit – om Zoeff te redden, want een goede zwemster is ze nooit geworden. Maar hij kon zijn schoenen altijd weer aantrekken.

We helpen Zoeff op de kant, spreiden in de schaduw een grote handdoek uit op het gras. We hebben drinken bij ons en ham-kaascroissants van de bakker. Zoeff mag ook een halve croissant – haar eerste ooit. En net als de snoepjes eet ze ‘m op. Ze kijkt zelfs even op om te zien of dat alles is.

Manlief en Bonkje voetballen wat en daarna gooit manlief nog één keer een bal voor Zoeff. De wil is er wel – ze strompel-hinkt erachteraan.

Dan moeten we echt gaan.
Met lood in onze schoenen naar de auto.
Manlief tilt Zoeff erin.

Naar de dierenarts.
We willen niet, maar zodra we naar Zoeff kijken weten we dat het beter is zo.
We denken het.
We hopen het. Hopen met heel ons hart dat we gelijk hebben.

Bij de dierenarts neemt de assistente Bonkje mee naar de wachtkamer.
Het lijkt ons beter als Bonkje er op het moment dat Zoeff wérkelijk overlijdt, niet bij is.

Wij blijven bij Zoeff, die op een dekentje mag liggen.
De dierarts legt uit dat ze haar eerst een middel geeft waardoor ze in slaap valt.
We geven Zoeff een kus, een aai, houden haar vast.

Ik voel me een vreselijke verrader. Hoe kan ik dit nou laten gebeuren terwijl ik haar ogenschijnlijk zo goed bescherm?
De wereld staat op zijn kop.
Vandaag ís dit de beste bescherming die we haar nog kunnen bieden.
De bescherming tegen verder lijden.

De dierenarts geeft Zoeff een paar spuiten om haar onder narcose te brengen.
Zoeff kermt een keer. Ach beest toch, lief beest.

Zoeffs lijf ontspant zich. Ze snurkt.
Door onze tranen heen moeten we er toch een beetje om lachen.
We horen hoe de assistente Bonkje een verhaaltje voorleest.

De dierenarts scheert een stukje van Zoeffs poot kaal om de laatste, dodelijke injectie toe te kunnen dienen en bereidt ons erop voor dat dit heel snel gaat.

De dierenarts heeft gelijk.
“Dag lieve Zoeff,” fluisteren we, “dag, dag…”

De dierenarts veegt wat vrijgekomen urine van de vloer en dan mag Bonkje weer binnenkomen.
Samen met haar leggen we onze handen op Zoeffs lijf.
“Voel je? Helemaal stil. Zoeff ademt niet meer. Zoeff is dood.”
Bonkje knikt en geeft Zoeff nog een aai.

’s Avonds, voor ze naar bed gaat, loopt Bonkje nog even de tuin in.
Ze zwaait naar de hemel.
“Dag Zoeff!”