Wiebeltand

Zodra ze me ziet, zegt ze de juf gedag en rent ze op me af.
– Mama! Ik heb een wiebeltand!
– Echt waar, laat eens kijken?

En ja hoor, het is echt waar. Op weg naar huis gaan we eerst nog even boodschappen doen. Maar voor we bij de supermarkt zijn hoor ik opeens gesnik. Als ik omkijk, zie ik een nat gezichtje. Dikke tranen vallen omlaag.

– Mwamwaa! Ik wil niet dat mijn tand eruit gaat. Ik wi-hil dat deze tand blijft! Ik wi-hil geen andere tanden!
– Hé lieverd, dat is toch niet erg?
– Jawè-hel!
Ik druk haar tegen me aan en veeg een traan van haar wang.
– Maar waarom vind je het dan zo erg?
– Dan moet ik naar de tandarts en dat wi-hil ik niet.
– Ja maar, je hoeft helemaal niet naar de tandarts.
– En dan doet de tandarts er een nieuwe tand in en dan doet het heel veel pijn!
– Welnee, hoe kom je daar nou bij?! Je hoeft helemaal niet naar de tandarts. Laat eens kijken – ja, ik zie je nieuwe tand al zitten, die komt helemaal vanzelf! Als we thuis zijn kan je het zien, in de spiegel!
– ….
– Stel je voor zeg, een nieuwe tand uitzoeken bij de tandarts! En stel je voor dat je dan zelf een kleur mocht uitkiezen – en dat alle witte tanden op waren. Dat zou wel een beetje gek zijn toch?
Ja, dat is Bloem wel met me eens.
– En weet je wat, volgens mij hebben we thuis nog een boekje dat wiebeltand heet. Een boekje dat van Lune was. Dat kunnen we vanavond lezen. En dat komt nog goed uit ook, want het verhaal van Bezem hadden we net uit.

Een beetje vestopt in de kast vind ik het boekje: ‘wiebelbiebeltanden’, van Carry Slee, over kleuters in groep twee. We lezen wat er op de achterkant staat over een wiebeltand en beginnen dan bij het begin. Het gaat over een kleuter met een gebroken arm en een kukelgiechel. De schrijfster heeft zich goed in kleuters ingeleefd – of misschien heeft ze haar verhalen gebaseerd op wat ze meemaakte met haar dochters. Hoe dan ook is het een blije Bloem die ik even later instop.

– Mama,
zegt ze, als ik haar heb toegedekt,
– als mijn tand er nou uitgaat vannacht, dan ben ik bang dat ik ‘m kwijtraak.
– Dan kom je maar naar me toe en dan maak je me wakker.
– Mag dat echt?
– Ja, dat mag echt. Liever niet zomaar, want mama is niet zo gezellig als je haar ‘s nachts wakker maakt.
– Maar word je dan niet boos?
– Nee, als je tand eruit is dan word ik niet boos als je me wakker maakt.

Tien minuten later hoor ik Bloems kamerdeur opengaan en even later staat ze voor mijn neus.
– Kijk mama, mijn tand is eruit, mijn tand is eruit!
– Zo, zeg, dat ging snel! Dat is een mooie tand! Ging hij er helemaal zelf uit, of heb je er een beetje aan gezeten?
– Ik heb er een beetje aan gezeten en ik heb ook een beetje gedraaid. Kijk papa! Mijn tand is eruit!
Ook papa moet de tand bewonderen. En grote zus Lune.

– Nou, kom maar even mee naar de badkamer, dan kan je een slokje water drinken en spoelen we je tand ook even af.
– We moeten hem wel bewaren hè, mama?
– Ja, we zullen ‘m bewaren. Hij mag wel even in dit doosje, dan moeten we van de week maar kijken of we ergens een mooi doosje voor je tanden kunnen vinden.
– Vet hè mama, ik ben wel heel trots!
– Ja, dat snap ik wel! Leuk hè? Zo, nu lekker verder slapen. Welterusten!
– Welterusten mama!

Tevreden ga ik weer naar boven. Zo, denk ik. Dat drama van vanmiddag heb ik toch maar mooi om weten te buigen naar een klein feestje.

Een half uur later hoor ik Bloems kamerdeur echter weer opengaan en weer hoor ik haar de trap op komen.
– Kijk, er is nóg een tand uit!
Manlief, Lune en ik kijken Bloem verbouwereerd aan.
– Hoe kan dat nou? Je had toch maar één wiebeltand?
– Nee, deze wiebelde ook!
– En hij ging er zomaar vanzelf uit?
Enigszins bedrukt door ons gebrek aan enthousiasme geeft ze toe dat het niet helemaal vanzelf ging. Dat ze eraan zat.
Lune heeft moeite haar lachen in te houden. Ik heb vooral visioenen van een kind dat jarenlang met een tandeloze mond verder moet. Bloems lip begint te trillen.
– Maar het was ook zo moeilijk! Want het voelde zo gek!
– Ja, nou, kom maar snel mee, dan gaan we nog een keer naar de badkamer.

Voor de tweede keer sta ik met een kleuter en een losse tand in de badkamer. Een huilende kleuter dit keer.
Ze spoelt haar mond en we poetsen voorzichtig haar tanden. Voor de zekerheid voel ik één voor één haar overgebleven tanden om er zeker van te zijn dat die goed vast zitten.
– Deze zitten allemaal nog vast. Zal je er nu niet meer aanzitten?
Nee, ze zal er niet meer aanzitten. Ik geloof haar, want na het feestje van daarnet is ze nu duidelijk een beetje geschrokken.

Een paar dagen later vinden we in de stad een mooi doorzichtig doosje met blauwe klemmetjes. Het is groot genoeg voor al haar melktandjes. Dat moet ook wel – want in het tandendoosje dat ze in een babywinkel verkopen, kan maar één tandje bewaard worden. En wij weten echt niet meer welk tandje er als eerste uit was.

We leggen haar tanden op een watje in het doosje en Bloem doet het voorzichtig dicht. Dan bergen we de schat veilig op in de kast.

***
En zo ging het zes jaar geleden bij Lune (Bonkje):

Grotemensentand

 

 

Eén gedachte over “Wiebeltand”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *