Zwartepietenhysterie

Op 15 oktober stonden in het NRC deze afbeeldingen onder elkaar.
‘Zwarte Piet!’ riep mijn kleuterdochter enthousiast. Zo simpel is het dus…

Zwarte Piet Stroopwafelpiet Kaaspiet NRC, 15 oktober 2014
Zwarte Piet Stroopwafelpiet Kaaspiet NRC, 15 oktober 2014

….of: zo simpel zou het kunnen zijn.

Toen ik voor het eerst iets las over de bezwaren die tegen Zwarte Piet werden opgeworpen, vond ik het een beetje flauwekul. Mijn voornaamste associatie was die met een buurvrouw van vroeger, die altijd voor het raam zat, zich stoorde aan alles wat ze door dat raam zag en consequent overal over zeurde en klaagde. Mens, erger je niet! Maar vanuit de positie van iemand die alleen positieve herinneringen aan het sinterklaasfeest heeft en nooit met discriminatie te maken heeft gehad, is dat wel erg makkelijk geredeneerd.

Aan de andere kant snapte ik de enorme ophef over de door de NTR/ het Sinterklaasjournaal in het leven geroepen regeboogpieten in 2006 al evenmin.

De hele zwartepietendiscussie neemt steeds hysterischer vormen aan en ik word een beetje zwartepietenmoe. Wat mij betreft wordt het een bonte pietenverzameling. Zwart, wit, gekleurd, man, vrouw – voor ieder wat wils. Niet alléén maar zus of alléén maar zo, maar een beetje geven en nemen, zoals kinderen op de kleuterschool al leren.

Ik ben echter bang dat op dit moment geen enkele oplossing goed genoeg is voor de strijdende kampen.

Afgelopen week las ik dat actiegroep “Pro Zwarte Piet” bij de landelijke intocht van Sinterklaas in Gouda, uit protest tegen de wafel- en kaaspieten (die door de gemeente waren bedacht om tegemoet te komen aan de tegenstanders van Zwarte Piet) zoveel mogelijk kinderen zwart gaat schminken. Volgens de actiegroep, die het “zo onschuldig en vreedzaam mogelijk” wil houden, “een ludieke actie (…) Het is tenslotte een kinderfeest en kinderen moeten het naar hun zin hebben op deze dag.”

Wacht even – ludieke actie? Onschuldig en vreedzaam? Ben ik de enige op wie het eerder overkomt als de volgende stap in een steeds bloediger loopgravenoorlog?

Ik kijk nog eens naar mijn kleuterdochter, die nergens last van heeft. Zwarte Piet, Stroopwafelpiet, Kaaspiet – wat haar betreft is het één pot nat. En feest, vooral feest.  Ik hoop dat dat zo blijft als ze straks beelden ziet van de intocht.

Voetbalschoen

Terwijl de verkoper Lune helpt bij het passen van nieuwe balletschoentjes en gymschoenen – ze is uit haar oude paren gegroeid – valt mijn oog plotseling op Bloem. Ze staat helemaal verlekkerd te kijken naar een blauwe kindervoetbalschoen (precies zo één als op het plaatje). Ze heeft ‘m precies naast haar laars gezet.

Blauwe voetbalschoen met drie witte strepen

Kijk mama, deze past wel! Die kan ik aan als ik ga voetballen!
O – en mama, ze hebben hier ook hele kleine hockeysticks!

We zullen zien – eerst maar eens op zwemles…

Flip de Beer wil naar de maan en bakt appeltaart

Hallo daar ben ik weer! Ik ben Flip de Beer. Ik logeerde bij Bloem deze keer.

Eerst waren we nog op school, toen mocht ik bij Bloem op schoot. Ik zit graag op schoot, maar Bloem hield me per ongeluk vast aan mijn nek, dus toen kreeg ik het wel een beetje benauwd. Dus piepte ik: Bloe-hoem! wil je me om mijn middel vasthouden?

En…oepsie! Ik had mijn nieuwe pyama nog aan. Dat kwam omdat ik er zó blij mee ben, dat ik helemaal vergeten was iets anders aan te doen.

Het regende heel hard toen we uit school kwamen dus ik was blij dat Bloems mama ons met de auto kwam halen. Daar zag ik wel iets vreemds: een fiets?! In de auto? Even later snapte ik waarom: de fiets was stuk, dus gingen we naar de fietsenmaker. Daar zag ik héél veel fietsen. Er hingen zelfs fietsen aan het plafond!

Voor we gingen slapen kwam Bloems grote zus Lune ons nog even een knuffel geven. Dat was heel leuk, want ik heb ook bij Lune gelogeerd toen die nog veel kleiner was!
Daarna mocht ik onder een fijn zacht dekentje aan het voeteneinde van Bloems bed slapen. Als Bloem met haar voeten wiebelde, kietelde dat wel een beetje aan mijn billen!

Zaterdag hebben we gespeeld met de auto’s en de ridders. Daarna gingen we met Bloems papa en Lune mee naar de bibliotheek.

Lunes fiets was nog bij de fietsenmaker, dus fietste ze op een heel gek fietsje met hele kleine banden maar een heel hoog zadel en heel hoog stuur. En toen we terugkwamen vouwde Bloems papa de fiets op. Een vouwfiets, haha! Ik kan alleen papieren vliegtuigjes vouwen!

Bij de bieb leenden we een boek over astronautje André. Ik zou best ook eens in een raket naar de maan willen, jullie ook? Op de maan kan je heel hoog springen.

Flip de Beer wil ook in een raket naar de maan
Flip de Beer wil ook in een raket naar de maan

Vandaag kleedden we ons vroeg aan, want Lune moest dansen in een balletvoorstelling en moest de hele dag in het theater zijn.

Bloem en ik mochten een appeltaart bakken, want ‘s middags kwamen Bloems opa’s en oma’s. De hond van Bloems opa & oma kwam ook mee. Hij was heel lief maar wel een beetje druk en ik ben zijn naam vergeten.

Nu gaan we naar bed. Morgen gaan we weer naar school. Slaap lekker lieve Bloem, tot een volgende keer!

Flip

Mandarijn

Manlief: ‘En, is het gelukt om je mandarijntje te pellen?’
Bloem: ‘De juf heeft een beetje geholpen’
Manlief: ‘Maar zondag heb je het mandarijntje dat in je schoen zat toch helemaal zelf gepeld?’
Bloem: ‘Ja, maar dat was van Sinterklaas’

…‘t Is maar dat jullie het weten: de mandarijnen van Sinterklaas zijn veel makkelijker te pellen.

Lampionnetje

Eigenlijk zouden we dit jaar niet gaan. Maar ja, Bloem had dit jaar maar liefst twéé hele mooie (bijna) zelfgeknutselde lampionnetjes – nog één van het kinderdagverblijf èn een van de eerste week op school. Uiteindelijk hebben we dus toch maar een klein rondje gemaakt. En het liedje ‘lampionnetje’ dat we vorig jaar hadden ingestudeerd was nog steeds een succes.

Bonkje & Bloem zingen ‘Lampionnetje’
Lampionnetje, lampionnetje
schijn maar in de donk’re nacht
als een sterretje
als een zonnetje
licht heeft veel geluk gebracht.

Dat het maar een klein rondjes was, was overigens niet te zien aan de hoeveelheid snoep die de dames hadden opgehaald – bijna overal ‘mochten ze nog wel wat pakken’. Gelukkig telde ik ook nog een paar mandarijnen.

Toen ik Bloem voorstelde dat ze misschien ook opa en oma, die op dinsdag altijd komen, ook iets uit haar snoeptrommeltje kon geven, keek ze een beetje bedrukt. Haar gezichtje klaarde echter op toen ze zich de mandarijntjes herinnerde: die mochten opa en oma wel hebben. Delen valt niet mee.

Naar school

‘Ik zal mijn vriendjes van het kinderdagverblijf wel missen.’
‘Ja, maar we kunnen heus nog wel eens afspreken hoor.’
‘Nu moet ik aan die kindjes vragen of ze mijn vriendje willen worden. Maar dan zeggen sommige kinderen nee en misschien zeggen ze allemaal nee.’
‘Dat zal wel meevallen,’ zeg ik iets stelliger dan ik me voel, ‘je leert ze snel genoeg kennen. En dan merk je vanzelf wie je aardig vind – en wie het leuk vindt om met jou te spelen.’

De avond voor ze voor het eerst gaat wennen op school, heeft ze buikpijn en kan ze niet slapen. We nemen haar uiteindelijk maar een tijd bij ons in bed. Ik aai zachtjes over haar buikje, haar wang en haar haar en denk terug aan hoe ze naast me lag toen ze pasgeboren was.

De volgende ochtend ga ik met haar mee naar school. De juf verwelkomt ons en laat zien dat er aan de kapstok al een luizenzak klaarhangt met Bloems naam erop en een stickertje erbij. En in de kring staat een stoeltje – ook met haar naam en met een stickertje met hetzelfde plaatje. Ik ga zitten op Bloems stoeltje en lees een verhaaltje voor – totdat de juf begint. Ik vraag Bloem of ze nog even op schoot wil zitten, of dat ik nog even op een tafel net buiten de kring zal gaan zitten. Maar nee, ik moet helemaal weg, want de juf gaat beginnen en alle andere ouders lopen ook het lokaal uit! Dus sta ik onverwacht snel buiten. Door het raam zwaai ik nog even naar haar. Ze zwaait vrolijk terug. Uh – nou – dan ga ik maar aan het werk.

Als ik haar aan het eind van de ochtend ophaal, rent ze stralend op me af. ‘Kijk, ik heb een sticker verdiend! En ik heb met een meisje gespeeld!’ Hoewel ik er ergens wel vertrouwen in had dat het goed zo komen, valt er toch een pak van mijn hart. Maar leuk vind ik het nog steeds niet. Vanochtend had ik een laatste oudergesprek met één van Bloems vaste leidsters van het kinderdagverblijf en ik kon een paar tranen niet onderdrukken. We hebben enorm geboft met Bloems leidsters – ze is dol op ze en wij stiekem ook. We lieten haar altijd met gerust hart achter. Ze was in goede handen en kon er naar hartelust spelen èn zich ontwikkelen.

Nu wordt onze peuter een kleuter. Ik weet dat ze bij de kleuters heus ook nog wel spelen, maar toch voelt het beklemmend, als het begin van ‘het moeten’, dat nooit meer ophoudt. Wat zou ik graag willen dat ze nog een jaartje drie bleef. Dat ze nog niet aan kleuter-citotoetsen wordt onderworpen (we leven in doorgeslagen maatschappij als je het mij vraagt). Dat ze nog wat langer zo heerlijk onbezorgd bleef.

Maar ja, aan de andere kant is ze er misschien ook wel aan toe een stapje verder te gaan. Ze wijst enthousiast letters aan op straat en afgezien van de keer dat ze riep dat ze geen huiswerk wilde, niet naar school wilde, niet wilde studeren en niet wilde werken (tja, dat heb je als je je grote zus met tegenzin huiswerk ziet maken) – afgezien van die keer kan ze nu eigenlijk niet meer wachten om ‘helemaal’ naar school te gaan. Zeker niet nu ze voor haar verjaardag een mooie schoolrugzak, broodtrommel en drinkbeker heeft mogen uitkiezen.

Morgen gaat ze nog één dagje naar haar vertrouwde groep en dan moeten we er toch echt aan geloven. Ik neem nog maar een glas wijn. Loslaten valt niet mee.

Hun kind

Nadat ze heerlijk in de tuin hadden gespeeld (badje, trampoline) met hun achterneefje en achternichtje; taart, chips, toastjes, een broodje en meloen hadden gegeten; hun kleinste, in mei geboren achterneefje vast hadden mogen houden en een watergevecht hadden gehouden; ging ik bijna met een kind minder naar huis. Bloem (heel enthousiast): ‘Mama, ik wil hun kind zijn’. Toen ik vervolgens heel zielig keek, wilde ze nog wel een concessie doen. ‘Dan blijf ik zes dagen en dan kom ik weer bij jullie.’

Twee Sinten en een baby’tje

Als peuter van drie is het soms best hard hollen met je kleine beentjes om je grote zus van negen bij te benen. Vooral aan het eind van het jaar gaat het in een rap tempo.
Eerst heb je op het kinderdagverblijf een mooi egeltje geknutseld. Een lampionnetje. Voor ‘Sint Maarten’ – wat of wie dat dan ook moge zijn. Je grote zus heeft dit jaar op school voor het eerst géén lampion gemaakt maar wil dit feest eigenlijk echt niet missen. Zeker als je thuis niet zo vaak snoep krijgt, is het natuurlijk walhalla. Mama denkt terug aan haar eigen kindertijd, strijkt dan met haar hand over haar hart. Vooruit dan maar, ze wil wel met jullie langs de deuren als het Sint Maarten is. Voorwaarde is dat je grote zus dan nog wel zélf een mooie lampion maakt. Een beetje moeite mag je er wel voor doen. Je zus zoekt mooi paars karton uit, een sjabloon met hondjes en verschillende kleuren vliegerpapier. Samen met mama drukt ze de patronen van de hondjes en hondenpootjes uit het karton (een naald en een opgevouwen handdoek onder het karton dienen als alternatief priksetje). Mama vindt het ook niet leuk als jullie alleen de geijkte liedjes kennen, dus leren jullie nog een ander liedje: ‘Lampionnetje’. Een oude mevrouw is helemaal ontroerd – zo’n kleintje heeft ze nog niet aan de deur gehad – en zo’n mooi liedje heeft ze ook nog niet eerder gehoord.

Bonkje & Bloem zingen ‘Lampionnetje'(.wma)’

Sint Maarten is nog maar nauwelijks achter de rug als Sinterklaas aankomt in Nederland. Samen met je zus mag je soms naar het Sinterklaasjournaal kijken. En je schoen zetten! De eerste avond zing je Sint-Maartenliedjes bij je schoen. Gelukkig helpt je grote zus je bij het leren van Sinterklaasliedjes (In januari zing je nog heel vaak Sinterklaasliedjes, die je nu eindelijk – net iets te laat – goed kent).

En alsof dat nog niet genoeg geweest is allemaal, vieren we ook nog de geboorte van ‘baby’tje-s-Jezus’. Dat vind je wel heel mooi. ‘Baby’tje-s-Jezus is op aard hè?’. Op een dag sta je al helemaal klaar om de deur uit te gaan, om een cadeautje te kopen. Want als er een baby’tje is geboren, ga je op kraamvisite. En daar hoort een cadeautje bij.

WC

Ik loop naar binnen, zet mijn tas neer en trek mijn jas uit. Bonkje zit met manlief haar huiswerk te doen. Bloem was aan het spelen, maar rent blij op me af als ze me ziet.
‘Mama! mama!’
‘Dag lieverd, ik ga nu eerst snel even naar de wc, ik kom zo.’
‘Ik ga ook mee.’
‘Nee, blijf jij maar even hier’ – soms is wel het prettig als je even op de wc kan zitten zonder dat er ondertussen een peuter met autootjes over je hoofd rijdt. Zonder peuter die zich ondertussen langs je heen wurmt om belangstellend in de pot te kijken en die vervolgens niet 1x, 2x – nee, wel 10x de inhoud daarvan met je wenst te bespreken.

‘Ik wil ook mee naar binnen!’
‘Nee, ik kom zo – kijk uit voor je vingertjes!’
Het kost wat moeite, maar het is me gelukt, hèhè. Rust.
Relatief tenminste. want Bloem laat zich heus niet kisten door een deurtje meer of minder.
‘Maham, wat doe je?’
‘Ik zit even op de wc. Ga maar naar de kamer.’
‘Nee, dat wil ik niet!’
Broem broem – de wc-deur is een snelweg – en de trap wordt een trommel. BONS BONS BONS.
‘Bloem, kom maar even hier!’ roep Bonkje vanuit de kamer.
‘Nee, dat wil ik niet. Ik moet huilen!’.
Zo gezegd, zo gedaan. Ze heeft een klein aanloopje nodig, maar dan klinkt er een ware nephuil: boehoehoe!
Op de wc moet ik er stilletjes te lachen.
Bloem breekt haar gehuil echter snel af, want ze vindt ons ‘gesprek’ blijkbaar belangrijker.
‘Maham, ben je al klaar?’
….ja, gelukkig wel.

Spugen

Bonkje springt op van de bank en rent naar de wc. Ik ga haar achterna, op de voet gevolgd door Bloem.
Ik haal Bonkjes haar uit haar gezicht en streel haar zachtjes over haar rug.
‘Bonkje moet spugen’ constateert Bloem.
‘Ja, Bonkje is een beetje ziek,’ zeg ik. ‘Ga maar even naar de kamer, Bloem.’
‘Nee, ik wil ook kijken!’
Met mijn been blokkeer ik haar een beetje, zodat ze niet verder kan lopen om belangstellend náást Bonkje te gaan staan kijken.
‘Mag ik ook aaien?’ vraagt ze dan.
‘Nee Bloem,’ probeer ik nog. ‘Wacht maar even, dan mag je Bonkje straks als het iets beter gaat één aaitje geven.’
Maar mijn been kan niet voorkomen dat er even later toch ook een klein handje op Bonkjes rug ligt. Eventjes. En heel voorzichtig, dat wel.
Later vraag ik me af of er een verband bestaat tussen de liefde voor medische (reality-)
programma’s en de plek in het gezin waar mensen zijn opgegroeid. En of er significant meer mensen naar dergelijke programma’s kijken die de jongste waren dan mensen die de oudste (of enig kind) waren. Het zou me niet verbazen. Want als Bloem ziek is en moet overgeven, vindt Bonkje dat weliswaar heel zielig voor haar, maar dan maakt ze dat ze zo snel mogelijk uit haar buurt is.