Potje

Ze deed al eens een plasje in het potje, maar dat was meer per ongeluk. Nu lijkt het kwartje te zijn gevallen. Manlief vertelde dat ze van de week zelf aan had gegeven dat ze op het potje wilde en toen inderdaad een grote plas op het potje had gedaan.

‘Op potje wil ik’ zegt ze, als ik haar luier los maak.
‘Wil je op het potje?’
‘Wil plasje doen op potje.’
‘Dat mag.’
Ik veeg haar billetjes schoon en zet haar op de grond. Op haar blote voetjes trippelt ze naar de badkamer.
‘Daar is ‘t ie!’ – ze pakt het potje op, zet het op de gewenste plaats; stapt er overheen en gaat dan zitten.
‘Daar komt plasje!’
‘Ik hoor het.’
Ze staat op en wijst blij naar haar plasje.
‘Kijk, plasje!’
‘Zo, dat is een mooie plas, knap van jou hoor!’
‘Mooie plas! Van Bloem!’
‘Ja hoor, het is jouw plas.’
‘Samen doortlekken?’
‘Ja – hoho, wacht eventjes, dan tillen we het potje samen op.’
Zo gezegd, zo gedaan. We gieten het plasje in de wc.
Bloem gaat op haar teentjes staan om ook mee te helpen met doortrekken.
Enthousiast zwaait ze haar plasje na.
‘Dag plasje! Tot ziens! Tot morgen!’

Slee

Mezelf overwonnen. Omgekleed. Jurk uit, broek aan over maillot, dikke sokken aan, bergschoenen aan, ander t-shirt, vestje, fleece-vest. Warm kruikje klaar gemaakt – veilig verpakt tegen het lekken. Bloem wakker gemaakt, verschoond, dik aangekleed – véél laagjes – èn jasje èn Jip-en-Janneke-regencape tegen nog steeds rondvliegende sneeuw. Rugzak gepakt met nog wat extra laagjes kleding, muts en sjaal voor Bonkje. Slee uit de schuur. Bloem naar buiten getild. Bloem blijkt sneeuw niet leuk te vinden. Bloem blijkt sneeuw helemáááááál niet leuk te vinden. Wil geen stap zetten. Weigert op de slee te gaan zitten. Tranen biggelen over haar wangen, snot vliegt in het rond. Slee weer in de schuur. Naar de auto. Bloem in autostoel. Prutsen met riem die veel te strak zit met al die laagjes. Sneeuw van de ruiten vegen. Sleutel laten vallen. Sleutel verdwenen in de sneeuw. Waar is dat stomme ding gebleven?! Eindelijk gevonden. Auto starten. Bloem zit nog steeds te sniffen. Stapvoets rijden. Nou ja, ríjden – ‘t is meer surfen en slippen. Eindelijk, eindelijk bij Bonkjes school; 10 minuten te laat. Schuldgevoel. Bonkje snel in laten stappen want fout geparkeerd. Terug naar huis. Laarzen en schoenen afkloppen. Iets warms drinken met iets lekkers erbij. Pfffft….

Maan kwijt

 

In de winter tel ik altijd af naar het moment waarop de dagen weer gaan lengen. Naar het moment waarop je niet langer ’s ochtends in het donker vertrekt en ’s avonds in het donker weer thuiskomt. Maar soms kan ik die donkere winterdagen plotseling wel waarderen. Bijvoorbeeld als mijn peuterdochter me door haar ogen mee laat kijken naar de wereld.

Donkuh buite
Ja het is nog donker buiten. Kijk, je kunt de maan nog zien. En een ster.
Maan! Maan!

Zon! Tieguig! Maan! Maan!
Ja, je kunt de maan ook nog steeds zien.
Dan gaan we de bocht om.
Maan zoeke! Maan kwijt!
Kan je de maan niet meer vinden?
Maan kwijt, jámmuh, mama!

Een kwestie van geloof

 

Tijdens het avondeten kan het gesprek over van alles gaan.
‘Geloven jullie in God?’
‘Nee, ik geloof niet in God.’
‘Oh, ik wel. En geloven jullie in die knal?’
‘De oerknal bedoel je? Ja, daar geloof ik wel in.’
‘Geloven jullie dat echt?!’ – Bonkje kijkt ons vol ongeloof aan en zegt dan stellig: ‘nou, daar geloof ik dus ècht niet in!’

Behalve God kan ook een zekere heiligverklaarde bisschop uit Myra nog steeds op een rotsvast geloof rekenen. Vorig jaar vroegen we ons al wel eens af hoe lang dat geloof nog stand zou houden, maar zodra Bonkje ergens vraagtekens bij plaatste, wist ze er meteen wel weer een plausibele verklaring voor te bedenken. En soms is de bewijslast van buitenaf ook wel heel sterk – bijvoorbeeld als je Sinterklaas met eigen ogen jouw naam in zijn nieuwe grote boek ziet schrijven.

En Bloem?
Bloem kijkt mee naar de man met de baard (‘Dat is Sinterklaas’, zegt Bonkje) en naar de pieten die allemaal mooie gekleurde mutsen hebben. Het duurt wel een beetje lang (Sssst! zegt Bonkje). Maar dan mag ze net als Bonkje haar schoen voor de tuindeur zetten. En, terwijl ze net als Bonkje van haar ene been op het andere probeert te wippen (zo hoort dat blijkbaar), zingt ze liedjes met haar. Het is helemaal niet erg als ze een liedje niet kent, want dan luistert ze gewoon goed naar haar grote zus en dan doet ze het na. Het is wel vervelend dat ze die appel niet uit haar schoen mag pakken (‘Nee, die is voor het paard’, zegt Bonkje – het paard? waar?), maar de volgende dag zit er plotseling een mandarijn in, die ze wél mag pakken. En mag opeten. Wat een feest! Oh, en kijk eens, Bonkje heeft de schoen omgekeerd en er komen ook nog een paar ronde minikoekjes uit, mjam! En onder de schoen ligt ook nog een pakje! Een pakje voor Bloem? Hoera, het is een boekje van Nijntje!

‘Nijntje tieguig! Kijk, mama! Mama, Keta kantie weest! In tieguig weest! Vlogen! Savia kantie weest!’

God? De oerknal? Sinterklaas?
Bloem maakt zich er niet druk over. Bloem beleeft en geniet.

*****
Meer Sinterklaasverhalen? Zie:
Teloorgang van de roe (november/december 2008)
Ruilhandel (Sinterklaas 2009)
Babypiet als postpakket (20 november 2010)
Hoofdbrekens voor Hoofdpiet (21 november 2010)

Huilen

 

Terwijl ik haar luier verschoon, ‘leest’ Bloem een boekje van Nijntje.
‘Huiwle! Nijtje huiwle!’ zegt Bloem, terwijl ze naar de voorkant van het boekje wijst. Daar staat inderdaad een tekeningetje op van een huilende Nijntje.
‘Loem huiwle!’
‘Nee, jij hoeft toch niet te huilen?’

Bloem opent het boekje middenin. De bladzijden zijn her en der ietwat verkreukeld, maar gelukkig zitten er nergens flapjes of schuifjes die je op kan tillen of heen en weer kan schuiven. Zelfs de meest robuuste versies van dik karton overleven Bloems geestdrift nooit lang.

‘Nijtje!’
‘Ja, daar is Nijntje. Wat doet Nijntje?’
‘Nijtje huiwle!’
“Ja, Nijntje huilt. Nijntje is verdrietig omdat ze haar beertje kwijt is. Ze zoekt haar beer overal, zie je dat? Kijk, ze zoekt achter de kast. Maar daar is beer niet.’
‘Niet’
‘Nee. Weet jij waar beer wel is?’
‘Bir!’
‘Ja, beer.’
‘Nijtje bir! Jaaaaa!’
‘Ja, dáár is beer weer. Beer lag onder de dekens.’
”llo bir!’
‘Hallo beer!’

Even later kijken we een paar foto’s. Op één ervan heb ik Bloem gefotografeerd op een moment dat ze haar zin niet kreeg.
‘Loem huiwle!’ roept ze lachend.
En als ze zichzelf even later op een andere foto ontdekt, met een traan onder haar oog, wordt ze nog enthousiaster.
‘Loem huiwle!’
‘Nee, daar hoefde je niet te huilen, je hebt wel vaker zomaar een traan op je wang.’
Bloem trekt zich weinig van mijn uitleg aan – als ze die al snapt. Als je een traan hebt huil je en dat is reuze interessant.

’s Avonds wil ze niet gaan slapen. Zelfs nadat we haar slaapzak opnieuw hebben aangetrokken, aap weer in haar bed hebben gelegd, het laken weer hebben rechtgetrokken, nog een tijdje tegen haar aan hebben gepraat en haar muziekknuffel aan hebben gedaan, begint ze weer te brullen zodra we haar kamer uitlopen.

Na een paar minuten stopt het brullen.
‘Huiwle! Huiwle!’ klinkt het plotseling.

Strand

 

Als ik haar neer wil zetten, klemt ze haar handjes stevig om mijn armen heen. Maar ik moet toch echt even naar de wc – dat is één voordeel van die lelijke strandhuisjes in de zomer: naast het pad naar zee is een wc-huisje waar wij tegen betaling ook gebruik van mogen maken. En dat hebben manlief en ik er graag voor over.
‘Moet jij ook naar de wc?’ vraag ik aan Bonkje.
‘Nee, ik hoef niet.’
‘Zou jij dan even op Bloem willen letten?’
‘Ja. Kijk Bloem! De bal’

Maar Bloem heeft nauwelijks oog voor de bal. Ze kijkt argwanend naar de vreemde, golvende ondergrond. Ik laat mijn tas vallen en probeer me los te wurmen uit Bloems greep. Ze schudt haar hoofdje heen en weer en haar knokkeltjes worden wit van het knijpen. Ik moet behoorlijk mijn best doen, maar uiteindelijk lukt het me om haar neer te zetten.
‘Mama moet even naar de wc, maar Bonkje is bij je.’
Bloem jammert, Bonkje troost en ik schiet snel de wc in. Als ik terugkom strekt Bloem haar armpjes naar me uit en als ik haar optil vleit ze haar warme hoofdje tegen mijn schouder. Bonkje is ook blij dat we nu ‘eindelijk’ door mogen lopen en zoekt samen met manlief een plekje uit waar we kunnen zitten. Vlak bij de duinrand hebben we nog een klein beetje beschutting tegen de wind en dat is met Bloem wel fijn.

Bonkje staat al in haar bikini. Haar kleren – half binnenste buiten – liggen op het zand.
‘Mag ik naar de zee?’
‘Ja, dat mag.’
Nog voor ik ben uitgesproken rent ze al weg. Manlief kleedt zich ook verder uit en gaat haar snel achterna, terwijl ik met Bloem, die zich nog steeds angstvallig vastklemt, op de handdoek ga zitten.

Vanaf mijn schoot kijkt Bloem toe hoe ik wat zand door mijn handen glijden.
‘Kijk, dat is zand.’
(…)
Over het ruisen van de wind heen hoor ik Bonkje lachen.
Ik graaf mijn voet in het zand en ‘tover’ hem weer tevoorschijn.
‘Zand. Wil je ook eens voelen?’
Ze schudt haar hoofd.

‘Mama, Mama!’ – Bonkje komt aangerend.
‘Ik ben in zee geweest!’
‘Zo, stoer hoor! Was het niet veel te koud?’
‘Ja, het was wel een beetje koud. Hallo Bloem, is het leuk op het strand? Dag!’
Weg is ze weer.
Ze roept iets naar manlief, maar ik kan niet verstaan wat.

‘Bonkje gaat naar de zee, zie je dat?’
Met haar ogen volgt ze haar grote zus. Dan kijkt ze weer naar het zand. En de zandkorrels op de handdoek.
Langzaam, heel langzaam, ontspant ze zich een beetje.
Ik mag haar nu ook tussen mijn benen zetten, maar zodra haar teentjes het zand raken, trekt ze ze snel weer terug op de handdoek.
Op het zand is duidelijk nog een brug te ver.

Manlief en Bonkje komen terug.
‘Wil jij een emmertje water halen?’ vraagt manlief aan Bonkje.
Dat wil ze wel.
‘Kijk uit, niet te dichtbij, giet het daar maar uit.’
‘Kijk Bloem!’ zegt Bonkje. ‘Nou kan je iets maken. Want dat zand is veel te zacht maar nu is het harder. Zal ik nog een emmertje water halen?’

Bonkje schept.
Bonkje rent.
Bonkje giet.
Bonkje draaft.
‘Hallo Bloem! Leuk hè?’
Bonkje graaft een gracht.
Maar je moet wel erg vaak water halen, zo ver op het strand.
De gracht wordt een kuiltje met wat vochtig zand.
Manlief en Bonkje gaan voetballen.

Ik pak een schepje en een paar vormpjes.
‘Kijk, een eendje!’
‘Die! diejz!’
‘Zullen we er nog één maken? Oh, die is niet zo goed gelukt. Nog een keer.’
‘Ejund!’
‘Ja, eendjes.’
Nu wil Bloem ook wel iets vasthouden.

Het gietertje.
De emmer.
Het vormpje.

Als we weer opbreken, wil ze zowaar zelf aan de hand over het strand lopen. Dat valt nog niet mee, zeker niet als we tegen de duinen op moeten klimmen. Ook liggen er steeds meer kleine doorntjes in het zand, dus het laatste stukje til ik haar maar weer op. Daar is ze het niet mee eens.
Ze schudt haar hoofdje heen en weer en probeert zich los te wurmen uit mijn greep. Boven gekomen kloppen we het zand van onze voeten af en kijken we nog even naar de zee. Jammer dat we alweer naar huis moeten – we zijn helemaal in vakantiestemming.

Gelukkig hebben we een goede reden om binnenkort nog keer terug te komen. In de zomer gaan we naar Griekenland. Nog een beetje ‘oefenen’ met Bloem lijkt ons geen overbodige luxe.

Mijlpalen

Tot ze één was zou ik kolven. Dat was mijn streven. En dat is gelukt.  Na haar eerste verjaardag ben ik ermee gestopt. En ik heb het nog geen moment gemist. Dat gesjouw met die tas. De onderbrekingen van mijn werk. De stress om een kolfplek te vinden als ik een keer elders moest zijn. Het ‘o néé’-gevoel als ik het koelelement vergeten was. Of de borstschilden. Het kille, mechanische geluid van het apparaat.

Tot ze één was wilde ik haar de borst geven. Of één jaar en een maand. Net als bij Bonkje.  Ze is nu één jaar en anderhalve maand. En ik probeer te stoppen. In de weekenden en op mijn vrije dag geef ik haar ’s middags al ‘gewone’ melk. En sinds een paar dagen leg ik haar ook rond etenstijd niet meer aan. Nu de avond-/nachtvoeding en ochtendvoeding nog…

Ze huilt. Manlief slaapt rustig door. Met het gevoel alsof ik een zombie ben wurm ik me uit bed, sleep ik me over de koude vloer naar Bloems kamertje, til haar op en neem haar mee. Voorzichtig leg ik haar neer en  kruip ik naast haar. Ze hoeft nauwelijks te zoeken naar mijn borst en licht hebben allang niet meer nodig. Er zijn tijden dat het pijnlijk is en dat ik klaarwakker lig, opgelucht als ze klaar is. Er zijn momenten waarop haar handjes blijven duwen en knijpen in mijn  borst, mijn wang, mijn neus, mijn ogen. Maar meestal is het heel gemoedelijk en dut ik even weg – totdat we van kant moeten wisselen.

Ik hou haar handje vast. Streel haar over haar donzen haartjes. Dut weer in. Als ze genoeg heeft gedronken breng ik haar weer naar haar bedje. Meestal slaapt ze dan snel weer door. Meestal.

Het is tijd om af te bouwen. Waarom? Verstandelijk vind ik het wel mooi zo. Ik wil eindelijk wel weer eens zonder beha aan kunnen slapen. Wil wel weer eens rustig een wijntje of biertje kunnen drinken. En hoewel ik borstvoeding geven heel mooi vind, zie ik het niet zitten om straks te eindigen met een rondlopende peuter – laat staan een kleuter – die te pas en te onpas even onder mama’s trui duikt voor een slokje. Ook is het  makkelijker haar uit een normale beker te leren drinken als we daar vaker mee kunnen oefenen; slaapt ze hopelijk beter door als ik geen borstvoeding meer geef en hoef ik me nooit meer zorgen te maken of het wel genoeg is. Want hoe lang ik ook al borstvoeding geef – die vraag begint de laatste tijd, nu ik overdag niet meer kolf of voed, toch weer te knagen.

Maar wat vind ik het moeilijk.
Zowel bij Bonkje als bij Bloem wilde ik heel graag borstvoeding geven. Beide keren kostte het de nodige wanhoop en frustratie  – maar ìs het gelukt. De keerzijde is wel dat ik het extra lastig vind om datgene waar ik zo hard voor hebt geknokt, weer los te laten. Om nog maar te zwijgen van een heel bijzonder stukje intimiteit waar ik afscheid van moet nemen. En exclusiviteit.

Stiekem denk ik dat ik het ook moeilijk vind om afscheid te nemen van de periode waarin ik als mama alleen nog maar fantastisch ben. Waarin alles wat ik doe of zeg geweldig is – en nog niet stom of oneerlijk of gemeen. Waarin Bloem nog baby is. Een babytje dat overal mijn hulp bij nodig heeft – en accepteert. En om de een of andere reden koppel ik dat ook aan het borstvoeding geven. Want als ik daar mee stop, tja, dan kan ik er toch eigenlijk ècht niet langer om heen dat ze baby-af is. Dat ze een kleine dreumes is geworden. Een kleine dreumes die steeds meer van de wereld aan het ontdekken is en tot haar grote verbazing ook de grenzen die daarbij horen.
– Nee, Bloem – uh -uh!
– Nee, dat mag niet.
– Bloem! Nee! Afblijven!

Wat vind ik het moeilijk.
Ik heb helemaal geen zin om politie-agent te moeten gaan spelen. Ik wil walhalla. Ik wil alleen maar ’ja!’ roepen en geen nee. Ik wil alleen maar knus en koek en ei en ze leefden nog lang en gelukkig. En de ongezellige plotwendingen die vaak aan dat ‘lang en gelukkig’ vooraf gaan, die sla ik gewoon over.

Afzetten en grenzen verkennen.
Afbakenen en grenzen stellen.
Het hoort er bij.
Ik kan enorm genieten van elk sprongetje.
Maar ik word er ook weemoedig van.

Mijlpalen.
Ze horen erbij.

Ik slik. En ik probeer extra te genieten van de momenten waarop ik haar voed. Even nog, heel even.202

Verjaardagscadeau

Bonkje heeft het er al weken over.
– Eén worden is heel bijzonder. Veel bijzonderder dan zeven.
–  Ik vind zeven ook heel bijzonder.
– Ja, maar als je één wordt, ben je daarvoor niets – want dan ben je nul!

En telkens komt ze weer iets nieuws laten zien. Kijk! Dit heb ik voor Bloem gemaakt! Het zijn geen afgeraffelde werkjes, zoals ze ze ook wel kan maken als ze niet zo veel zin heeft, nee – het zijn leuke dingen. Een doos versierd met zelfgemaakt pakpapier om alles in te doen: heel veel tekeningen op kleine en grote blaadjes, een ‘kleurplaatenboek’ voor als Bloem groter is, en voor op haar verjaardag een stoelversiering en vier kleurrijke vlaggen aan een touwtje.  Mooi getekend, mooi ingekleurd, mooi geknutseld, mooi geschreven. Geen schots-en-scheve blokletters, maar echte ’schrijfletters’, waar ze duidelijk haar best op heeft gedaan.

Wat ze ook al weken van tevoren weet, is dat ze een cadeau voor Bloem wil kopen van haar eigen zakgeld. Een week voor Bloems verjaardag gaan we met zijn allen naar de speelgoedwinkel. Eindelijk! Trots neemt ze haar grotemensenportemonnee – gekregen op haar eigen verjaardag – mee. Het is al snel duidelijk dat Bonkje het ’dashboard’ met een stuurtje, richtingaanwijzer, versnellingsbak en contactsleutel het allermooist vindt. Geluiden, knipperende lichtjes en een mini-autootje voorop het dashboard dat meebeweegt als je stuurt – dát wil ze  aan haar zusje geven. Van haar eigen zakgeld – €0,50 per week.
– Dat kost wel heel veel, vind je dat niet jammer?
Nee, dat vindt ze niet jammer.
Ze heeft ongeveer dertig euro aan zak- en spaargeld bij elkaar.
Het dashboard kost twintig euro.
– Zullen papa en mama dan de helft betalen? Want het is wel heel erg duur.
Ja, dat mag.
– Maar tien euro is nog steeds veel geld. Weet je het echt zeker?
Ja, ze weet het zeker!

Zondag is het eindelijk zover. Zingend staan we om het bedje van de jarige heen, die ons eerst wat glazig aankijkt maar dan begint te lachen. Nadat we haar hebben verschoond mag ze mee naar het grote bed. Daar haalt Bonkje het ene na het andere elastiekje van de tekeningen om ze blij aan haar kleine zus te laten zien. Bloem heeft gelukkig een uur geleden al wat gedronken en is in een goede stemming. Manlief en ik hoeven niet al te veel te doen om Bloems aandacht op Bonkje gericht te houden.

Als alle knutselwerken zijn onthuld, geeft Bonkje haar het cadeau dat ze in de winkel heeft gekocht. Dat vindt Bloem wel interessant. Een groot pak waar je leuk op kunt slaan. Bonkje vindt dat Bloem er niet op moet slaan, maar het open moet maken.
– Help haar maar een beetje.
Dat doet Bonkje. En ja, nu heeft Bloem ook een stukje papier afgescheurd, maar daarna begint ze weer op de doos te trommelen. Als Bonkje aanstalten maakt om te veel en te snel af te scheuren moeten we haar even afremmen.
– Laat Bloem maar even, het is haar cadeau.
Oei, dat valt niet mee – het gaat Bonkje véél te traag! Gelukkig wordt haar geduld beloond en komt het cadeau uiteindelijk toch tevoorschijn.

– Kijk Bloem!
Bonkje laat zien hoe alles werkt.
– Nee, Bloem, zó! Ja, zo!
En ze doet het nog eens voor. En nog eens. Het is ook wel heel verleidelijk, met al die knopjes, lichtjes en geluidjes. Verleidelijk en… hard. Om de een of andere reden klonk het in de winkel nog veel minder hard.
– Zo, laat Bloem het nu maar even zelf proberen.
Bonkjes handen jeuken – ze zou er het liefst zelf mee willen blijven spelen.

Na alle cadeaus van Bonkje, zit Bloem wel een beetje aan haar tax en gaan we eerst maar even naar beneden om te ontbijten. Bloem kijkt verwonderd omhoog, naar de ballonnen en de slingers. Blij wijst Bonkje haar de slinger aan die zíj gemaakt heeft.

’s Middags, als oma en opa er zijn (mijn schoonouders zijn allebei ziek – waarschijnlijk eerder die week aangestoken door Bloem, die zelf net weer beter is. Bonkje is ook ziek geweest maar lijkt redelijk hersteld en manlief doorstaat de festiviteiten manhaftig ondanks de koorts), zingen we nog een keer voor Bloem en snijden we de verjaardagstaart aan. Bloem zit te trappelen van ongeduld in haar kinderstoel. En omdat Bonkje toen ze één jaar werd een stukje taart kreeg waar ze met haar handjes in mocht slaan, mag Bloem dat nu ook. Anders is het niet eerlijk, vindt Bonkje.

Dus hou ik Bloem een bordje voor met een eigen stukje taart erop. Ze aarzelt geen moment. Hoezo handjes? Die heb je toch helemaal niet nodig! Ze buigt zich voorover en neemt een flinke hap uit de taart. Intens tevreden zit te eten. Dat haar gezicht vol slagroom zit, maakt haar niets uit – mmm, dat is lekker! Ze zwaait met haar armen en duikt naar voren voor een nieuwe hap.

Bonkje stikt bijna van het lachen – de tranen lopen over haar wangen. Wij moeten ook wel erg lachen, maar na een paar happen veeg ik Bloems snoet toch maar schoon en voer ik haar de rest met een lepel. Bloem vindt alles best. En ook Bonkje is helemaal voldaan. Haar zusjes eerste verjaardag zal ze niet snel vergeten.

Zusjes

– Kiekeboe!
– ghrr
– KIEKEBOE!
– ghr krg
– KIEKEBOEOEOE!
– ughri krgigrigri

Bonkje staat bij de box en doet kiekeboe.
Niet zoals wij het doen, heel rustig, maar in de vijfde versnelling – met bijbehorend geluidsniveau.
Bloem kraait van plezier en wiebelt met haar armpjes en beentjes.
Hoera, succes!
Aangemoedigd door Bloems reactie doet Bonkje (stuiter de stuiter) er nóg een schepje bovenop.

– KIEKEBOE KIEKEBOE KIEKEBOEOEOE!!!
– krgighigrhigr aagragrrrr kgrr kughrr
Bloem verslikt zich bijna van het lachen.
Wat heeft Bonkje in retrospectief een saaie babytijd gehad – met alleen maar een papa en mama om op een hele verantwoorde en gezapige manier kiekeboe mee te kunnen spelen. Gelukkig had ze Zoeff nog om naar te kijken – en om stiekem rozijntjes aan te voeren toen ze iets groter was.

Bloem zit op schoot, Bonkje op een bureaustoel die kan draaien voor haar neus.
En draaien doet ze – de stoel valt nog net niet om.
– Leuk hè, Bloem? (draai) Dat vind jij leuk he? (draai) Leuk als je grote (draai) zus zo doet hè? (draai)
– krgighigrhigriii gri kgrrie
– Ja hè Bloem? (draai)
Bloems kleine lijfje schudt op en neer van de pret terwijl Bonkje steeds onstuimiger wordt.

Bonkje en Bloem zitten achterin de auto.
– APFOEOEH!
– ghr krgi
– APFOEOEH!
– ughri krgigrigri
– APFOEOEOEOEOEH!!!
– ughr ieieieie
– APFOEOEOEOEOEOEOEOEH!!!
– Bonkje! Niet zo hard! – krgighigrhigr aagragrrrr kgrr kughrr
– APFOEOEOEOEOEOEOEOEOEOEOEOEH!!!
– Bonkje! – krgighigrhigr aagragrrrr kgrr kughrriiii
Tja, als je zo’n succes hebt bij je kleine zusje, dan valt het ook niet mee om te luisteren naar dat gezeur van je ouders….en Bloem vindt het toch heel leuk? Dus waarom is het nou weer niet goed?!!! Tsssk!

Bloem zit in haar wipstoeltje.
– Ik vind haar zo schattig – ik zou haar het liefst helemaal willen platknuffelen, maar dat doe ik niet, want ze is nog veel te klein.
– Heel goed lieverd.
– Hallo Bloem! Hier is je grote zus! Je grote zus gaat jou een kusje geven!
Bonkje zet haar handen op de wipstoel die meteen flink naar beneden buigt, geeft Bloem een kusje en laat de wipstoel weer los, waarna Bloem bijna gelanceerd wordt – ware het niet dat ze goed vast zit.
– krgighigrhigr aagragrrrr kgrr ie
– Bonkje! Niet zo hard leunen! Kijk nou!
– Ik leun helemaal niet hard!
– Jawel, dat kan ik toch zien.
Boos loopt Bonkje de kamer uit.

Het valt niet mee om grote zus te zijn.
Maar ook niet om ouder te zijn. Het is soms zoeken naar de grens – wat kan je nog toelaten en wanneer moet je ingrijpen voordat er echt een keer ongelukken gebeuren?
Of voordat je echt doof wordt.

Gelukkig is de lucht snel weer geklaard.
Bloem begint te stralen als haar grote zus de kamer weer in komt.
– ie ie ie
Verwachtingsvol trappelt ze met haar beentjes…

Nieuw

Ieder jaar gaan we een lang weekend weg met een groep vrienden die ooit begon als groep van vijf studenten in een jaarclub, daarna uitbreidde naar studenten-met-aanhang en inmiddels bestaat uit vijf getrouwde stellen en elf kinderen in de leeftijd van 0 tot 10 jaar.

De weekenden zien er inmiddels iets anders uit dan in het begin maar het inpakken vóór het weekend begint is gebleven. Bij dat inpakken moet er goed worden opgelet. Vorig jaar bleek namelijk, toen we op de plaats van bestemming waren gearriveerd, dat we de tas met Bonkjes pyama, schone kleren, bedknuffel en laarzen thuis hadden laten staan. Waarna we – zodra de winkels de volgende dag open waren – maar een nieuwe garderobe voor haar hebben aangeschaft.

Tot haar grote geluk kreeg ze toen we terug kwamen bij het vakantiehuis bovendien nog een set met zeven Hello-Kitty-onderbroeken van onze vrienden, voor het geval wij geen kledingwinkel hadden kunnen vinden.

Hoewel Bonkje het leuk vond om nieuwe kleren te krijgen, is ze toch een beetje bezorgd of het dit jaar wel goed zal gaan. Als alle bagage beneden in de hal staat, hoor ik haar tegen manlief zeggen dat we niet moeten vergeten om Bloem mee te nemen, die nog in haar bedje ligt.

‘Nee hoor,’ zegt manlief, ‘we vergeten jou toch ook niet?’
‘Ja, maar Bloem is nog nieuw’ antwoordt Bonkje.
Ik moet er stilletjes om lachen.
‘We vergeten haar niet – we zijn jou, óók toen je zo klein was als Bloem nu is, nog nooit vergeten.’

Bonkje is gerustgesteld – een nieuw babyzusje kan je tenslotte niet kopen.