Cocon

Als ik haar voed is het net alsof we in een doorzichtige cocon zitten die licht als een zeepbel door de lucht zweeft. Zij en ik – de tijd staat even stil.

Haar handje voelt en zoekt – mijn borst, het bandje van mijn beha, mijn t-shirt – zoekt en voelt. Als ik haar handje vastpak omklemt ze mijn duim met haar vingertjes. Het is nog maar zo kort geleden dat ze in mijn buik rondbuitelde; dat we elke beweging samen deelden. En telkens als ze op mijn schoot ligt te drinken, dicht tegen me aan, voel ik weer die verbondenheid.

Het was even zoeken in het begin – zoeken naar het wezentje dat ik kende in mijn buik. Kijken. Ruiken. Voelen. Dag kleintje, ben jíj het die in mijn buik zat? Waren het jouw handjes die ik voelde duwen? Jouw voetjes die ik voelde trappelen? Was het jouw hartje dat we hoorden kloppen? In het begin was er wel het koesteren maar nog niet de herkenning. Haar handje zocht al wel, maar haar oogjes maakten nog geen contact. Nu wel. De navelstreng is doorgeknipt, maar we zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Haar handje voelt en zoekt, zoekt en voelt.
Ze maakt zachte geluidjes, drinkt snel – dorst! – verslikt zich een keer, maar laat niet los. Door haar neus haalt ze adem – brommend en knorrend, omdat ze verkouden is.
Ik streel haar zachtjes over haar piepkleine donzen haartjes.
Klok, klok, klok…

Ze laat los, rekt haar armpjes uit en kijkt me aan. Grote, ronde ogen. Er breekt een lach door – een lach die zich verspreidt over haar hele gezichtje. Automatisch beantwoord ik haar lach. Ze maakt een geluidje. Ik boots haar geluidje na en maak nog een paar andere klanken. Aa – oo- ie – oe – uu. Ingespannen kijkt ze naar mijn lippen. Dag lieverd, heb je lekker gedronken? Onze zeepbel schittert.

We gaan even verschonen, zeg ik tegen haar. We, want we doen het samen: ik verwissel haar luier en zij kijkt blij om zich heen. Naar de afbeelding boven de commode, naar haar handje – hé, wat is dat? – naar de muurschildering van Muis. En naar Bonkje, die onze bel binnen is gefladderd en op het krukje voor de commode is geklommen. Ze schenkt ook Bonkje een stralende lach.

‘Dag kleine meis,’ zegt Bonkje en ze geeft Bloem een kusje, ‘krijg jij een schone luier? En mag jij lekker vitamientjes D? Die vind je lekker hè? Nu gaat je grote zus weer weg. Dag mama, ik ga me aankleden!’

Dan is ze weer weg, mijn oudste dochter (!) Het is onvoorstelbaar dat ook zij zo klein begonnen is. Nu is er geen babyvet meer te bekennen. De kleine, mollige kinderhandjes en stevige kinderbeentjes hebben plaatsgemaakt voor slanke grotemeisjeshanden en grotemeisjesbenen. Het is bijna ongemerkt gegaan. Ik knipperde met mijn ogen en poef – plotseling waren ze daar…

Bloem begint een beetje te jammeren. Het gaat haar niet vlug genoeg. Snel trek ik haar haar sokjes weer aan. Even het voedingskussen omdraaien, dan kunnen we weer gaan zitten. Jengel, jengel – mama, schiet nou op! Jaja, rustig maar, je mag nog even aan de andere kant drinken. Zodra ze mijn tepel tegen haar gezichtje voelt, is ze stil. Ze keert haar wijd opengesperde mondje naar mijn borst toe. Ik kijk naar haar en voel haar ademhalen. Voel haar drinken. Eventjes nog, voordat ik als een speer naar mijn werk moet. Eventjes nog in onze cocon, zij en ik.

Placeboslapen

‘Welterusten…’ zeg ik tegen Bonkje als ik naar mijn werk vertrek. ‘… ach – veel plezier op school bedoel ik natuurlijk’. Bonkje giechelt en ze vindt het erg grappig dat ik me ’s avonds aan tafel wéér vergis.

Mijn onderbewuste probeert me geloof ik iets duidelijk te maken. En dat terwijl ik de afgelopen tijd zo’n mooi systeem heb ontwikkeld om mijzelf voor de gek te houden.

Het zit namelijk zo. Eigenlijk heb ik iedere nacht minimaal acht uur slaap nodig. Wanneer ik die acht uur niet haal, is de kans groot dat ik de volgende dag niet alleen ’s ochtends maar ook de rest van de dag bijzonder slecht gehumeurd ben. Met een baby in huis is acht uur slapen echter niet haalbaar.

Je kunt natuurlijk gaan jammeren dat je nog maar vier uur kunt slapen, of een volgende nacht dat je nog maar twéé uur kunt slapen voor de wekker weer gaat. Daar word je echter niet vrolijk van en beslist ook niet uitgeruster.

En daar komt mijn systeem om de hoek kijken. Het is gebaseerd op de aanname dat een positieve instelling een belangrijke bijdrage kan leveren aan je welbevinden. Ik denk tegenwoordig namelijk niet meer: ‘ik kan nog maar twéé uur slapen’, maar ‘Nu ga ik slapen van hier tot Groningen!’, of ‘Nu ga ik slapen van hier tot Zuid-Limburg’, of, als ik heel veel geluk heb ‘Nu ga ik slapen van hier tot Zuid-Limburg en weer terug*!’

Van hier naar Groningen rijden duurt voor mijn gevoel namelijk veel langer dan twee uur slapen. Dus waardeer ik mijn twee uur slapen op door er iets anders voor in de plaats te denken. Helemaal tot Groningen, dat is best lang!
En als ik maar tot Den Haag kan slapen, dan probeer ik dat snel te rekken door te visualiseren wat ik onderweg allemaal tegenkom (met een beetje geluk rijdt er een vliegtuig over het viaduct boven de snelweg – en o ja, daar tussen Leiden en het Prins Clausplein staan die twee windmolens met een stukje verderop een ouderwetse molen die plotseling heel klein lijkt). Op die manier kan zelfs slapen tot Den Haag van zijn negatieve ‘maar’-bijklank worden verlost.

En slapen van hier tot Oostenrijk of misschien zelfs wel tot Italië, zoals in de pré-dochters-tijd nog wel eens kon? Pfft! Moet je horen hoe belachelijk dat klinkt. Slapen tot Oostenrijk; zonde van je tijd!

Maar mijn  placebosysteem kan mijn onderbewuste blijkbaar niet voldoende overtuigen. Want mijn onderbewuste doet fervente pogingen om die acht uur slaap toch te bereiken. Dus zeg ik op de meest ongepaste momenten ‘welterusten’. En hoor ik mijn stem bij het voorlezen plotseling dalen en vertragen alsof het een elpee is die in plaats van op 33 toeren op 78 toeren wordt gedraaid. Op mijn werk is dat me – in de twee dagen dat mijn zwangerschapsverlof nu voorbij is – gelukkig nog niet overkomen. Mocht mijn onderbewuste me binnenkort ook dáár weten te vinden, dan zit er nog maar één ding op. Koffie.

* Sinds we een half jaar geleden een auto hebben gekocht denk ik meestal in reistijd per auto. De tijd dat ik weer kan slapen ‘van hier tot Zuid-Limburg en weer terug met openbaar vervoer’ zal nog wel even op zich laten wachten.

Dochters

(…)
Oh, wat gaat de tijd toch snel
gisteren nog zag ik haar
voor het eerst
lag ze hier in mijn armen
wat is ze mooi
en wat staat de tijd haar goed
ik knipper mijn ogen
en zie hoe ze steeds weer
een beetje veranderd is

maar hoe groot ze ook mag zijn
in mijn ogen blijft ze altijd klein
(…)

Uit: ‘Dochters’, muziek en tekst: John Ewbank; zang: Marco Borsato. Wat een gouden combinatie trouwens, John Ewbank & Marco Borsato. Het doet me denken aan Lennaert Nijgh en Boudewijn de Groot.

Ik was een maand of zeven in verwachting van Bloem en zat in de auto, op weg naar mijn werk, toen ik voor het eerst het nummer ‘Dochters’ hoorde. Het raakte me zó dat de tranen binnen een mum van tijd over mijn wangen rolden. Lang voor het nummer afgelopen was moest ik zelfs een andere radiozender kiezen, want door het waas voor mijn ogen werd ik echt een gevaar op de weg.

Waarom deed het nummer me zo veel? Ik denk dat het kwam doordat ik onbeschrijfelijk gelukkig was omdat we, net toen ik de hoop eigenlijk al had opgegeven, toch nog een tweede kindje zouden krijgen. Een kindje waarvan we op dat moment overigens nog niet wisten of het een jongen of meisje was. Bloem was toen nog Blubje (m/v). En ik moest denken aan alle mijlpalen die we al met Bonkje zijn gepasseerd. Mijlpalen die telkens nieuwe fases inluiden. Dat is vaak heel leuk, maar soms is het ook even slikken; dan kost het me echt moeite om afscheid nemen van de periode ervoor.

Zo herinner ik me nog als de dag van gisteren dat ik Bonkjes eerste babykleertjes moest opbergen. Met Bonkje in de kinderwagen liep ik op een pad met aan weerszijden hoge bomen. Het was fris, de lucht was helderblauw en Zoeff holde met een tennisbal van en naar de wagen. Ik had de kap van de wagen een stukje omlaag gedaan en Bonkje lag vol verwondering naar de kruinen van de bomen te kijken. Ik keek naar haar en dacht terug aan haar geboorte en aan de dagen en weken die daarop volgden. En hoewel Bonkje nog steeds veel huilde, ik nog steeds heel onzeker was of we alles wel goed deden èn ik nog steeds bekaf was van het twee, drie keer per nacht op moeten staan, had ik het toch te kwaad nu ze te groot werd voor maatje 50/56. Zo klein als ze was bij haar geboorte – zo klein zou ze nooit meer zijn… Ik veegde mijn tranen weg en keek met Bonkje mee omhoog, naar de toppen die zachtjes wiegden op de wind. En ook ik verwonderde me. Door haar blik had ik opeens weer oog voor dingen die ik van tevoren als vanzelfsprekend was gaan beschouwen.

De overgang van het kinderdagverblijf naar basisschool. Vooral toen de officiële brief van het ministerie op de mat viel kreeg ik het benauwd. Bonkje zou nooit meer zo fijn zorgeloos mogen spelen! Vanaf nu zou ze de rest van haar leven alleen maar moeten leren leren leren en heel hard moeten werken!

Bij het afscheid van haar groep op het kinderdagverblijf mocht Bonkje bootjes met doosjes rozijntjes erin uitdelen: ‘Vaarwel – ik ga na de vakantie naar school!’. Ik zie haar stralende gezichtje weer voor me. Bovenop de tafel mocht ze staan, terwijl de andere kindertjes, de leidster en ik voor haar zongen. Herstel: de leidster en ik, want die dag waren er voornamelijk kleintjes en die zeiden niet veel – laat staan dat ze zongen. Het maakte Bonkje allemaal niets uit. Ze had haar mooiste feestjurk aan en in had twee ministaartjes in haar haar. Eindelijk mocht zíj ook naar de grote school, net als haar twee grote crèchevriendinnen een paar maanden daarvoor – wat een feest! En maar stralen. En de leidster en ik maar op onze lippen bijten.

Nu is Bloem alweer drie maanden oud. Ik heb maatje 62 tevoorschijn gehaald. Na volgende week loopt mijn verlof ten einde en moet ik weer aan het werk. En Bloem naar het kinderdagverblijf.

Vandaag gaat ze er voor de derde keer alvast een paar uur naar toe, zodat ze kan wennen. Zodat ik kan wennen.

Ze huilt als ik haar achterlaat. Logisch, want ze heeft honger. Thuis laten we haar heus ook wel eens huilen – veel makkelijker dan Bonkje destijds. Zeker als we weten dat ze gedronken heeft, verschoond is en al ‘gespeeld’ heeft en geknuffeld is. Toch kan ik het nu niet droog houden. Ik wéét dat ze zo een flesje gekolfde melk krijgt en de leidster lijkt me heel zorgzaam, maar dat helpt niets. Het liefst zou ik Bloem uit de armen van de leidster rukken, dicht tegen me aan drukken en zo snel als ik kan met haar naar buiten rennen.

(…)
en soms
wanneer ik mijn ogen sluit
lopen we samen op het strand
haar handje in de mijne
en dan
zet ze de tijd even stil
is het weer even net als toen
en heeft ze mij weer nodig

ik hou haar vast
zoals ze was
ik hou haar vast
(…)

Het hoort bij het moeder-zijn denk ik. Het onvoorwaardelijk houden van. Het het liefst je kinderen altijd dichtbij je willen houden, ze altijd zo willen blijven verzorgen, liefkozen, beschermen; alles voor ze oplossen.
En ze dan toch loslaten, want eens zullen ze onbezwaard uit moeten kunnen vliegen. Maar gelukkig liggen er nog heel wat jaren voor ons voor het zover is.

Stapje voor stapje.
Ondertussen is Bonkje er goed van doordrongen dat we haar weliswaar niet altijd lief vinden, maar áltijd van haar houden. En ik ben ook maar alvast met Bloems lessen begonnen. Baadt het (nog) niet, dan schaadt het in ieder geval ook niet.
‘Tot straks lieverdje. Papa of mama komt je áltijd weer ophalen!’

*****
Marco Borsato ‘Dochters’ (officiële videoclip)
Marco Borsato ‘Dochters’ live in Gelredome (officiële videoclip)

Bloemstelen

Het is zondag, vroeg in de ochtend. Ik zit Bloem te voeden in haar kamertje. Bonkje is wakker geworden en is er bij komen zitten. Ze zit op een kleuterstoeltje dat Bloem van mijn schoonouders gekregen heeft. Ze heeft het zo dicht mogelijk naast mijn stoel geschoven.

“Dit stoeltje zit niet zo lekker. Het is ook een beetje te klein voor mij. Mijn zitzak zit veel lekkerder.”
Inwendig moet ik een beetje lachen. In de huiskamer staan drie stoeltjes van hetzelfde formaat waar Bonkje nog dagelijks zonder problemen op zit. Maar de – roze – zitzak die ze van Sinterklaas heeft gekregen voor in haar nieuwe kamer is inderdaad een stuk groter.
“Jullie mogen ook op mijn zitzak zitten.”
“Dat vind ik wel fijn.”
“En dat doe je ook hè, als je voorleest?”
“Ja.”

Ze kijkt naar Bloem, die nog steeds ligt te drinken en wil haar een kusje geven, maar bedenkt zich dan, want ze weet dat ik dat niet goed vind tijdens het voeden.
Dan geeft ze mij een zoen.
“Jij houdt altijd van mij, ook als je boos bent.”
“Ja, ik hou altijd van jou. Ik vind je niet altijd lief, maar ik hou altijd van jou.”
“Jij bent de allerliefste mama van de hele wereld en Bloem is de allerliefste baby en papa de allerliefste papa. En ik ben zelf ook de allerliefste. Vind jij ons ook de allerliefste?”
“Jullie zijn mijn schatten.”

Bonkje knikt tevreden. Ze loopt de kamer uit om even later al sluipend terug te komen. Ze schijnt nog steeds te denken dat ze dat heel onopvallend kan.
Ik ben behoorlijk moe en heb geen puf om het spelletje mee te spelen, dus komt ze al snel weer naast me zitten.

“Als Bloem groot is, krijgt ze dan ook een nieuwe kamer?”
“We hebben geen nieuwe kamer meer.”
“Maar ze krijgt wel een nieuw bed? En dat komt hier?”
“Ja, als ze groter wordt dan krijgt ze een ledikantje. In deze kamer.”
“Ja, dat weet ik. Dan krijgt ze een bed met stelen hè?”
“Met spijlen.”
“Ik hoef geen bed met stelen meer, want ik ben al een groot kind. Ik ben zes jaar ouder dan Bloem.”
“Ja, jij bent al groot.”
“En als Bloem één jaar wordt, dan…” – Bonkje moet even rekenen – “… ben ik al zeven! En hoe oud ben ik als Bloem zeven is?”
“Dan ben jij zeven plus zes jaar. Want jij blijft altijd zes jaar ouder.”
Weer is het even stil.
Bonkje telt op haar vingers en roept dan verrukt: “dan ben ik al dértien! Dan ben ik echt héél groot!”

Bloem laat de borst los.
Bonkje hangt meteen boven haar om haar te overladen met kusjes en streeltjes. De streeltjes zijn een beetje onstuimig.
Bloem begint te huilen.
“Stil maar, Bloem, stil maar, ik ben het, je grote zus! Dat vind je leuk hè, als je mijn stem hoort?”
En warempel, het lijkt te werken. In ieder geval voor even.

Pril geluk

maandag 9 november 2009

Een samenvatting

Dag 1: 07.00 – 08.00 – 11.00 – 14.00 – 17.00 – 20.00 – 23.00.
Dag 2: 03.30 – 06.00 – 09.00 – 12.00 – 15.00 – 17.30 – 21.00 -23.00 – 24.00.
Dag 3: 02.00 – 06.00 – 09.00 – 12.00 – 16.00 – 18.30 – 21.00 – 24.00.
Dag 4: 03.00 – 06.00 – 07.00 – 10.00 – 13.00 – 16.00 – 20.00 – 23.30.
Dag 5: 03.00 – 06.00 – 09.30 – 13.30 – 16.30 – 18.30 – 21.00 – 22.00.
Dag 6: 01.00 – 04.00 – 08.30 – 12.00 – 15.00 – 17.30 – 19.30 – 22.30.
Dag 7: 02.00 – 05.00 – 08.30 – 11.30 – 15.30 – 18.30 – 20.30 – 23.00.
Dag 8: 02.00 – 06.30 – 09.30 – 12.00 – 15.30 – 18.30 – 21.00 – 22.30.
Dag 9: 02.00 – 05.00 – 08.30 – 12.00 – 13.00 – 16.00 – 20.00 – 21.00 – 22.00.
Dag 10: 01.30 – 05.30 – 09.00 – 12.00 – 15.00 – 18.30 – 20.00 – 21.00 – 24.00.
Dag 11: 04.10 – 08.15 – 11.15 – 13.15 – 14.15 – 17.00 – 20.45 – 22.45.
Dag 12: 01:00 – 05.45 – 09.15 – 12.15 – 16.15 – 19.05 – 23.25.
Dag 13: 03.50 – 08.15 – 11.30 – 15.15 – 18.45 – 23.15.
Dag 14: 03.30 – 07.30 – 09.45 – 12.45 – 15.30 – 17.35 – 20.25 – 22.22.
Dag 15: 01.30 – 03.00 – 04.30 – 08.45 – 13.00 – 16.40 – 20.10 – 23.45.
Dag 16: 03.45 – 06.45 – 08.30 – 11.15 – 13.00 – 16.00 – 19.45 – 23.25.
Dag 17: 02.15 – 05.40 – 09.20 – 11.45 – 15.30 – 17.30 – 20.00 –

Wallen onder onze ogen. Maar wat een rijkdom, wat een geluk.
Bonkje heeft een zusje!

Een beetje dom

Prinses Máxima’s uitspraak ‘hij was een beetje dom’ heeft haar lang achtervolgd, maar waar haar uitspraak eerst positieve reacties opleverde, is deze later steeds vaker aangehaald in negatieve zin.

Hoe het ook zij: ik was een beetje dom. Dom toen ik – na een blogstilte (zou dat woord al zijn opgenomen het Groene of Witte Boekje?) van ongeveer een half jaar dacht: kom, laat ik mijn blog weer eens wat leven inblazen en…
oh – wat zijn er veel updates beschikbaar – hoe werkte dat ook alweer – mmm, ik weet niet meer precies welke bestanden ik overschreef en welke ik liet staan – maar laat ik vooral geen backup maken en het snel even doen want ik ben moe – oh, dat ging niet goed – alleen nog maar foutmeldingen op mijn scherm – zelfs de ‘admin’-kant werkt niet meer – van wanneer stamt mijn laatste volledige backup eigenlijk – eind januari – hoe dom kun je zijn – erg dom dus – en het mooiste van alles is dat ik nu mijn blog om zeep heb geholpen en er niet eens meer over kan bloggen…

Na deze domme actie kon het twee kanten op gaan: òf ik ging me er nu twee weken lang ’s avonds weer in verdiepen hoe ik de boel weer aan de praat kon krijgen, òf dit werd het einde van mijn blog.

Gelukkig bleek ik het de volgende avond op te kunnen lossen, hetgeen me alleszins meeviel. De nieuwe updates heb ik overigens nog wel even gelaten voor wat ze waren.

Waarom het zo lang stil is geweest? De combinatie van een nieuwe baan en nieuw leven in mijn buik slokten mijn energie zeker in het begin aardig op. Af en toe had ik wel een idee, maar hoe meer ideeën ik liet liggen, hoe minder groot de noodzaak werd om een volgend hersenspinsel dan wel uit te werken.

Maar nu ik plotseling de behoefte voel om een stukje als dit te plaatsen, biedt dat natuurlijk een hoop perspectief. Veel dommer dan dit kan het niet worden. Al zou ik het natuurlijk op zwangerschapsdementie kunnen gooien – en dan weet je nooit wat je kunt verwachten…

Optelsommetje

Ik ben een avondmens. Omdat ik een avondmens ben, vind ik op tijd naar bed gaan erg moeilijk – zelfs als ik moe ben. ‘s Avonds heb ik eindelijk even tijd voor mezelf en als ik vroeg ga slapen is het alweer zo snel morgen en morgen staat gelijk aan weer van alles moeten. Maar ja, ik ben eigenlijk ook iemand die toch echt minimaal acht uur slaap nodig heeft per nacht om een beetje uitgerust te raken.

Op een standaarddag levert dit het volgende sommetje op:
te laat naar bed + te vroeg weer wakker = opstaan met een slecht humeur.

Maar er zijn nog meer factoren die een rol spelen. Zo lig je – om maar een voorbeeld te noemen – heerlijk te slapen en word je op wrede wijze en veel te vroeg uit je slaap gehaald door het geblèr uit de wekkerradio van manlief. Nu is dat op zich niets bijzonders, maar als je niet hoeft te werken en geen afspraken hebt toch liever niet.

Aangezien manlief dwars door het kabaal heen slaapt (snurk) zijn er een paar porren voor nodig om hem net zover bij bewustzijn te brengen dat hij de wekker uitzet. Met een diepe zucht – nog even bezorgd luisterend of ik geen geluid uit de kamer van ons dochtertje hoor komen – laat ik mij terugzakken op mijn kussen.
…om 10 minuten later opnieuw wakker te schrikken
…en 10 minuten later nóg een keer
NIET DE REPETEERKNOP! DE UITKNOP!

En ja, daar is het gevreesde getrippel van een paar kleine voetjes. Ik hou me nog even slapende, want heel misschien is mijn lieve echtgenoot het doelwit (please, please!), maar nee. Het getrippel komt steeds dichterbij en dan ploft er een klein bonkje energie bovenop mij neer. “Mama, mag ik nog even bij jullie in het grote bed?” (stuiter de stuiter) – Nou, vooruit dan maar, maar eerst nog even samen naar de wc….

“Je mag er alleen bij als je heel stil ligt en niet gaat kletsen hoor! Kan je dat?” – Bonkje knikt heftig met haar hoofd. Ja, dat kan ze hééééél goed.

Glimoogjes.
Een klein handje op mijn arm…01011
Een kusje op mijn wang…
…Vertedering.

Een koud voetje tussen mijn benen…
Een handje op mijn ogen…
Het voetje zoekt een ander plekje…
Een por in mijn ribben
Een vinger in mijn neus…
…”Nu echt stil liggen want anders leg ik je weer in je eigen bed!”
Bonkje kijkt mij heel onschuldig aan en knikt heel overtuigend.

Ik draai me op mijn zij.
Rust.
3 seconden.

“Mama wil je mijn buik aaien?”
“Ssst, lekker nog even slapen”

Er kroelt een handje door mijn haar.
Ik hoor gesabbel op twee vingertjes.
Ik draai me weer om.
Het andere handje zoekt mijn gezicht.
Ik neem het handje in de mijne.
Ik hoor een diepe zucht.
“Mama mag ik mijn nachtpon uit ik heb het te warm”
“Ja dat mag”
Bonkje staat op en wiebelt heen en weer op het bed.
Ik ben de helft van het dekbed inmiddels kwijt.
Por hier, por daar, Bonkje verliest bijna haar evenwicht. Bonkje giechelt. Wat een grap!
Ik hou mijn armen beschermend voor mijn gezicht.
Bonkje komt weer liggen, nestelt zich helemaal tegen me aan.

En daar zijn de handjes en voetjes weer.
En – au!
“Oké, ik ga in je eigen bed leggen, want je kunt niet stil liggen. Zo kan ik niet slapen!”

Dan blijkt dat Bonkje geen stuiterbal is, nee, Bonkje is een toverbal. Van het ene moment op het andere verandert ze in een tegenstribbelend klein monstertje. Monstertje ligt blèrend onder haar dekentjes.

“En nu hou je op met die aanstellerij anders doe ik je deur helemaal dicht!”

Terug in bed
Door de dunne muur heen hoor ik gesnif en gesnotter.
Rust.
Relatief.
Kan niet slapen.
“Mama! Ik heb heel erge honger! Ik wil een boterham! Mama! Gaan we opstaan? Mama! Ik wil een boterham!”

Mama en Bonkje gaan naar beneden.
Bonkje geeft mama een knuffel. “Lieve mammie!”
Mama zucht eens diep en strijkt Bonkje door haar minihaartjes.

*****
8 augustus 2013: ‘Bonkje’ is inmiddels zo groot geworden dat ik haar blognaam niet meer zo goed vond passen. Ik had al suggesties gekregen voor ‘Vlinder’ en ‘Belle’ maar die namen pasten weliswaar beter bij de blognaam van haar zusje, ‘Bloem’, maar klopten toch niet helemaal voor mijn gevoel. Ik heb haar nu omgedoopt tot ‘Lune’.