Televisie

Na ongeveer 15 tv-loze jaren hebben we er sinds 5 december weer één. Een tv. Oorspronkelijk waren we van plan er een te kopen als Lune vier werd en naar school ging, zodat ze geen buitenbeentje zou worden. Toen het zover was hadden we echter niet de indruk dat ze het miste. Ze mocht af en toe filmpjes kijken op de computer en dat was prima. Bovendien bleef het zo echt een feest als ze bij onze ouders wel tv kon kijken.

Tijdens het feestje voor Lunes tiende verjaardag merkt echter één van haar vriendinnen er iets over op en uit Lunes reactie merken we duidelijk dat ze dat vervelend vindt. Vooral het idee van sommige klasgenoten dat we dan zeker arm zijn lijkt haar dwars te zitten (haar klasgenoten kunnen zich duidelijk niet voorstellen waarom je anders geen tv hebt , iederéén heeft toch een tv?) Het is maar een kort moment, maar toch zit het ons niet lekker. Niet wat haar klasgenoten denken, maar wel hoe Lune zich daaronder voelt. Als we het er eind november nog eens over hebben, is de beslissing dan ook snel genomen.

En zo komt het dat pakjesavond eindigt met een speurtocht door het huis. Kleine gedichtjes leiden Lune en Bloem naar een doos nieuwe borden onder ons bed, een stapel nieuwe handdoeken in bad en een nieuwe telefoon (want de oude deed het niet meer) in de meterkast. In de meterkast hangt nog een laatste gedichtje. Terwijl Lune het voorleest zien we haar ogen groter worden.

‘Een tv?! Nee, dat is vast ijdele hoop!’
‘Ga maar kijken op zolder, dan zie je het vanzelf.’

In het wasmachinehok ligt een heel groot cadeau. Lune kan het nog steeds niet te geloven en durft nauwelijks iets te zeggen, bang de betovering te verbreken. Bloem heeft daar geen last van.
‘Ja, daar zit een tv in’ stelt ze nuchter vast, alsof ze dagelijks ingepakte tv’s vindt.
Manlief tilt het pakket naar beneden, om het daar samen met Lune voorzichtig uit te pakken. Als het papier eraf is slaakt Lune een kreet die nog het meeste lijkt op de luide roep van een zeeleeuw.
‘Kijk, Bloem, een tv! We hebben een tv gekregen! We hebben een tv gekregen!’
Bloem (net naar school, vier jaar) komt even kijken.
‘O ja’.
Dan rent ze snel weer naar de bank om verder te spelen met het ridderpak dat ze van Sinterklaas gekregen heeft. Best aardig hoor, zo’n tv, maar een ridderpak is tenminste ècht leuk.

Het duurt nog een paar dagen voor we de tv aan kunnen sluiten, maar dat lijkt Lune niet te deren. We hébben er nu tenminste één en dat lijkt al voldoende om ongelovige reacties van haar klasgenoten verder te voorkomen.
‘Als ik zei dat we geen tv hadden dan zeiden de jongens: oh, ik zou echt dóódgaan als we geen tv hadden!’

Wat me in al die jaren zonder tv het meest is opgevallen, is de grote discrepantie in de reactie van kinderen en van volwassenen als je vertelt dat je geen tv hebt. De meeste kinderen reageren ongeveer net zo als Lunes klasgenoten, de meeste volwassenen schieten – nadat ze eerst hebben gevraagd waarom je dan geen tv hebt (we vonden dat we er te lang achter bleven hangen en dat begon ons steeds meer te irriteren – voor je het wist was er weer een avond voorbij) – meteen in een soort verdedigingsmodus: o, maar wij kijken bijna nooit hoor! Dat laatste heb ik altijd wel frappant gevonden, gezien de enorme hoeveelheid gesprekken die ze vervolgens wel over tv-programma’s en tv-BN’ers met elkaar voeren.

Wat me na een paar maanden mèt tv nog steeds het meeste opvalt en verbijstert is het absurde aantal zenders (ik heb niet eens zin om door te zappen tot ik ze allemaal gezien heb) en het daarmee totaal niet in verhouding staande matige en eenzijdige aanbod. Er zijn een paar formules die je vrijwel elke dag op verschillende zenders tegenkomt (talentenjachtprogramma’s (zingen, dansen, koken), ik-leer-iets-heel-moeilijks-waarbij-ik-flink-op-mijn-bek-kan-gaan-en-leer-dat-hopelijk-sneller-dan-mijn-concurrenten-programma’s (kunstschaatsen, stijldansen, schoonspringen) weetjes-spelprogramma’s, realityseries, praatprogramma’s met ‘experts’, BN’ers-die-hun-BN-status-moeten-opkrikken-en-daarom-aan-alles-meedoen-programma’s)- waarvan de grootste gemene deler volgens mij is: ik wil met mijn kop op tv en het maakt niet uit hoe.

Natuurlijk zijn er ook wel positieve uitzonderingen, maar om nu te zeggen dat televisie kijken mijn leven verrijkt – nee, bepaald niet. Die ellenlange reclameblokken – ik snap eigenlijk niet dat mensen nog zo massaal tv blijven kijken – tegen de tijd dat zo’n reclameblok voorbij is ben je bijna vergeten waar je naar zat te kijken. En het journaal – het journaal mensen, sorry hoor, maar dat is toch echt niet meer van deze tijd? De vaste cameraopstelling heeft plaatsgemaakt voor meerdere gezellig bewegende camera’s, de nieuwslezeres mag niet meerblijven zitten maar moet ook in beweging komen zodat we ook haar kekke hakjes zien en ons na afloop niet alleen de weerman met zijn bewegende kaartjes en satelietbeelden herinneren. Om over de betuttelende manier waarop de onderwerpen gebracht worden nog maar te zwijgen. Nee, sorry, geef mij maar de krant.

En nee, natuurlijk ben ik niet Roomser dan de paus. Als ik niet uitkijk wil ik de volgende uitzending van masterchef-Holland-USA-UK-Australia ook weer zien want ik vind het toch wel fascinerend wat ze nu weer moeten maken en ik hoop toch dat die of die doorgaat want die is sympathiek en die mag wat mij betreft afvallen, want dat is echt een bitch. Maar uiteindelijk word ik er niet echt blij van. Niet zoals ik dat bijvoorbeeld kan worden van het lezen van een boek, of het maken of bewerken van foto’s of iets dergelijks. Af en toe, met mate, dan blijft het wel leuk. En tijdens het strijken (maar dan kijk ik gewoon op de computer, naar uitzending gemist). Anders voel ik me al snel een beetje vies en vadsig – alsof ik te veel fast food heb gegeten.

Maar goed, we deden het ook niet voor onszelf, we deden het voor Lune. En alleen al haar enorme blijdschap bij het uitpakken van de tv was goud waard.

Heksenjacht anno 2012

Drie jaar geleden stoorde ik me vooral nog aan alle Twitteraars die ‘elke scheet met de wereld willen delen’ – ik snapte niets van die vrijwillige ‘bigbrotherisering’ (zie ‘Twittermanie‘). Inmiddels heb ik zelf een klein half jaar een Twitteraccount en kijk ik er steeds vaker naar – zowel privé als voor mijn werk. Zo ontdekte ik ook kanten van Twitter die ik wel leuk vond. Het kan bijvoorbeeld een mooie aanvulling zijn op het moment dat er een landelijke demonstratie wordt gevoerd – of dat nu tegen de invoering van de eigen bijdrage in de ggz is, of tegen de 1040-urennorm en het inkorten van de zomervakantie in het voortgezet onderwijs.

En toen ik me tijdens een voetbalwedstrijd in september behoorlijk had geërgerd aan het in mijn ogen weinig ter zake doende commentaar, heb ik me prima vermaakt met het lezen van alle tweets van mensen die er net zo over bleken te denken. Eén tweet vond ik zo grappig, dat ik ‘m zelfs retweette (waarop een vriendin die mij ‘volgt’ verbaasd reageerde met: ‘Sinds wanneer heb jij verstand van voetbal?’). Ook laatst heb ik nog hartelijk gelachen om reacties van anderen over een presentatrice naar wie ik bijna niet kon kijken door plaatsvervangende schaamte.

Hartstikke leuk allemaal, tot prins Friso op 17 februari onder een lawine bedolven werd tijdens het skiën, waar in de media veel aandacht voor was. Binnen een mum van tijd was het ook een trending topic op Twitter. Sommige mensen wilden hun medeleven betonen met de koninklijke familie, maar het merendeel van de tweets die ik voorbij zag komen vond ik misselijkmakend. Wat eerst alleen een tragisch ongeval was voor een moeder, een echtgenote, twee kinderen en andere naasten, werd op Twitter één grote orgie van grove, smakeloze grappen en kleinzielig geschreeuw.

Wat doet het er toe of je weet wie Friso is, of wat je van de monarchie vindt? Is het echt zo moeilijk om je heel even te verplaatsen in een ander mens en te bedenken hoe jíj het zou vinden als anderen zo hun gal over jou of jouw dierbaren zouden uitspugen?

Ik heb vaker gehoord en gelezen dat Nederlanders in het buitenland vaak opvallen vanwege hun luidruchtige gedrag en hun ‘rechtstreeksheid’. Veel Nederlanders schijnen wel trots te zijn op die laatste typering en interpreteren het als ‘eerlijkheid’. Ik ben bang dat hier in het buitenland echter op een beleefde manier onze onbeschoftheid mee wordt bedoeld.

En plotseling bekeek ik ook mijn eigen (leed?)vermaak op Twitter met andere ogen…. mijn eigen retweet over de voetbalcommentator was eigenlijk geen haar beter. En ook de stortvloed van kritiek op de presentatrice vond ik opeens een stuk minder grappig.

Maar wat me de laatste weken nog meer opviel, was dat het niet alleen blijft bij mij, een ‘gewone burger’. Nee, zelfs de professionele media schreeuwen op Twitter om het hardst. Want het nieuws ligt op straat en makers van actualiteitenprogramma’s, nieuwssites en kranten zijn blijkbaar doodsbenauwd achter te blijven. Waarom zou je eerst bronnen en feiten checken, waarom zou je je inspannen om zo objectief mogelijk te blijven in je berichtgeving als je nu een prachtige oneliner kunt twitteren die je gegarandeerd een hoop retweets en, wie weet, wel een hoop extra kijkers en/of abonnees oplevert? Waarom zoeken naar nuances? Daar zit toch niemand op te wachten!

'Social media explained'
‘Social media explained’

Misschien ben ik een beetje naïef, dat ik het nu pas zie. Maar ik ben geschrokken. Geschrokken van het fanatisme waarmee op Twitter de één na de ander wordt afgemaakt. Het is alsof ik zit te kijken naar de ene na de andere heksenjacht; de ene na de andere steniging. Als de eerste stenen zijn gegooid, is er geen houden meer aan. Af en toe staat er nog iemand op die probeert het tij te keren, maar tevergeefs. In het meest gunstige geval overleef je het, omdat zich snel een nieuw, interessanter slachtoffer aandient.

Ik buig mijn hoofd en ik schaam me. Mijn retweet heb ik verwijderd.

Mokerslagen

Links en rechts vallen de mokerslagen.
Afgelopen jaar verloren vrienden hun kindje. Ze was helemaal voldragen en kon elk moment geboren worden, toen in 39e week bij de controle bij de verloskundige bleek dat haar hartje niet meer klopte. Na haar geboorte hebben ze haar ontzettend liefdevol in hun midden gekoesterd en na de crematie namen ze haar as weer mee. Geen moment alleen, in de steek gelaten; maar de tijd tikte voor hun jongste dochtertje niet meer verder.

Daar zit je dan, met pijnlijke borsten die je niet leeg mag kolven; je schoot leeg na negen maanden samenzijn – en in plaats van luiers met meconium en beschuit met muisjes moet je je bezighouden met het uitzoeken van een kistje. Daar sta je dan, klaar om na negen maanden je dochter in je armen te houden, haar oogjes open te zien gaan – maar in plaats van gebroken nachten vanwege het gehuil kan je niet slapen door de leegte.
Daar is ze dan, het kleine babyzusje, waar je alledrie zo naar hebt uitgekeken. Maar ‘ze doet het niet. Ze is kapot!’

Afgelopen jaar verloor een studievriendin haar broer. Hij had al eerder geknokt tegen manische depressiviteit, geknokt om overeind te blijven en daarna was het juist ook een tijd heel goed met hem gegaan. Maar dit keer verloor hij het gevecht. Een paar dagen voor zijn dood zei hij tegen mijn vriendin dat hij het gevoel het dat het hem ontglipte. Hij was 39.

Vandaag was ik er getuige van hoe een kleuter van 4 en een peuter van 2 hun vader moesten begraven – en hun moeder, een oud-collega met wie ik bevriend ben geraakt, haar man. ‘Waar is papa?’ Papa lag in een kist; een kist die ze zelf hadden versierd met hartjes en tekeningen. Drie jaar geleden werd hij onderzocht omdat hij klachten had, maar werd er niets gevonden. Anderhalf jaar geleden kreeg hij zulke ernstige klachten, dat hij opnieuw werd onderzocht – en dit keer bleek dat hij darmkanker had en dat er ook uitzaaiingen waren. En na een lang en slopend traject, is hij vorige week overleden. Ook hij was 39.

Ik zie de pijn en het verdriet. Voel de machteloosheid. Ik zie de ongelijkheid. De ene mens krijgt toch heel wat meer te verduren dan de ander. Waarom? Ik weet het niet. Misschien is er wel geen waarom. Op de rouwkaart en het programma van vandaag stond een citaat uit Terry Pratchett’ Discworld Novels:

There’s no Justice. There’s just Me.
– Death

Maar hoe, hoe verwerk je zoiets? Hoe ga je om met het enorme gat? Hoe ga je om met de pijn dat je kinderen verder moeten zonder vader? Hoe blijf je overeind?

Ik slik en ik sla mijn armen nog maar eens heel stevig om mijn man en dochters heen. Zoveel leed doet je weer even haarscherp beseffen dat geluk niet zo vanzelfsprekend is als je soms denkt. Wat ben ik ongelofelijk dankbaar dat wij wel gezond en samen zijn. Wat een onbeschrijfelijke en niet in geld uit te drukken rijkdom…

Held

 

Hoe komt het toch, dat wanneer iemand wordt uitgeroepen tot held, er meteen mensen zijn die dat heldendom met de bodem gelijk willen maken doordat de held ‘toch eigenlijk geen heldendaad heeft verricht’ en – zo proef je soms tussen de regels door – dat zij in zijn of haar plaats ‘precies hetzelfde zouden hebben gedaan’?

Het viel me al eerder op, in december 2009, toen Jasper Schuringa tijdens een vlucht van Amsterdam naar Detroit een man had overmeesterd die iets in brand had gestoken en een explosie probeerde te veroorzaken in het vliegtuig. Schuringa verbrandde bij deze daad zijn handen. Hij werd meteen tot held uitgeroepen, maar dat leverde direct ook kritiek op van mensen die vonden dat het helemaal niet om het verijdelen van een gevaarlijke aanslag ging en dat er ‘wel vaker brandjes worden geblust’. En hij had ook niet meer hebben gepresteerd dan een ander in zijn schoenen zou hebben gedaan. Toen vervolgens ook nog in het nieuws kwam dat de held alleen nog maar tegen betaling interviews wilde geven, was het hek helemaal van de dam.

Toen ik de reacties las – vaak fel op het agressieve af – vroeg ik me echt af waarom veel mensen het een ander blijkbaar niet gunnen als hij tot held wordt uitgeroepen. En waar al die mensen toch blijven op het moment dat er een held nodig is. Ik ben bang dat ik in ieder geval níet heldhaftig genoeg zou zijn geweest om te doen wat Jasper Schuringa deed. Hij zag zichzelf overigens niet als held, maar dat doet in mijn ogen niets af aan zijn heldendaad, die denk ik maar weinigen hem na hadden gedaan.

Vandaag ging het op mijn werk tijdens de lunch over Johnny Hoogerland.
‘Een held?’ zei een collega ’Hij is gewoon gevallen!’
‘Aangereden, hard gevallen, bloedend en wel de etappe uitgereden en met drieëndertig hechtingen gisteren gewoon weer op de fiets gestapt.’
‘Ja, oké, hij is weer opgestapt; maar dan ben je toch nog geen held?’
In de krant las ik ongeveer eenzelfde reactie.
Ik had niet de indruk dat mijn collega of de persoon in de krant Hoogerland zijn ‘heldendom’ misgunde. Toch vond ik het jammer.

Hoogerland is iemand die echt iets kan. Iets dat niet iedereen kan – en iets waar velen volgens mij in ieder geval al die uren, jaren trainen niet voor over zouden hebben. Ja, de andere renners in de Tour, maar hoeveel zijn dat er nu helemaal? En dan doorzetten nadat je zo hard ten val bent gekomen – dat kunnen er nog minder. Nee, natuurlijk was zijn val niet zelfverkozen (zoals de actie van Schuringa dat wel was), maar hoe hij er daarna mee omging – en omgaat – getuigt van karakter. Vandaag werd hij na afloop van de etappe (de eerste na zijn val, gisteren was een rustdag) geïnterviewd door iemand van De NOS.

‘Ja Johnny, een diepe zucht; je bent er, je staat in de bollen, hoe was het?’
‘Zwaar en mooi tegelijk’
‘Wat voelde je onderweg – had je veel pijn, had je veel last, kon je draaien?’
‘Ja, ‘t ging; maar eh het ging niet vanzelf – maar ik denk – alle mensen die me aanmoedigden aan de weg;  alle renners die naar me toe kwamen, respect voor me hadden en die me gewoon in het begin omhoog duwden, dat gaf me toch wel behoorlijk wat adrenaline.’
Bron: nos.nl

Waarom is het zo erg dat er mensen zijn die hem nu als held zien? Dat is toch mooi! Gun hùn hun held – en hèm het predikaat.

Foto

De linkerhelft van de foto wordt in beslag genomen door de helft van een gezicht en de romp van een man. Hij is gekleed in een gele jas, op het eerste gezicht een soort regenjas; draagt een wit mondkapje, dat met een touwtje of elastiekje achter zijn oor is gehaakt, en een wit mutsje. Onder het mutsje is nog net een stukje bakkebaard zichtbaar, één wenkbrauw en één oog. De bril van de man steekt half over het mondkapje heen.

De andere helft van zijn gezicht gaat schuil achter zijn gehandschoende hand. In die hand houdt hij een in plastic gehuld zilverkleurig apparaatje vast dat nog het meest denken aan een ouderwetse koplamp van een fiets, ware het niet dat er een lang zwart snoer aan vast zit met een knoop erin.

De man houdt de koplamp een paar centimeter boven een donker, donsachtig laagje haar. Het zijn de haartjes van een klein Japans ukkie. Het kindje, in een roze fleecejasje, kijkt opzij. Donkere oogjes onder iets lichtere, hele fijne, wenkbrauwen. Een mooi klein, beetje plat neusje; bolle rode wangetjes en het mondje iets open. Eén opengespreid handje in de lucht.

‘In Nihonmatsu, in het noorden van Japan in de buurt van Fukushima, wordt een baby getest op straling.’ Foto Reuters – luidt het onderschrift in het NRC.

De afgelopen dagen heb ik het nieuws over Japan vol ongeloof gevolgd. Hoeveel rampen achter elkaar kan een mens dragen? Ik zag het ene na het andere beeld van enorme ravage en verwoesting. En ik vond het erg voor de mensen daar. En ik was blij dat we hier geen grote breuklijnen hebben. En dat onze dijken al een halve eeuw standhouden. Maar écht binnenkomen deed het niet. Tot vandaag. Tot deze foto.

Deze foto is raak.
Kippenvel.

Godzijdank liggen mijn dochters prinsheerlijk te slapen. Ver van alle onheil in Japan vandaan.

*****
Op de site van het NRC kon ik de betreffende foto niet vinden, wel vond ik een iets andere uitsnede van de foto (in de breedte in plaats van in de lengte) op de site van The Times. De versie in NRC Handelsblad vind ik nog schrijnender, waarschijnlijk door het contrast van de man in zijn ‘anti-stralingspak’ en het kwetsbare, nietsvermoedende kind – een baby nog maar. Op de website van het NRC stond wel een foto van het AP, Asahi Shimbun, met hetzelfde onderwerp.

Piepei

Toen ik klein was mocht ik rond Pasen altijd eieren verven met mijn moeder. Ik geloof dat we sommige eieren met de hand versierden, maar het grootste deel van de eieren verfden we met tabletjes die  je in de pan bij de eieren moest laten oplossen en die zo hun kleur verspreidden. Blauw, groen, geel, rood – misschien waren er nog meer kleuren, maar dat kan ik me niet herinneren. Ik weet wel dat ik het heel fascinerend vond en ik kan ook nog de schaal voor me zien waarin ze daarna op de met narcissen versierde tafel stonden.

Het laatste jaar waarin we eieren hebben geverfd, koos mijn moeder bij het ontbijt een ei uit dat mooi oranje-geel was van binnen. Ik had minder geluk met mijn (geel-groene) ei.  Ik pakte nog een ei, in de hoop net zo’n mooi ei te treffen als mijn moeder, maar het zat niet mee. Het zou verstandig zijn geweest om op dat punt te stoppen, maar in mijn hoofd klonk een narrig stemmetje, dat zei: ik eet net zo lang door tot ik een lekker ei tref!

Hoeveel eieren ik daarna nog heb gegeten, weet ik niet meer. Ik heb het idee dat het er heel veel waren, al kan ik me eigenlijk niet voorstellen dat mijn moeder dat goed zou hebben gevonden. Ik kan me ook niet meer herinneren of ik aan het einde van een rit nog een mooi ei heb bemachtigd, maar lekker zal ik zelfs een mooi ei op dat punt niet meer hebben gevonden.

Het gevolg van mijn dwangmatige eetzoektocht naar een oranje-geel ei is dat ik sindsdien vrijwel nooit meer een gekookt ei eet. Bizar eigenlijk, dat zoiets sufs nog jarenlang zo’n impact kan hebben.  Jammer ook dat het me met chocola en andersoortige ongezonde verleidingen nog nooit is gelukt om datzelfde resultaat te bereiken. En nee – voor ik mezelf op verkeerde ideeën breng – dat betekent níet dat ik nog nooit genoeg chocola achter elkaar heb gegeten.

Maar het ging over eieren. Goedgelukte eieren en hardgekookte eieren. En dat ik niet van hardgekookte eieren hou. Of althans: dacht te houden, want sinds kort weet ik dat wat ik onder een hardgekookt ei verstond, helemaal geen hardgekookt ei is, maar een te-hardgekookt ei. Een hardgekookt ei dat ik uit de pan haal als ons ‘Delfter piepei’ de eerste noten van het Wilhelmus nabootst, is namelijk niet geel-groen; maar machtig mooi oranje-geel. Of ik nu vaker een gekookt ei ga eten? Wie weet…

Nooit van een piepei gehoord? Zie dan dit filmpje van het kanaal Dutch Heritage op YouTube:

Wildwesttaferelen bij Albert Heijn

Zaterdagmiddag half vijf. Met Bloem in de wandelwagen en een huppelende Bonkje naast me loop ik Albert Heijn in.
‘Wat is hier aan de hand?’ vraag ik mezelf hardop af.
Bonkje is niet geïnteresseerd – ze heeft alleen oog voor de tv in het kinderhoekje, waar fragmenten uit Disneyfilms worden getoond.
‘Mag ik hier blijven?’ Ja, dat mag.

Ik loop door het klaphekje en kijk om me heen.
In gedachten zie ik het boodschappenlijstje in mijn hoofd.
Appels. Zijn er niet. Kiwi’s. Zijn er niet. Peren. Zijn er niet. Mandarijnen? Nee.
Tomaten. Zijn er niet. Paprika’s. Zijn er niet. De schappen zijn leeg. Het lijkt wel oorlog.
Daar, daar ligt nog wat.
Besluiteloos staar ik naar de voorgebakken poffertjes, een handjevol stoommaaltijden en een paar zielige pakjes rauwkost.
‘Wel bijzonder boodschappen doen zo’, zeg ik tegen een meneer naast me.
‘Ja’, zegt hij, ‘het is een beetje moeilijk kiezen’.
‘Hoezo, het kiezen wordt ons toch juist veel makkelijker gemaakt?’
Hij grinnikt.

Al improviserend loop ik verder. Zelfs de schappen met ingeblikte groenten zien eruit alsof iedereen massaal aan het hamsteren is geslagen, maar al met al kan ik nog een redelijk samenhangende maaltijd bij elkaar verzamelen. Bij de kassa wacht een nieuwe verrassing.
Ik leg mijn boodschappen op de lopende band en vraag me voor de tweede keer af wat er in vredesnaam aan de hand is.
De enorme massa mensen net voorbij de kassa lijkt nog het meest op een krioelende mierenhoop.
Even vang ik een glimp op van een stapel kratten.
Rechts van me hoor ik een medewerker van Albert Heijn met kaas en vleeswaren leuren. Drogeboerenworst, wie? Hier, neem mee. Alles moet weg.
Mannen, vrouwen, jongens, meisjes – iedereen verdringt elkaar om toch vooral de beste slag te slaan.
Zo gaat het al de hele middag, zegt de kassière. Ze delen alles uit dat bederfelijk is. Gratis. Omdat we gaan verbouwen. Ik heb er gewoon koppijn van.

Ik pak mijn niet-gratis-boodschappen in en weet nog net te verhinderen dat een mevrouw in duur uitziende kleren bovenop Bloem belandt. Bloem kijkt wat verschrikt, maar de mevrouw heeft er nauwelijks erg in – zo gespitst is ze op de plek waar de waanzin regeert.
Met moeite baan ik me met de wagen tussen de maaiende en graaiende ledematen door. Uit mijn ooghoek zie ik een krat met zuivel. Ik steek mijn arm opzij en weet zowaar een pak vla te bemachtigen. Ha, toch nog een toetje. Dan sta ik bij Bonkje in het veilige kinderhoekje. Ze zit bijna met haar neus in het tv-toestel om in alle tumult nog iets te kunnen verstaan.
‘Kom’, zeg ik, ‘we gaan. Hou mij en de wagen goed vast, want ik wil je niet kwijtraken’.

Terwijl we beetje bij beetje de uitgang naderen, vang ik nog net een flard van een gesprek op van twee jongens en meisje van begin twintig.
‘We doen dit al de hele middag’, zegt één van jongens. ‘We lopen de hele tijd op en neer. Ons vriesvak zit al helemaal vol. Hier, wil je ook een tas?’

Dan staan we buiten.
Opgelucht haal ik adem.

Het moet niet gekker worden

Toen ik op de lagere school zat was er geen WK-voetbal. Of misschien was het er wel, maar ik kan me niet herinneren dat daar op school aandacht aan werd besteed. Ik kan me alleen nog de eeuwige strijd tussen de Ajax- en Feyenoordfans op school herinneren. Die strijd bleef redelijk onschuldig overigens en bestond vooral uit het zingen van het liedje ‘Feyenoord, op de plee, doortrekken en weg ermee!’ Of: ‘Ajax, op de plee, doortrekken en weg ermee!’ – al naargelang het kamp waarin je thuishoorde.

Vorige week kregen we per e-mail een brief:

Het zal u waarschijnlijk niet ontgaan zijn dat zeer binnenkort het wereldkampioenschap voetbal in Zuid-Afrika start. Evenals veel ouders hebben ook wij gemerkt dat dit op school bij veel kinderen erg leeft. In samenwerking met een aantal zeer enthousiaste ouders van onze school willen we maandag 14 juni dan ook een Oranje-dag houden. 14 juni is de eerste speeldag voor Oranje op het WK. ‘Onze jongens’ spelen hun eerste wedstrijd ’s middags om half 2. Dat willen we niet onopgemerkt voorbij laten gaan. We willen deze wedstrijd met alle kinderen gaan bekijken.

Hè? Ik lees de laatste alinea nog een keer. Met alle kinderen naar de voetbalwedstrijd kijken onder schooltijd? Ja, het staat er echt. Ik vind het ook leuk om naar wedstrijden van het Nederlands elftal te kijken, maar vind dit toch wel wat ver gaan. Hoezo, voetbalgekte?

We vragen alle kinderen (en ouders die willen komen kijken), zich helemaal in het Oranje uit te dossen. Hoe gekker hoe mooier zullen we maar zeggen. Voor de mooist uitgedoste supporter is er een prijs te winnen. Deze wordt in de pauze van de wedstrijd uitgereikt, hopelijk door een oud international en voormalig bondscoach. Wie dat is verklappen we nog niet! Tevens willen we in de komende dagen alle kinderen het Wilhelmus aanleren zodat ze mee kunnen zingen en weten wat een volkslied is. Als veel kinderen denken dat ‘Hup Holland hup’ het volkslied is, lijkt ons dat geen overbodige luxe.

Nee, dat vind ik ook wel ernstig.  Het blijkt uiteindelijk alleen om het eerste couplet van het Wilhelmus te gaan, maar ach – ik vraag me af hoeveel Nederlanders het volkslied volledig uit hun hoofd kennen en aan de lipbewegingen te zien hebben sommige voetballers van het Nederlands elftal al moeite met het eerste couplet.

Aangezien er ook een andere kant van het WK is en wij onze leerlingen ook bewust willen maken van de wereld en de maatschappij waarin wij leven, willen we voor de wedstrijd met de groepen 3 t/m 8 ook stilstaan bij de minder ‘glamourous’ kant van het WK. Wij hebben hiervoor een gastspreker uitgenodigd. SOS Kinderdorpen hebben wij uitgenodigd om te praten met de kinderen over hoe het is om als kind in Zuid-Afrika te leven, te wonen en op te groeien. Tevens zullen zij in Zuid-Afrika een project gaan doen samen met de KNVB om Afrikaanse jongens opleiden tot voetbalcoaches. We zijn blij dat zij hebben toegezegd dit te komen doen. De kinderen zullen het zendingsgeld van komende week doneren aan SOS Kinderdorpen.

Dat is dan wel weer mooi, maar ik blijf er een beetje dubbel gevoel bij houden. Nou ja, het is zoals het is, dus op vrijdag ga ik met Bonkje op zoek naar oranje accessoires. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan, want hoewel Bonkje zich thuis graag verkleedt, wil ze in het openbaar vooral niet voor gek lopen.

Dit jaar ging ze voor het eerst verkleed mee om naar de carnavalsoptocht kijken, maar ja – dat was dan ook wel in een hele mooie prinsessenjurk. Het mag dus oranje zijn, maar wel móói oranje. We hebben geluk en vinden een oranje-wit zonnehemdje dat ze ook op andere momenten nog kan dragen. Heel wat beter dan een veel te groot en veel te duur oranje zweetshirt met nummer 10 erop. Een oranje fluitje heeft ze al, want daar heeft een jongetje afgelopen week op getrakteerd.

Tijdens het weekend verheugt ze zich enorm op de oranjedag en maandag is het dan eindelijk zo ver. Ik mag zowaar twee oranje ‘beessies‘ in haar haren vlechten en op haar armen – niet op haar gezicht, want dan ‘ziet iedereen het’ – wil ze graag twee ‘roodwitblauwehartjestattoos’. Het grote oranje beessie doet dienst als boa en het fluitje hangt om haar nek. Ik hoop voor de juffen en meesters dat ze oordopjes in hebben gedaan, maar voel me niet echt schuldig: het is tenslotte geen vuvuzela en de oranjedag was ook niet mijn idee.

 

Overdag luister ik met een aantal collega’s eerst via de radio en later via internet naar het verslag van de wedstrijd. Het is een vreemde wedstrijd met een bal ‘die niet daalt’ en waar spelers ‘in gaan’. En met een treffer in eigen doel van de Denen. De internetverbinding is een beetje traag, dus een paar tellen voor ik via internet hoor dat er een tweede doelpunt is gevallen, hoor ik al gejuich op straat en in een kamer even verderop. Dit keer is het Kuijt die heeft gescoord.

’s Avonds vraag ik aan Bonkje hoe het was.
‘Het was heel erg leuk. Maar aan het eind vond ik het wel een beetje saai worden.’
En hadden er meer kinderen een fluitje bij zich?
‘Ja, heel veel. En ook een heleboel toeters. Maar we mochten alleen fluiten als er een doelpunt was gevallen.’
Dan vraag ik wie het eerste doelpunt heeft gescoord.
Met een zucht antwoordt ze:
‘Nederland natuurlijk!’
Ze zegt er gelukkig nog net geen ‘dûh’ achteraan.
‘Was het een Nederlander die scoorde?’
‘Ja!’
Als manlief en ik iets zeggen over Denen die per ongeluk in eigen doel schieten, wordt ze een beetje boos.
Manlief en ik geven elkaar een knipoog. We zullen de buitenspelregel maar niet meer ter sprake brengen.

Routeplanners

Dat reisplanners je weleens met adviezen opzadelen die je beter naast je neer kunt leggen, wist ik al. Ze willen je bijvoorbeeld vijf keer over te stappen – van het ene korte boemeltreintje op het andere – terwijl er een veel betrouwbaardere route is waar je maar twee keer hoeft over te stappen. Of ze laten je een omweg maken van hier tot Tokio.

Google Maps – fijn programma overigens – maakt het wel heel bont. De route van Amsterdam naar Tokio “kan niet worden berekend”. Het kost Google Maps echter geen enkele moeite om de route van New York naar Tokio te berekenen.

Kajak de Grote Oceaan overNew York – Tokio

Dat wordt even oefenen voor de ongetrainden onder ons…
Google maps kayaking directions