Mindful eten

Wanneer het begon weet ik niet meer, maar plotseling dook overal het woord ‘mindfulness’ op. Aanvankelijk had ik daarbij een beeld van – niet nader gedefinieerde – zweverige toestanden. Het kwam op me over als een hype die je vooral niet te serieus moest nemen. Tot er een bijna tegelijkertijd twee verschillende mensen op mijn pad kwamen die hele positieve en niet-zweverige-ervaringen hadden met mindfulnesstrainingen. Ik kwam er ook achter dat er cursussen bestonden op het gebied van mindful eten. Gezien de nogal heftige eetproblemen waar ik mee heb gekampt, wekte dat mijn interesse.

Her en der heb ik er wat over gelezen en kwam ik erachter dat je ook een online training ‘Mindful eten’ kon volgen. Dat heb ik gedaan. Mindful eten komt neer op heel aandachtig eten en drinken. Hierdoor wordt je je bewuster van wat je eet, hoeveel je eet, van prikkels die maken dat je ergens trek in krijgt – en van waar je lichaam echt om vraagt.

Het klinkt simpel en enerzijds is het dat ook, anderzijds vind ik het knap lastig. Het valt niet mee om jarenlange gewoonten en gedachtes om te buigen. Het doet me soms een beetje denken aan toen ik nog viool speelde. Soms had ik geen zin om voor ik aan een nieuw stuk begon eerst de juiste toonladder te spelen. Dat resulteerde er nogal eens in – vooral als het een wat onbekender werk betrof – dat ik ergens kruisen of mollen speelde die er niet stonden – of vice versa. Ik weet nog hoe moeilijk het was om dat dan weer recht te zetten, simpelweg omdat ik in korte tijd gewend was geraakt aan een verkeerde melodie.

Op momenten dat het lukt, kan het verrassende dingen opleveren. Zo kwam ik er in december achter dat ik kruidnootjes – waarvan mijn eerste automatische gedachte is: ‘o, daar kan ik niet van afblijven; als ik daar een zak van open eet ik ‘m helemaal leeg’ eigenlijk visueel helemaal niet aantrekkelijk vind. De geur is echter een ander verhaal. Als ik die ruik, loopt het water me in mijn mond. Ik merkte ook, dat ik geneigd ben andere dingen te doen terwijl ik eet – als ik alleen ben, pak ik er vaak een boek bij. Maar als ik dat doe zijn die kruidnootjes vrijwel ongemerkt zo op en heb ik er niet eens echt van genoten.

Afgelopen weekend – met gezouten cashewnoten in de dop – merkte ik dat ik automatisch al naar een tweede nootje reikte terwijl ik nog een nootje in mijn mond had. Op dat moment was ik eigenlijk al niet meer bezig met hoe het eerste nootje proefde. Het lijkt zo klein – maar het heeft gek genoeg grote gevolgen. Van tevoren had ik heel veel zin in de cashewnootjes. Mijn eerste gedachte was: nee, dat mag niet. Maar waarom eigenlijk niet? Ik besloot dat ik mezelf best iets lekkers mocht gunnen. Alleen dan niet graaiend uit het zakje, maar 10 in een bakje. Dus telde ik 10 nootjes uit. Toen ik bij 10 was betrapte ik mezelf erop dat ik niet dacht ‘mmm, lekker’ maar ‘o, dat is wel erg weinig’. Toen ik ermee was gaan zitten en de nootjes één voor één zo aandachtig en rustig mogelijk had gegeten, taalde ik tot mijn eigen verbazing echter niet naar meer nootjes. Het was genoeg, ik voelde me voldaan!

Eigenlijk ben ik net een klein kind dat iets nieuws ontdekt – met dezelfde verbazing en verrukking. Nu nog dezelfde volharding en hetzelfde geduld leren opbrengen als een klein kind dat leert lopen. Want het gaat niet altijd goed en makkelijk. Vallen, opstaan en weer doorgaan. Geduldig oefenen, oefenen, oefenen.

*****
Zie ook:
• De website Mindul eten van Rita Zeelenberg
• Boek ‘Eating mindfully – how to end mindless eating & enjoy a balanced relationship with food’ – second edition van Susan Albers
• Boek ‘Mindful eating – A guide to rediscovering a healthy and joyful relationship with food’ van Jan Chozen Bays
(Van beide boeken zijn ook Nederlandse vertalingen verkrijgbaar).

Eetbuistoornis

Dit blogje heb ik ‘met terugwerkende kracht’ geschreven. Toen ik er middenin zat, was het te heftig om over te schrijven. Ook daarna heb ik lang geaarzeld of ik er over zou schrijven, want het voelt erg naakt. Ik heb nu (anderhalf jaar verder) besloten het toch te doen, omdat ik hoop dat het misschien ooit – als is het maar één ander iemand – troost kan bieden. Of kan helpen de stap te zetten om (professionele) hulp te zoeken.

Wat vond ik het frustrerend en beschamend als ik weer veel te zwaar was. Hoe verdrietig en boos was ik als ik alle kilo’s waar ik na een lange periode van strijd eindelijk van verlost was, er in een mum van tijd weer aan zag vliegen. Wat vond ik het gênant dat het me in mijn eentje niet lukte om af te vallen, dat ik een stok achter de deur van -bijvoorbeeld – Weight Watchers nodig had om weer enigszins ‘in het gareel’ te komen.

Dat was echter allemaal niet half zo pijnlijk als het moment waarop ik aan mezelf – en aan anderen – moest toegeven dat ik niet in een lijndip zat, maar in een eetbuistoornis* verzeild was geraakt. Het voelde als een ultiem falen dat ik, in een wereld waar zoveel ‘echt’ leed is, niet in staat was om dit luxeprobleem – want zo voelde het – op te lossen. Niet in staat was om mezelf te beheersen.

Obsessie
Het grootste deel van de dag draaide het in mijn hoofd alleen nog maar om eten. Het was een obsessie geworden. Eén die me bezighield van het moment dat ik ’s ochtends wakker werd tot het moment dat ik ’s avonds weer in slaap viel. Eén die me steeds verder terugdreef in een klein hoekje ergens in mijn hoofd dat ik steeds hermetischer dicht probeerde te timmeren in de hoop dat niemand het zou zien. Alsof het niet opvalt als je in een mum van tijd kilo’s aankomt… Eén die ervoor zorgde dat ik met een soort Google-maps van ’slecht’ eten in mijn hoofd rondliep. En deze kaart-met-ingebouwd-alarm draaide continu, ook zonder wifi of mobiele-internetverbinding. Hoe ik het ook probeerde – het lukte me niet meer om hem uit te zetten. Continu dacht ik eraan. En het ingebouwde alarm zorgde ervoor dat ik me er ook doorlopend van bewust was op welke momenten ik aan dat voedsel kon komen zonder dat iemand het zou merken -in theorie in elk geval. Op welke momenten ik onopvallend even zou kunnen verdwijnen. Alles moest stiekem, niemand mocht het merken. En als zo’n moment dichterbij kwam, werd de gedachte aan de chocola – de spekkoek – het ijs – de drop – de koekjes – de chips – wat het ook was op dat moment – steeds indringender. Om in de analogie van Google maps te blijven was het net alsof er een lampje steeds sneller begon te knipperen en feller begon te branden.

Gevarenzones
Treinstations, benzinestations, winkels, kantines, snoepautomaten – het werden allemaal gevarenzones. En als ik zo’n gevarenzone een keer zonder kleerscheuren door was gekomen, was het daarmee niet afgelopen. Want het lampje in mijn hoofd bleef knipperen, mijn gedachten bleven gefixeerd op eten. Het werd zo erg dat ik tijdens de treinreis van mijn werk richting huis op een tussenliggend station kon uitstappen om alsnog die grote zak drop en chocoladereep te kopen waar ik vóórdat ik de trein instapte met zoveel moeite met een grote boog omheen gelopen was. Toegeven was de enige manier om het lampje -voor even – uit te schakelen.

Het meest dierbare, dat wilde ik niet verliezen…
Ik begon steeds meer aan te sturen op geheime eetmomenten. Werd erdoor geleefd. Liet liever leuke, fijne dingen met vrienden of mijn gezin schieten als ik daardoor een kans zou missen om me in het geheim vol te kunnen proppen. Ik denk dat dat de reden was waardoor ik uiteindelijk aan mezelf bekende dat ik hulp nodig had – omdat dit alle eerdere grenzen voorbij ging en omdat dit een bedreiging vormde voor dat wat me het meest dierbaar was: mijn relatie met mijn man en mijn kinderen.

Opluchting
De eersten aan wie ik het vertelde waren twee collega’s met wie ik het goed kan vinden. Daarna ben ik met lood in mijn schoenen naar de huisarts gestapt om een verwijzing te vragen voor professionele hulp. Het allermoeilijkste en engste vond ik het om het daarna ook aan mijn man op te biechten. Want deze lelijke, beschamende kant van mezelf, die wilde ik liever niet laten zien. Ik was bang dat hij nooit echt zou begrijpen en geloven dat ik deze vicieuze cirkel alleen niet kon doorbreken. En vooral bang dat ik hem zou verliezen. Hij had moeite met hoe dik ik was – en dat ik alleen nog maar dikker werd. We kregen er ruzie over. Ik snapte dat, want ik walgde zelf ook van mijn spiegelbeeld, maar het deed wel pijn. Zeker omdat hij helemaal niet valt op magere vrouwen – en hij een beetje mollig nooit erg vond.

Gelukkig raakte ik hem niet kwijt – en was het een grote opluchting toen ik het eenmaal verteld had. Begrijpen kon hij het niet, maar hij kon zich er wel iets bij voorstellen als hij het vergeleek met hoeveel moeite het hem had gekost om te stoppen met roken. Hij zag ook dat dat slechts deels vergelijkbaar was, omdat je met eten nooit zo rigoureus kunt stoppen als met roken, omdat je nu eenmaal eten nodig hebt. En godzijdank probeerde hij me ondanks dat hij het niet echt snapte en ondanks zijn moeite met mijn gewicht, toch zoveel mogelijk te steunen.

Interapy: online (cognitieve) gedragstherapie
Ik had de huisarts gevraagd om een verwijzing naar Interapy. Ik zag groepstherapie niet zo zitten en zag ook erg op tegen het idee om telkens afspraken met een behandelaar ergens in te moeten plannen. Online therapie leek me wel zo prettig – dat kon ik tenminste doen op momenten waarop het me uitkwam – na mijn werk en als de kinderen in bed lagen. Ik vond het ook erg fijn dat ik er de deur niet voor uit hoefde – en dat het nog een beetje ‘onopvallend’ kon zo. Dat ik het aan een paar mensen had verteld betekende niet dat ik het nu opeens aan iedereen wilde vertellen. Liever niet zelfs.

Als ik er nu op terugkijk, heb ik veel aan de therapie gehad. Wel denk ik dat voor mij een combinatie van een online behandeling – en eens in de zoveel tijd een face-to-face-gesprek het beste zou zijn geweest. Ik vond het op momenten waarin ik een terugval had erg moeilijk om de draad weer op te pakken – en eens in de zoveel tijd een ‘echte’ afspraak had me misschien net die extra stok achter de deur geboden die ik op die momenten miste.

Mindful eten
Anderhalf jaar verder ben ik niet opeens prachtig slank. Jammer genoeg niet. Maar dat was ook niet het doel van de therapie. En eten – ongecontroleerd eten – zal altijd wel een valkuil blijven. Ik ben er echter niet meer zo door geobsedeerd als ik was. Na het behandeltraject bij Interapy ben ik gaan lezen over mindful eten en ik probeer met behulp van de inzichten die ik tijdens de therapie heb opgedaan en mindful-eten-oefeningen weer een normale relatie met eten op te bouwen. Dat valt niet altijd mee, maar het heeft al wel voor meerdere verrassende ontdekkingen gezorgd die me helpen de draad weer op te pakken als ik soms weer even terugval in gedachteloos snaaien.

*****
*ook wel ‘binge eating disorder’ (BED) genoemd.
Interapy is een erkende tweedelijns ggz-instelling. De online behandelmethode van Interapy is wetenschappelijk onderbouwd. Naar website Interapy.

Rita Zeelenberg heeft voor Psychologie-magazine de online traning Mindful eten ontwikkeld. Deze kan ik aanraden aan iedereen die worstelt met ongecontroleerd – en te veel of juist te weinig eten. Om misverstanden te voorkomen: dit is géén behandeling of therapie en je hebt ook geen behandelaar. Wel kan je als je dat zou willen een ‘coach-schap’ aangaan met een andere deelnemer die de training volgt.

Zie ook: https://dewereldvanims.nl/2014/01/19/mindful-eten/

Ballade van de weegschaal

‘Uit den ouden doosch’: dit liedje schreef ik in mijn theateracademietijd, iets meer dan tien jaar geleden. Ik heb het, uitgedost als weegschaal (en door een medestudent en goede vriend begeleid op de piano) uitgevoerd. Melodie: ‘Le whisky de papa’ – Frida Boccara

Ballade van de weegschaal
Het leven van een weegschaal
is niet makkelijk te dragen
nooit krijg ik eens een compliment
er is altijd iets te klagen
De waarheid spreken is mijn taak
‘t is een schande te verzaken
dus geef ik ze het volle pond
mij zul je nooit zien staken

Refrein
Kilo – pondje – ons
Als ik de waarheid spreek
al is het nog zo’n koe
dan is het huis te klein

Hij eet bergen friet bij zijn ontbijt
en zuipt zich elke avond klem
dan volgt hij snel een wonderkuur
maar oh, wat is het zuur
want ja dan plots staat hij er weer
kijkt ongelovig op mij neer
ik speld hem niets op de mouw
dat is wel wat hij wou

Refrein

Daar is zij weer licht als ‘n veer
kijkt hoopvol op mijn teller neer
dan sprint ze snel naar de wc
(overgeefgeluid; pianist: Gaat het?)
Als ze terugkomt wil ze me
nog altijd niet geloven
ze jankt, vloekt schopt me bont en blauw
‘t is weer niet wat ze wou
Refrein

Ik raak soms wat gedeprimeerd
niemand die mij echt waardeert
ach was ik maar een leugenaar
dan was het niet zo zwaar

Refrein 2x

Exit koekiemonster

Er zijn mensen die het geen enkele moeite lijkt te kosten om drie keer per dag twee minuten lang hun tanden exact volgens voorschrift van tandarts en mondhygiënist te poetsen. Mensen die zich zonder klagen minimaal twee keer per week in het zweet werken bij de sportschool of op de sportclub. Die er naast werk en gezin een actief sociaal leven op nahouden zonder overspannen te raken. Die nooit chagrijnig lijken te zijn. Die hun hobby’s bijhouden. En die altijd, op elk moment van de dag, hun huis keurig op orde èn schoon weten te houden. Van die mensen die je op geen vuiltje kunt betrappen al zou je om drie uur ’s nachts binnenvallen.

Zo’n mens ben ik niet.
Ik sla die mensen vanaf de zijlijn met open mond gade terwijl ik me vertwijfeld afvraag of ik de enige ben die van een andere planeet komt.
De sportschool induiken hoef ik gelukkig niet meer van mezelf, maar het zou best prettig zijn als ik standaard iets gedisciplineerder met mijn zwakke plekken om zou kunnen gaan. Dus niet ééns in de vijf jaar een heel jaar lang wèl, om er daarna vier jaar lang weer een potje van te maken. Zoals met mijn eetpatroon het geval is.

Eten is denk ik mijn grootste valkuil. Ik hou van eten en iedere vier jaar wanneer de rem zoek is, zie ik in alles ook aanleiding om te eten. Als ik blij ben. Als ik boos ben. Als ik verdrietig ben. En ‘gewoon’ omdat het moet natuurlijk. Je kunt nu eenmaal niet – zoals met roken in ieder geval in theorie wel zou kunnen – helemaal stoppen met eten. Maar ja, het begrip ‘eten’ is nogal rekbaar.

Er zijn mensen die het geen enkele moeite lijkt te kosten om altijd gezond en met mate te eten – en die als ze eens een keer een uitspatting hebben gehad, de volgende dag gewoon even wat kalmer aandoen zodat er geen vuiltje aan de lucht is. Die een hele voorraadkast vol met koekjes, chips en chocola en een vriesvak vol met ijs kunnen hebben zónder die in recordtempo te plunderen. Die zelfs dan nog kunnen denken: ik neem wel een appel.

Zo’n mens ben ik niet.
Ja, ééns in de vijf jaar ongeveer. Dan kan ik het enigszins. Maar die overige vier jaren ga ik voor de bijl. Niet alleen kan ik van alles aangrijpen als aanleiding om te eten, maar er zijn ook altijd allerlei hobbels die nopen tot voortzetting van dat gedrag en uitstel van een gezondere leefstijl. ‘Ja maar nú is het midden in de week – ik begin maandag wel’. Of: ‘ná dat etentje/ die verjaardag/ die vakantie/ de jaarwisseling is een goed moment.’ Of: ‘Nu geef ik nog borstvoeding, dan mag je niet afvallen’.

Het is niet dat ik niet van gezonde dingen hou, maar het vervelende is dat gezonde dingen vaak ook meer tijd vergen – een zak chips is in één ruk open; maar voor een kom vers fruit moet je toch net iets meer moeite doen. En kant-en-klare salades kun je tegenwoordig genoeg kopen, maar als je die nog een beetje gezond wil houden, zal je toch zelf de dressing moeten maken, want anders is zo’n salade vaak nog schrikbarend ’slecht’.
Gewoon een kwestie van discipline natuurlijk. Maar ja…

Vorige week zondag heb ik besloten dat het de hoogste tijd is voor een vijfde jaar. Want als ik niet in een moordend tempo afval, maar gestaag, moet dat zelfs tijdens het geven van borstvoeding wel kunnen. En uiteraard heb ik me ook dit keer weer voorgenomen om het nooit meer zo de spuigaten uit te laten lopen. Tijdperk koekiemonster moet maar eens afgelopen zijn. Op naar een standaard gesdiciplineerdere ik.

Morgen mag ik kijken of al het extra water, fruit, groente en het calorie- en vetarmere voedsel dat ik deze week tot me heb genomen al enig effect laat zien op de weegschaal. Spannend.