Negen jaar

Nog een uur puffen en persen. Nog een uur en twee minuten om precies te zijn. Négen jaar geleden alweer. Alle bloed en inspanning was niet voor niets, want daar was ze dan – ons kleine grote wonder.

Ingewikkeld in een doek lag ze op mijn buik. Haar piepkleine neusje met gele stipjes. Haar piepkleine handjes.

En het leek net alsof de wereld even stilstond, even ophield te bestaan. Mijn hoofd voor één keer vrij van gedachten. Simpelweg zíjn in volmaakte stilte. Samen. Samen met ons kleine grote wonder.

Ik weet niet hoe lang het duurde, hoe lang we zo verstild hebben gelegen voor manlief aan de verloskundige vroeg ‘Mag ik even kijken?’. Natuurlijk mocht dat – en hij keek, heel voorzichtig: ‘Een meisje! Het is een meisje!’. We keken naar haar en proefden haar naam op onze lippen. Onze dochter. Onze eerstgeborene.


Zie ook: ‘It’s my party’

Eetbuistoornis

Dit blogje heb ik ‘met terugwerkende kracht’ geschreven. Toen ik er middenin zat, was het te heftig om over te schrijven. Ook daarna heb ik lang geaarzeld of ik er over zou schrijven, want het voelt erg naakt. Ik heb nu (anderhalf jaar verder) besloten het toch te doen, omdat ik hoop dat het misschien ooit – als is het maar één ander iemand – troost kan bieden. Of kan helpen de stap te zetten om (professionele) hulp te zoeken.

Wat vond ik het frustrerend en beschamend als ik weer veel te zwaar was. Hoe verdrietig en boos was ik als ik alle kilo’s waar ik na een lange periode van strijd eindelijk van verlost was, er in een mum van tijd weer aan zag vliegen. Wat vond ik het gênant dat het me in mijn eentje niet lukte om af te vallen, dat ik een stok achter de deur van -bijvoorbeeld – Weight Watchers nodig had om weer enigszins ‘in het gareel’ te komen.

Dat was echter allemaal niet half zo pijnlijk als het moment waarop ik moest toegeven dat ik niet in een lijndip zat, maar in een eetbuistoornis* verzeild was geraakt. Het voelde als een ultiem falen dat ik, in een wereld waar zoveel ‘echt’ leed is, niet in staat was om dit luxeprobleem – want zo voelde het – op te lossen. Niet in staat was om mezelf te beheersen.

Ik walg van mezelf als ik aan een eetbui toegeef
Voel me een mislukking
een slappeling
zielig
minderwaardig

Ik walg van mijn lichaam als ik het in de spiegel zie,
vooral de achterkant, dat is een soort vormeloos blubbergeheel
vieze vetrollen
ik schaam me dood

ik haat die mensen die zeggen dat het toch best meevalt
en dat ik helemaal niet zo dik ben, want dat zijn altijd slanke mensen die dat zeggen – die eerder een BMI van 20 hebben dan van meer!
ik geloof het ook niet, lekker makkelijk praten – maar als ze er zelf zo uit zouden zien zouden ze wel anders piepen

durf voorlopig echt niet meer naar de sauna –
daar voelde ik me de laatste keer al erg slecht op mijn gemak
zag allemaal vrouwen met van die perfecte lichamen –
dacht ook dat ze achter mijn rug wel minimaal met hun ogen zouden rollen

zou wel makkelijk zijn als ik mijn vinger in mijn keel durfde te steken, dan kon ik lekker alles eten wat ik wilde en dan werd ik nooit meer moddervet
maar ik weet ook wel dat dat een hele foute gedachte is
en dat het een zegen is dat ik dat niet kan
en dat ik dan nog verder van huis zou zijn

ik kan helemaal geen leuke kleren meer aan, alles staat stom en zit veel te strak of het is zo’n vormeloos tentgeval waar je nooit slanke mensen in zal zien lopen

(- Fragmenten uit een negatieve-gedachtenopdracht tijdens mijn behandeling. Je moest bewijzen vóór en bewijzen tégen die gedachten opschrijven en alternatieve, positieve gedachten  formuleren.)

Obsessie
Het grootste deel van de dag draaide het in mijn hoofd alleen nog maar om eten. Het was een obsessie geworden. Eén die me bezighield van het moment dat ik ’s ochtends wakker werd tot het moment dat ik ’s avonds weer in slaap viel.
Eén die me steeds verder terugdreef in een klein hoekje ergens in mijn hoofd dat ik steeds hermetischer dicht probeerde te timmeren in de hoop dat niemand het zou zien. Alsof het niet opvalt als je in een mum van tijd kilo’s aankomt…
Eén die ervoor zorgde dat ik met een soort Google-maps van ’slecht’ eten in mijn hoofd rondliep. En deze kaart-met-ingebouwd-alarm draaide continu, ook zonder wifi of mobiele-internetverbinding.

Hoe ik het ook probeerde – het lukte me niet meer om hem uit te zetten. Continu dacht ik eraan. En het ingebouwde alarm zorgde ervoor dat ik me er ook doorlopend van bewust was op welke momenten ik aan dat voedsel kon komen zonder dat iemand het zou merken -in theorie in elk geval.
Op welke momenten ik onopvallend even zou kunnen verdwijnen. Alles moest stiekem, niemand mocht het merken. En als zo’n moment dichterbij kwam, werd de gedachte aan de chocola – de spekkoek – het ijs – de drop – de koekjes – de chips – wat het ook was op dat moment – steeds indringender. Om in de analogie van Google maps te blijven was het net alsof er een lampje steeds sneller begon te knipperen en feller begon te branden.

Gevarenzones
Treinstations, benzinestations, winkels, kantines, snoepautomaten – het werden allemaal gevarenzones. En als ik zo’n gevarenzone een keer zonder kleerscheuren door was gekomen, was het daarmee niet afgelopen. Want het lampje in mijn hoofd bleef knipperen, mijn gedachten bleven gefixeerd op eten.

Het werd zo erg dat ik tijdens de treinreis van mijn werk richting huis op een tussenliggend station kon uitstappen om alsnog die grote zak drop en chocoladereep te kopen waar ik vóórdat ik de trein instapte met zoveel moeite met een grote boog omheen gelopen was. Toegeven was de enige manier om het lampje -voor even – uit te schakelen.

En áls ik het gedurende mijn reis had volgehouden, dan lonkte thuis de keuken. De keukenkastjes. De koelkast.
En de prullenbak. Waar ik eerder in een moment van relatieve kracht een half pak koekjes of een halve zak chips in had weggegooid.

Zelfs voor wildvreemden probeer ik het te verbergen. Hoe eet je zo onopvallend mogelijk een zak drop leeg in een trein. Als het echt heel druk is dan ben ik continu bezig met ‘als ze het maar niet ruiken’.  Ik ben ook wel bang dat ze het zien, maar dat is iets beter te verbergen. In ieder geval het moment dat je iets in je mond stopt. Achter een boek of een krant of door zogenaamd uit het raam te kijken.

Ik probeer ook wel niet de hele zak leeg te eten, omdat het zo opvalt en ik bang ben voor wat ze denken – of nee, ik denk dat ik wel weet wat ze denken en dat is nooit goed. Ik zou het zelf ook zwak vinden denk ik, als ik iemand anders zoiets zou zien doen. Of erger nog. Ik denk dat ik misschien wel minachting zou voelen – en dat ik mezelf superieur zou voelen – omdat ik wel de controle heb over wat ik eet.

Dat vind ik best erg, best schokkend – dat ik als het omgedraaid was misschien zo zou veroordelen en me er misschien zelfs wel lekkerder bij zou voelen ook nog.

(Fragment uit een schrijfopdracht tijdens mijn behandeling)

Het meest dierbare, dat wilde ik niet verliezen…
Ik begon steeds meer aan te sturen op geheime eetmomenten. Werd erdoor geleefd. Liet liever leuke, fijne dingen met vrienden of mijn gezin schieten als ik daardoor een kans zou missen om me in het geheim vol te kunnen proppen. Ik denk dat dat de reden was waardoor ik uiteindelijk aan mezelf bekende dat ik hulp nodig had – omdat dit alle eerdere grenzen voorbij ging en omdat dit een bedreiging vormde voor dat wat me het meest dierbaar was: mijn relatie met mijn man en mijn kinderen.

Opluchting
De eersten aan wie ik het vertelde waren twee collega’s met wie ik het goed kan vinden. Daarna ben ik met lood in mijn schoenen naar de huisarts gestapt om een verwijzing te vragen voor professionele hulp. Het allermoeilijkste en engste vond ik het om het daarna ook aan mijn man op te biechten. Want deze lelijke, beschamende kant van mezelf, die wilde ik liever niet laten zien. Ik was bang dat hij nooit echt zou begrijpen en geloven dat ik deze vicieuze cirkel alleen niet kon doorbreken. En vooral bang dat ik hem zou verliezen. Hij had moeite met hoe dik ik was – en dat ik alleen nog maar dikker werd. We kregen er ruzie over. Ik snapte dat, want ik walgde zelf ook van mijn spiegelbeeld, maar het deed wel pijn. Zeker omdat hij helemaal niet valt op magere vrouwen – en hij een beetje mollig nooit erg vond.

Ik raakte een beetje in paniek van het idee dat ik de rest van mijn leven nooit meer zwak zou mogen zijn omdat ik hem dan misschien verlies omdat hij daar niet meer tegen kan. En hoewel ik het echt niet van plan ben, kan ik echt niet garanderen dat ik vanaf nu altijd sterk zal zijn – ik denk dat dat niet realistisch is – dus dat vind ik op dit moment heel eng – en ik wil ook niet thuis een façade op hoeven houden – ik vond/ vind het al naar genoeg als ik stiekem zit te (vr)eten – dat alleen al verzwijgen/ geheim houden vind ik heel naar.

(Fragment uit verslag n.a.v. een opdracht tijdens mijn behandeling)

Gelukkig raakte ik hem niet kwijt – en was het een grote opluchting toen ik het eenmaal verteld had. Begrijpen kon hij het niet, maar hij kon zich er wel iets bij voorstellen als hij het vergeleek met hoeveel moeite het hem had gekost om te stoppen met roken. Hij zag ook dat dat slechts deels vergelijkbaar was, omdat je met eten nooit zo rigoureus kunt stoppen als met roken, omdat je nu eenmaal eten nodig hebt. En godzijdank probeerde hij me ondanks dat hij het niet echt snapte en ondanks zijn moeite met mijn gewicht, toch zoveel mogelijk te steunen.

Interapy: online (cognitieve) gedragstherapie
Ik had de huisarts gevraagd om een verwijzing naar Interapy. Ik zag groepstherapie niet zo zitten en zag ook erg op tegen het idee om telkens afspraken met een behandelaar ergens in te moeten plannen. Online therapie leek me wel zo prettig – dat kon ik tenminste doen op momenten waarop het me uitkwam – na mijn werk en als de kinderen in bed lagen. Ik vond het ook erg fijn dat ik er de deur niet voor uit hoefde – en dat het nog een beetje ‘onopvallend’ kon zo. Dat ik het aan een paar mensen had verteld betekende niet dat ik het nu opeens aan iedereen wilde vertellen. Liever niet zelfs.

Voordelen van veranderen:

Niet meer continu hoeven vechten, en als je dat gevecht keer op keer begint te verliezen voel je je ook steeds karakterlozer; steeds meer een slappeling – en bovendien vind ik mezelf ook nog eens steeds lelijker.

Mijn dochters het goede voorbeeld kunnen geven. Ik verberg wel veel, maar ze krijgen ongetwijfeld meer mee dan me lief is.

Niet meer elk moment dat ik alleen ben als kans zien om iets stiekems te gaan doen.
Niet meer dat stiekeme gedrag – ik was zo opgelucht toen ik het aan mijn man had verteld maar merk dat ik nu desondanks toch weer zwijg over mijn eetbuien en dat voelt heel naar – dat er zoiets tussen ons in gaat staan.

Niet meer die schaamte en die walging.
Weer leuke kleren aan kunnen.
Er weer leuk uitzien in leuke kleren.

(Fragment uit schrijfopdracht tijdens mijn behandeling)

Als ik er nu op terugkijk, heb ik veel aan de therapie gehad. Wel denk ik dat voor mij een combinatie van een online behandeling – en eens in de zoveel tijd een face-to-face-gesprek het beste zou zijn geweest. Ik vond het op momenten waarin ik een terugval had erg moeilijk om de draad weer op te pakken – en eens in de zoveel tijd een ‘echte’ afspraak had me misschien net die extra stok achter de deur geboden die ik op die momenten miste.

Als ik er nou voor zorg dat ik altijd iets in huis heb dat ik wél mag nemen en probeer om daar niet van die dingen bij te denken als:
“ja maar, tomaatjes kunnen chocola nooit echt vervangen”
of “die stomme wortels komen me mijn neus uit”,
maar:
“ik heb trek in iets – dit mag ik eten, dan heb ik lekker iets om op te kauwen”
– dan gaat het misschien een stuk beter.

(…)

Als ik gewoon gezond eet – en ook niet te weinig, dan mag ik mezelf af en toe best op iets lekkers trakteren en kan ik daar/ durf ik daar misschien ook weer van te genieten.

Mindful eten
Anderhalf jaar verder ben ik niet opeens prachtig slank. Jammer genoeg niet. Maar dat was ook niet het doel van de therapie. En eten – ongecontroleerd eten – zal altijd wel een valkuil blijven. Ik ben er echter niet meer zo door geobsedeerd als ik was. Na het behandeltraject bij Interapy ben ik gaan lezen over mindful eten en ik probeer met behulp van de inzichten die ik tijdens de therapie heb opgedaan en mindful-eten-oefeningen weer een normale relatie met eten op te bouwen. Dat valt niet altijd mee, maar het heeft al wel voor meerdere verrassende ontdekkingen gezorgd die me helpen de draad weer op te pakken als ik soms weer even terugval in gedachteloos snaaien.

*Een andere naam voor eetbuistoornis is ‘binge eating disorder’ (BED).
Interapy is een erkende tweedelijns ggz-instelling. De online behandelmethode van Interapy is wetenschappelijk onderbouwd. Naar website Interapy.

Rita Zeelenberg heeft voor Psychologie-magazine de online traning Mindful eten ontwikkeld. Deze kan ik aanraden aan iedereen die worstelt met ongecontroleerd – en te veel of juist te weinig eten. Om misverstanden te voorkomen: dit is géén behandeling of therapie en je hebt ook geen behandelaar. Wel kan je als je dat zou willen een ‘coach-schap’ aangaan met een andere deelnemer die de training volgt.

Zie ook: https://dewereldvanims.nl/2014/01/19/mindful-eten/

Mama doet een beetje gek

Na de eerste helft lopen we naar beneden -we kunnen wel iets alcoholisch gebruiken. Bonkje is nog klaarwakker – getuige het geroep uit haar kamer.
‘Heeft Nederland gewonnen?’
‘Nee, Nederland staat met 2-0 achter, wees maar blij dat je het niet hebt gezien,’ antwoordt manlief.
Als we ons opmaken voor de tweede ronde, besluiten we Bonkje te vragen of ze nog even uit bed wil om mee te kijken naar de tweede helft. Ja, dat wil ze wel. En als ze óók nog iets mag drinken en een handje chips krijgt, is het feest helemaal compleet.

Dan scoort Nederland…. bijna. Aaaargh! Ik dacht echt dat die er in zou gaan! En dat roep ik geloof ik ook. En misschien ook nog wel wat andere dingen. En misschien maak ik ook nog wel wat grootse arm- en beenbewegingen – ik kan het me niet precies herinneren. Ik weet wel dat manlief heeft overwogen me zijn hartslagmeter om te doen – leek ‘m blijkbaar wel een leuk veldonderzoekje: hoe snel kan het hart van mijn vrouw tekeer gaan bij het zien van een voetbalwedstrijd.

‘Mama doet wel een beetje gek als ze voetbal kijkt hè?’ zegt manlief tegen Bonkje.
Ja, dat vindt Bonkje ook. Ze geeft me een paar schouderklopjes.
‘Maar mama, zo erg is het toch helemaal niet, als ze verliezen? Het is maar een spelletje, er zijn véél ergere dingen in de wereld.’

Heksenjacht anno 2012

Drie jaar geleden stoorde ik me vooral nog aan alle Twitteraars die ‘elke scheet met de wereld willen delen’ – ik snapte niets van die vrijwillige ‘bigbrotherisering’ (zie ‘Twittermanie‘). Inmiddels heb ik zelf een klein half jaar een Twitteraccount en kijk ik er steeds vaker naar – zowel privé als voor mijn werk. Zo ontdekte ik ook kanten van Twitter die ik wel leuk vond. Het kan bijvoorbeeld een mooie aanvulling zijn op het moment dat er een landelijke demonstratie wordt gevoerd – of dat nu tegen de invoering van de eigen bijdrage in de ggz is, of tegen de 1040-urennorm en het inkorten van de zomervakantie in het voortgezet onderwijs.

En toen ik me tijdens een voetbalwedstrijd in september behoorlijk had geërgerd aan het in mijn ogen weinig ter zake doende commentaar, heb ik me prima vermaakt met het lezen van alle tweets van mensen die er net zo over bleken te denken. Eén tweet vond ik zo grappig, dat ik ‘m zelfs retweette (waarop een vriendin die mij ‘volgt’ verbaasd reageerde met: ‘Sinds wanneer heb jij verstand van voetbal?’). Ook laatst heb ik nog hartelijk gelachen om reacties van anderen over een presentatrice naar wie ik bijna niet kon kijken door plaatsvervangende schaamte.

Hartstikke leuk allemaal, tot prins Friso op 17 februari onder een lawine bedolven werd tijdens het skiën, waar in de media veel aandacht voor was. Binnen een mum van tijd was het ook een trending topic op Twitter. Sommige mensen wilden hun medeleven betonen met de koninklijke familie, maar het merendeel van de tweets die ik voorbij zag komen vond ik misselijkmakend. Wat eerst alleen een tragisch ongeval was voor een moeder, een echtgenote, twee kinderen en andere naasten, werd op Twitter één grote orgie van grove, smakeloze grappen en kleinzielig geschreeuw.

Wat doet het er toe of je weet wie Friso is, of wat je van de monarchie vindt? Is het echt zo moeilijk om je heel even te verplaatsen in een ander mens en te bedenken hoe jíj het zou vinden als anderen zo hun gal over jou of jouw dierbaren zouden uitspugen?

Ik heb vaker gehoord en gelezen dat Nederlanders in het buitenland vaak opvallen vanwege hun luidruchtige gedrag en hun ‘rechtstreeksheid’. Veel Nederlanders schijnen wel trots te zijn op die laatste typering en interpreteren het als ‘eerlijkheid’. Ik ben bang dat hier in het buitenland echter op een beleefde manier onze onbeschoftheid mee wordt bedoeld.

En plotseling bekeek ik ook mijn eigen (leed?)vermaak op Twitter met andere ogen…. mijn eigen retweet over de voetbalcommentator was eigenlijk geen haar beter. En ook de stortvloed van kritiek op de presentatrice vond ik opeens een stuk minder grappig.

Maar wat me de laatste weken nog meer opviel, was dat het niet alleen blijft bij mij, een ‘gewone burger’. Nee, zelfs de professionele media schreeuwen op Twitter om het hardst. Want het nieuws ligt op straat en makers van actualiteitenprogramma’s, nieuwssites en kranten zijn blijkbaar doodsbenauwd achter te blijven. Waarom zou je eerst bronnen en feiten checken, waarom zou je je inspannen om zo objectief mogelijk te blijven in je berichtgeving als je nu een prachtige oneliner kunt twitteren die je gegarandeerd een hoop retweets en, wie weet, wel een hoop extra kijkers en/of abonnees oplevert? Waarom zoeken naar nuances? Daar zit toch niemand op te wachten!

'Social media explained'
‘Social media explained’

Misschien ben ik een beetje naïef, dat ik het nu pas zie. Maar ik ben geschrokken. Geschrokken van het fanatisme waarmee op Twitter de één na de ander wordt afgemaakt. Het is alsof ik zit te kijken naar de ene na de andere heksenjacht; de ene na de andere steniging. Als de eerste stenen zijn gegooid, is er geen houden meer aan. Af en toe staat er nog iemand op die probeert het tij te keren, maar tevergeefs. In het meest gunstige geval overleef je het, omdat zich snel een nieuw, interessanter slachtoffer aandient.

Ik buig mijn hoofd en ik schaam me. Mijn retweet heb ik verwijderd.

Schaatskoorts – Rond de Wieden

Plotseling lag de vaart dicht en werd er geschaatst. Maar alleen gaan schaatsen en Bonkje schaatsloos laten toekijken kon natuurlijk niet – en of het zou lukken om nu nog ergens nieuwe schaatsen op de kop te tikken… Eerst maar eens haar oude schaatsen van zolder halen. En warempel, ze bleek ze nog nèt aan te kunnen. Drie jaar geleden stonden ze op de kleinste maat – nu op de grootste. En waar ze toen gebleven is, gaat ze nu weer verder. Links is ‘glijbeen’, rechts is ’step’. Als ze valt, krabbelt ze weer overeind om vrolijk door te gaan. Doordat ze niet van ophouden weet – en ik ook niet – gaan we nèt iets te lang door, met ijskoude tenen en toch nog tranen als gevolg. Gelukkig is ze dat de volgende dag alweer vergeten en moet ik haar, als ze samen met het buurmeisje nog een keer is gaan schaatsen, van het ijs af plukken als het begint te schemeren.

Schaatsen op De vaart, februari 2016
De vaart, 5 februari 2012. Onbekende buurtbewoners hebben een prachtige baan geveegd.

Als, als, als…
Als ik eenmaal geproefd heb aan het ijs, ben ik een makkelijke prooi voor het schaatsvirus. Waar ik eerst nog stilletjes hoopte maar die hoop teniet zag gaan door de harde wind (zo vriest het nóóit dicht) en een dik pak sneeuw (oh nee, is het eindelijk dichtgevroren, krijg je dít), kreeg ik nu plotseling visioenen van stempelkaarten, uitgestrekte natuurgebieden en koek-en-zopie-tenten. Zondag hield ik de website waarop de – door de KNSB goedgekeurde – toertochten worden aangemeld, nauwlettend in de gaten. Toen ik veel te laat eindelijk naar bed ging, bleef het nog heel lang koortsachtig druk in mijn hoofd. Morgen, morgen kon ik het vragen.
Tot mijn grote geluk mocht en kon ik dinsdag vrij nemen. Nu kon ik de Rond-de-Wieden-tocht schaatsen! Ik maakte nog net geen vreugdedansje, maar aan alle collega’s die ik tegenkwam moest ik het meteen kwijt. Mijn kamergenoten, die allebei niet zulke grote schaatsfans zijn, maakten grapjes. Toen ik hun vertelde hoe klunzig ik drie jaar geleden langs een steile berm naar beneden was gekluund terwijl de schaatsers om mij heen als berggeiten omlaag sjeesden om vervolgens fluitend door te schaatsen, raakten ze helemaal op dreef. ‘Brandweer vindt vrouw die tijdens het klunen in de modder is blijven steken’. (De volgende dag kreeg ik van één van de twee ’s middags wel een bemoedigend sms’je en de ander belde aan het begin van de avond op om te horen of ik heelhuids was thuisgekomen).

Rond de Wieden
Dinsdagochtend is het koud. Heel erg koud. Er staat een stevige wind en het is veertien graden onder nul. Voldoende om zelfs tijdens een wegbrengrondje met de auto naar crèche, school en werk van dochters en manlief, gevoelloze vingers en tenen te krijgen. Voldoende om mij zelfs te doen besluiten een muts te kopen. En voldoende om mijn vertrek richting Sint Jansklooster nog maar even uit te stellen. Als ik ’s middags rond een uur of één eindelijk op het ijs sta, vriest het nog maar een graad of tien.

Bij de splitsing van de 15- en de 40-kilometerroute aarzel ik nog even. Zal ik het wel halen, 40 kilometer voor het donker wordt? Mijn man zou vast heel trots op me zijn als ik me in weet te houden. Toen ik vanochtend tegen hem zei dat ik wel zou zien welke afstand ik zou schaatsen als ik er eenmaal was, begon hij te lachen. ‘Wie hou je nou eigenlijk voor de gek? Jij gaat natuurlijk voor de 40 kilometer. Waarmee ik niet wil zeggen dat ik dat verstandig vind.’ Hij had gelijk. Diep in mijn hart ligt mijn keus allang vast. Drie jaar geleden schaatste ik bij Kortenhoef eerst de korte en daarna alsnog de lange route, maar toen ging het om 10 en 25 kilometer. Die optie heb ik deze keer niet. Vijfenvijtig kilometer? Nee, ik beschik nog net over voldoende zelfkennis om in te zien dat dat echt onhaalbaar is – ongetraind als ik ben èn op kunstschaatsen. Dus kan ik maar beter meteen voor de langste route kiezen.

En wat is het mooi, tussen de rietkragen op de Belterwijde door – dat zou ik hebben gemist als ik mijn verstand had laten zegevieren in plaats van mijn gevoel. En daar gaat het deze dag toch juist om, om zo optimaal mogelijk te genieten van deze prachtige kans? Om er echt alles uit te halen wat er in zit? Leven!

Belterwijde, 7 februari 2012
Belterwijde, 7 februari 2012
Kluunpunt, koek-en-zopie, stempelpost Belterwijde
Kluunpunt, koek-en-zopie, stempelpost – van Belterwijde terug naar Beulakerwijde. Friesland is ook vertegenwoordigd tijdens deze Overijsselse tocht.

Eenmaal terug op de Beulakerwijde, betrekt de lucht en begint het te sneeuwen. Op het stuk dat nu volgt moet ik recht tegen de wind in. Ging ik tussen de rietkragen ’stapvoets’ vanwege de scheuren in het ijs – nu sta ik vrijwel stil. De wind striemt in mijn gezicht en ik ben plotseling heel blij met mijn muts. Ik trek de flapjes nog wat verder over mijn oren. Harkend ga ik over het ijs, totdat ik voorbij geschaatst wordt door iemand – op noren uiteraard – die zelfs onder deze omstandigheden nog een mooie slag weet vast te houden. O ja, ik ben aan het schaatsen. Links, rechts – blijf glijden. Ik probeer aan te klampen bij het volgende groepje dat me passeert, zodat ik even een beetje beschut ben tegen de wind, maar het is hopeloos.

Ik vind het dan ook helemaal niet erg om even in de rij te moeten staan als ik eindelijk de volgende stempelpost bereik. ‘Heb je geen last van die wijde pijpen?’ merkt iemand achter me in de rij op. Ik haal mijn schouders op ‘ach, ik heb niet zoveel broeken, dus dan is de keus wat beperkt. En als je wind mee hebt is het mooi meegenomen. Dan zijn het net zeilen.’ ‘Ja, da’s waar’, beaamt hij, ‘Ieder nadeel heb z’n voordeel.’

Nadat mijn kaart is afgestempeld, zoek ik een plekje op een steiger naast het kraampje, dat tevens dienst doet als koek-en-zopie-tent. Gezien mijn ervaringen in Kortenhoef in 2009, heb ik dit keer geen enkel risico genomen en heb ik mijn eigen koek-en-zopie-voorraad meegenomen. Ik schenk mezelf wat thee in in de dop van de thermosfles en eet een banaan. Voor ik verder ploeter tegen de wind in, neem ik ook nog maar wat druivensuiker.

Beulakerwijde - snijdende tegenwind en sneeuw
Beulakerwijde – snijdende tegenwind en sneeuw
Dezelfde Beulakerwijde, maar nu met de wind in mijn rug en zon op mijn gezicht
Dezelfde Beulakerwijde, maar nu met de wind in mijn rug en zon op mijn gezicht

Ja, het is zwaar. Maar het geeft wel voldoening; vooral als ik tijdens het laatste stuk van de tocht weer wind mee heb – en zelfs de zon zich weer laat zien. Wauw, wat is dit een heerlijk gevoel. Het gaat zo hard, dat ik mijn benen af en toe zelfs maar even stil hou omdat ik het een beetje griezelig begin te vinden. Eigenlijk ben ik daardoor niet eens echt verbaasd als ik, veel sneller dan ik van tevoren had ingecalculeerd, weer bij het punt kom waar ik ben gestart. Behoefte om nog een rondje te rijden heb ik niet – vanaf hier gaat het weer recht tegen de wind in. Voor ik het ijs af ga, vraag ik een schaatsster of ze een foto van me wil maken.

Netwerken
Als ik mijn fototoestel weer wil opbergen, vraagt een meneer me of ik een foto van hem wil maken en of ik die naar hem kan mailen. Het blijkt de burgemeester van Oost Gelre te zijn. ‘Anders geloven ze nooit dat ik hier echt heb geschaatst.’ Als ik later thuis de website van de gemeente Oost Gelre bekijk, snap ik plotseling waarom. Een pak en das geven toch een heel andere indruk dan een Unox-muts, trainingsjack en Salomonschaatsen.

Toch fijn dat burgemeesters gewend zijn zich diplomatiek uit te drukken, want tegen de wind in blijkt hij een klein stukje achter me geschaatst te hebben. ‘Je had het wel zwaar hè?’, zegt hij. En zo krijgt zelfs mijn gehark tegen de wind in nog een gulden randje.

IMS met muts en de burgemeester van Oost-Gelre (ook met muts)
IMS met muts en de burgemeester van Oost-Gelre (ook met muts)
Rond-de-Wiedentocht, terug bij mijn startpunt in Sint Jansklooster
Rond-de-Wiedentocht, terug bij mijn startpunt in Sint Jansklooster

Ik wissel mijn schaatsen om voor mijn rubberlaarzen en loop naar de plek waar ik me heb ingeschreven. Er hangt een briefje: medailles kunnen worden opgehaald in Het wapen van Utrecht, in het dorp. Slim – zo heeft het dorp niet alleen overlast van de vele schaatsers, maar verdienen ze er hopelijk ook nog iets aan. Wel vraag ik me af of het café – ik stel me een klein kroegje voor, ergens op een hoek, zo’n grote stroom mensen kan verwerken. Tot mijn verbazing blijkt het echter behoorlijk groot te zijn. Als ik met mijn medaille weer naar buiten wil lopen, wil een groepje mannen dat zit te borrelen aan een tafeltje in de hoek ‘m graag even zien.

Rond de Wiedentocht, 7 februari 2012 IJsclub Ons Genoegen
Rond de Wiedentocht, 7 februari 2012 IJsclub Ons Genoegen

‘Je bent er wel blij mee hè?’
‘Jazeker!’
Mag ik ‘m eens zien? Even kijken of we er iets aan missen.’
‘Ja’, zegt een ander, ‘We hebben ‘m drie keer gereden, maar we hadden geen zin om in de rij te staan om te stempelen.’
‘Nou, ik wel hoor. Ik ben net een kind.’
En blij als een kind stap ik naar buiten. Organisatoren: bedankt! Het was me een genoegen.

Mokerslagen

Links en rechts vallen de mokerslagen.
Afgelopen jaar verloren vrienden hun kindje. Ze was helemaal voldragen en kon elk moment geboren worden, toen in 39e week bij de controle bij de verloskundige bleek dat haar hartje niet meer klopte. Na haar geboorte hebben ze haar ontzettend liefdevol in hun midden gekoesterd en na de crematie namen ze haar as weer mee. Geen moment alleen, in de steek gelaten; maar de tijd tikte voor hun jongste dochtertje niet meer verder.

Daar zit je dan, met pijnlijke borsten die je niet leeg mag kolven; je schoot leeg na negen maanden samenzijn – en in plaats van luiers met meconium en beschuit met muisjes moet je je bezighouden met het uitzoeken van een kistje. Daar sta je dan, klaar om na negen maanden je dochter in je armen te houden, haar oogjes open te zien gaan – maar in plaats van gebroken nachten vanwege het gehuil kan je niet slapen door de leegte.
Daar is ze dan, het kleine babyzusje, waar je alledrie zo naar hebt uitgekeken. Maar ‘ze doet het niet. Ze is kapot!’

Afgelopen jaar verloor een studievriendin haar broer. Hij had al eerder geknokt tegen manische depressiviteit, geknokt om overeind te blijven en daarna was het juist ook een tijd heel goed met hem gegaan. Maar dit keer verloor hij het gevecht. Een paar dagen voor zijn dood zei hij tegen mijn vriendin dat hij het gevoel het dat het hem ontglipte. Hij was 39.

Vandaag was ik er getuige van hoe een kleuter van 4 en een peuter van 2 hun vader moesten begraven – en hun moeder, een oud-collega met wie ik bevriend ben geraakt, haar man. ‘Waar is papa?’ Papa lag in een kist; een kist die ze zelf hadden versierd met hartjes en tekeningen. Drie jaar geleden werd hij onderzocht omdat hij klachten had, maar werd er niets gevonden. Anderhalf jaar geleden kreeg hij zulke ernstige klachten, dat hij opnieuw werd onderzocht – en dit keer bleek dat hij darmkanker had en dat er ook uitzaaiingen waren. En na een lang en slopend traject, is hij vorige week overleden. Ook hij was 39.

Ik zie de pijn en het verdriet. Voel de machteloosheid. Ik zie de ongelijkheid. De ene mens krijgt toch heel wat meer te verduren dan de ander. Waarom? Ik weet het niet. Misschien is er wel geen waarom. Op de rouwkaart en het programma van vandaag stond een citaat uit Terry Pratchett’ Discworld Novels:

There’s no Justice. There’s just Me.
– Death

Maar hoe, hoe verwerk je zoiets? Hoe ga je om met het enorme gat? Hoe ga je om met de pijn dat je kinderen verder moeten zonder vader? Hoe blijf je overeind?

Ik slik en ik sla mijn armen nog maar eens heel stevig om mijn man en dochters heen. Zoveel leed doet je weer even haarscherp beseffen dat geluk niet zo vanzelfsprekend is als je soms denkt. Wat ben ik ongelofelijk dankbaar dat wij wel gezond en samen zijn. Wat een onbeschrijfelijke en niet in geld uit te drukken rijkdom…

Ballade van de weegschaal

‘Uit den ouden doosch’: dit liedje schreef ik in mijn theateracademietijd, iets meer dan tien jaar geleden. Ik heb het, uitgedost als weegschaal (en door een medestudent en goede vriend begeleid op de piano) uitgevoerd. Melodie: ‘Le whisky de papa’ – Frida Boccara

Ballade van de weegschaal
Het leven van een weegschaal
is niet makkelijk te dragen
nooit krijg ik eens een compliment
er is altijd iets te klagen
De waarheid spreken is mijn taak
‘t is een schande te verzaken
dus geef ik ze het volle pond
mij zul je nooit zien staken

Refrein
Kilo – pondje – ons
Als ik de waarheid spreek
al is het nog zo’n koe
dan is het huis te klein

Hij eet bergen friet bij zijn ontbijt
en zuipt zich elke avond klem
dan volgt hij snel een wonderkuur
maar oh, wat is het zuur
want ja dan plots staat hij er weer
kijkt ongelovig op mij neer
ik speld hem niets op de mouw
dat is wel wat hij wou

Refrein

Daar is zij weer licht als ‘n veer
kijkt hoopvol op mijn teller neer
dan sprint ze snel naar de wc
(overgeefgeluid; pianist: Gaat het?)
Als ze terugkomt wil ze me
nog altijd niet geloven
ze jankt, vloekt schopt me bont en blauw
‘t is weer niet wat ze wou
Refrein

Ik raak soms wat gedeprimeerd
niemand die mij echt waardeert
ach was ik maar een leugenaar
dan was het niet zo zwaar

Refrein 2x

HORRORWINTER IN DE LAGE LANDEN (MMORPG)

De ‘horrorwinter’ die voor dit seizoen voorspeld was, blijft tot nu toe uit. De slee staat ongebruikt in de schuur en we hoeven ook geen nieuwe schaatsen te kopen voor Bonkje. Nee, dan vorig jaar…

De eerste dag van het nieuwe jaar ziet er hoopvol uit. Het miezert licht en de laatste sneeuw- en ijsresten zijn teruggebracht tot kleine eilandjes. Misschien kan ik maandag eindelijk weer naar mijn werk zonder het gevoel te hebben dat ik – die nog nooit op wintersport is geweest – eerst over een zwarte piste moet skiën om er te komen. Misschien kan ik eindelijk weer eens op een normaal tijdstip arriveren. Vooropgesteld natuurlijk dat ik mezelf en mijn vouwfiets in één van die veel te korte treinstelletjes van de NS – hoezo, winterklaar? (Op de website van de NS was eind 2010 te lezen: ‘…als het écht hevig winterweer wordt brengt NS haar klanten toch netjes thuis.’) – heb weten te persen.

Horrorwinter in de Lage Landen (demoversie)
Met grote letters staat het boven de deuren: You are about to leave The Southern Station. Zodra ik naar buiten stap, schuiven de deuren achter me geruisloos dicht. Iets in me zegt me dat ik hier niet zomaar meer binnen kan komen. Ik kijk nog één keer naar de verlichte winkeltjes achter me. Dan draai ik me om en stap ik op mijn Folding Bike (standard issue).
De zone tussen The Southern Station en The Building (a.k.a. Work) is een soort niemandsland waar de woorden zout en sneeuwschuiver niets betekenen en sneeuw en ijs vrij spel hebben. Vertwijfeld vraag ik me af waarom ik niet wat meer punten heb geïnvesteerd in agility en dexterity – een charmeoffensief gaat me hier echt niet helpen. Ook mijn uitrusting is niet fantastisch, maar ik zal het er mee moeten doen. Langzaam glibber en glij ik vooruit. Links en rechts word ik gepasseerd door fanatiekelingen op Carrier Bikes die een snelheidsbonus krijgen bij vorst. De minipassagiers in de CB’s, gehuld in skipakken en snowboots, wijzen naar me met hun dikke gehandschoende vingertjes en hun schelle gelach klinkt nog lang na in mijn oren.
Ik probeer me te concentreren op het parcours voor me. Om de zoveel tijd moet ik kiezen via welk van de vele sporen ik mijn weg vervolg. Het is niet te voorspellen welke verrassingen er diep in de sporen verborgen kunnen liggen. Ik zou me moeten verheugen over de afstand die ik inmiddels al heb overbrugd, maar tussentijds saven is er niet bij en in mijn hoofd klinkt er een onheilspellende melodie die langzaam in volume toeneemt. De straatlantaarns beginnen te flikkeren en plotseling vlieg ik door de lucht. De tijd lijkt te vertragen en vanuit mijn ooghoeken zie ik nog net de ijzige blik van een 23Fahrenheiter die zich terugtrekt in zijn hinderlaag, klaar voor de volgende prooi. Dan raak ik de straat – of wat daar voor door moet gaan. Ik haal diep adem en beweeg mijn armen, benen, handen, voeten. Op een paar flinke blauwe plekken na doet alles het nog: niets waarvoor ik een medkit nodig heb. Gelukkig maar, want toen ik bij The Southern Station de kans had er één te kopen, heb ik het niet gedaan. Nee, ik wilde mijn schamele startersverzameling LL-credits liever bewaren zodat ik er op een later moment misschien een heel handige tool voor zou kunnen kopen.
Ik krabbel overeind, raap mijn Folding Bike op, buig ‘m recht en schuifel verder. Maar om nu te zeggen dat ik me te voet veel zekerder voel dan op mijn FB, nee. Geen IceStars onder mijn lelijke beginnersschoeisel. Bovendien haal ik het op deze manier nooit binnen de tijdlimiet. Dus stap ik met een diepe zucht toch maar weer op.
De experience points die ik heb verdiend als ik eindelijk The Building bereikt heb, doen me de moed in de schoenen zakken. Op deze manier ben ik nog dagen bezig voor ik me een beetje fatsoenlijk kan wapenen tegen de barre omstandigheden. Misschien moet ik, als het me ooit nog lukt terug te komen, toch maar meedoen met één van de vele groupquests waarvoor op The Soutern Station werd geadverteerd. ‘Try to fight your way into the 18:34 pm-train‘ bijvoorbeeld (Bonus-XP als het je lukt je FB ook nog mee te nemen).

Strand

 

Als ik haar neer wil zetten, klemt ze haar handjes stevig om mijn armen heen. Maar ik moet toch echt even naar de wc – dat is één voordeel van die lelijke strandhuisjes in de zomer: naast het pad naar zee is een wc-huisje waar wij tegen betaling ook gebruik van mogen maken. En dat hebben manlief en ik er graag voor over.
‘Moet jij ook naar de wc?’ vraag ik aan Bonkje.
‘Nee, ik hoef niet.’
‘Zou jij dan even op Bloem willen letten?’
‘Ja. Kijk Bloem! De bal’

Maar Bloem heeft nauwelijks oog voor de bal. Ze kijkt argwanend naar de vreemde, golvende ondergrond. Ik laat mijn tas vallen en probeer me los te wurmen uit Bloems greep. Ze schudt haar hoofdje heen en weer en haar knokkeltjes worden wit van het knijpen. Ik moet behoorlijk mijn best doen, maar uiteindelijk lukt het me om haar neer te zetten.
‘Mama moet even naar de wc, maar Bonkje is bij je.’
Bloem jammert, Bonkje troost en ik schiet snel de wc in. Als ik terugkom strekt Bloem haar armpjes naar me uit en als ik haar optil vleit ze haar warme hoofdje tegen mijn schouder. Bonkje is ook blij dat we nu ‘eindelijk’ door mogen lopen en zoekt samen met manlief een plekje uit waar we kunnen zitten. Vlak bij de duinrand hebben we nog een klein beetje beschutting tegen de wind en dat is met Bloem wel fijn.

Bonkje staat al in haar bikini. Haar kleren – half binnenste buiten – liggen op het zand.
‘Mag ik naar de zee?’
‘Ja, dat mag.’
Nog voor ik ben uitgesproken rent ze al weg. Manlief kleedt zich ook verder uit en gaat haar snel achterna, terwijl ik met Bloem, die zich nog steeds angstvallig vastklemt, op de handdoek ga zitten.

Vanaf mijn schoot kijkt Bloem toe hoe ik wat zand door mijn handen glijden.
‘Kijk, dat is zand.’
(…)
Over het ruisen van de wind heen hoor ik Bonkje lachen.
Ik graaf mijn voet in het zand en ‘tover’ hem weer tevoorschijn.
‘Zand. Wil je ook eens voelen?’
Ze schudt haar hoofd.

‘Mama, Mama!’ – Bonkje komt aangerend.
‘Ik ben in zee geweest!’
‘Zo, stoer hoor! Was het niet veel te koud?’
‘Ja, het was wel een beetje koud. Hallo Bloem, is het leuk op het strand? Dag!’
Weg is ze weer.
Ze roept iets naar manlief, maar ik kan niet verstaan wat.

‘Bonkje gaat naar de zee, zie je dat?’
Met haar ogen volgt ze haar grote zus. Dan kijkt ze weer naar het zand. En de zandkorrels op de handdoek.
Langzaam, heel langzaam, ontspant ze zich een beetje.
Ik mag haar nu ook tussen mijn benen zetten, maar zodra haar teentjes het zand raken, trekt ze ze snel weer terug op de handdoek.
Op het zand is duidelijk nog een brug te ver.

Manlief en Bonkje komen terug.
‘Wil jij een emmertje water halen?’ vraagt manlief aan Bonkje.
Dat wil ze wel.
‘Kijk uit, niet te dichtbij, giet het daar maar uit.’
‘Kijk Bloem!’ zegt Bonkje. ‘Nou kan je iets maken. Want dat zand is veel te zacht maar nu is het harder. Zal ik nog een emmertje water halen?’

Bonkje schept.
Bonkje rent.
Bonkje giet.
Bonkje draaft.
‘Hallo Bloem! Leuk hè?’
Bonkje graaft een gracht.
Maar je moet wel erg vaak water halen, zo ver op het strand.
De gracht wordt een kuiltje met wat vochtig zand.
Manlief en Bonkje gaan voetballen.

Ik pak een schepje en een paar vormpjes.
‘Kijk, een eendje!’
‘Die! diejz!’
‘Zullen we er nog één maken? Oh, die is niet zo goed gelukt. Nog een keer.’
‘Ejund!’
‘Ja, eendjes.’
Nu wil Bloem ook wel iets vasthouden.

Het gietertje.
De emmer.
Het vormpje.

Als we weer opbreken, wil ze zowaar zelf aan de hand over het strand lopen. Dat valt nog niet mee, zeker niet als we tegen de duinen op moeten klimmen. Ook liggen er steeds meer kleine doorntjes in het zand, dus het laatste stukje til ik haar maar weer op. Daar is ze het niet mee eens.
Ze schudt haar hoofdje heen en weer en probeert zich los te wurmen uit mijn greep. Boven gekomen kloppen we het zand van onze voeten af en kijken we nog even naar de zee. Jammer dat we alweer naar huis moeten – we zijn helemaal in vakantiestemming.

Gelukkig hebben we een goede reden om binnenkort nog keer terug te komen. In de zomer gaan we naar Griekenland. Nog een beetje ‘oefenen’ met Bloem lijkt ons geen overbodige luxe.