Rio

‘Heb je wel gereserveerd?’
‘Nee, ik heb niet gereserveerd, maar ik denk dat dat niet nodig is.’
Niet helemaal gerust stapt ze in. Onderweg telt ze het aantal keren dat ze al naar de bioscoop is geweest. Een paar keer met manlief, een paar keer met de naschoolse opvang, op haar verjaardagsfeestje vorig jaar, twee keer op een feestje van iemand anders en een keer met oma. Dat is aardig wat!

Als we bij de kassa komen blijken er nog genoeg plaatsen te zijn. Gelukkig maar, want het zou wel heel stom zijn geweest als ons uitje niet door kon gaan doordat de bioscoop toch vol bleek te zitten.

‘Je mag 10 snoepjes uitkiezen en in een zak doen, maar daar moet je wel de hele film mee doen. In de pauze nemen we wel iets te drinken.’
Gezien mijn streven om deze zomer eindelijk weer eens zonder gêne die paar leuke jurkjes aan te kunnen die al veel te lang ongedragen in mijn kast hangen, zou ik zelf natuurlijk niets moeten nemen, maar de verleiding is te groot. Ik besluit dat ik óók 10 snoepjes uit mag zoeken. Nu lopen er twee blije kinderen om de snoepbakken heen. Als we weten wat voor snoepjes er allemaal zijn, zijn de eerste snoepjes snel gekozen. Daarna wordt het lastiger.

‘Mama, denk je dat ik die ook lekker vindt?’
‘Ik denk het wel.’
‘Dan neem ik er daar ook één van.’
‘Je mag ook best een paar dezelfde snoepjes nemen als je een snoepje heel lekker vindt.’
‘Nee, ik neem allemaal verschillende. En deze, zou ik die lekker vinden?’
Ze wijst naar een bak met gele, oranje en paarse snoepslierten.
‘Ik weet het niet, die zien er een beetje uit als zure matten en die vond je geloof ik niet zo lekker?’
‘Mmm – maar ik denk dat ik deze toch ga proberen.’
Voorzichtig vist ze met een tangetje een paarse sliert uit de bak en stopt hem in haar snoepzak.
‘Nu heb ik er één, twee, ….(telt zachtjes door, terwijl ze de snoepjes aanwijst)… acht. Ik mag er nog twee!’

Even later staan we voor de deur van de zaal, onze snoepzakken stevig in onze handen geklemd.
‘Wil jij de kaartjes laten zien?’
‘Nee, doe jij het maar.’
Onze kaartjes worden gescheurd en we krijgen allebei een 3-D-bril – zij een kinderformaat, ik een grotere variant.
Nu onze rij en stoel opzoeken. De rij hebben we snel gevonden, maar stoelnummers kan ik nergens ontdekken.
Bonkje wel. Ze wijst naar de grond: ‘Daar!’ – en inderdaad, helemaal onderaan de stoelen zijn nummerplaatjes op de vloer geplakt.

Ik zet mijn bril op mijn neus. Bonkje giechelt.
‘Je ziet er heel gek uit!’
‘O ja? Zet jij de jouwe eens op dan…. ja, dat ziet er inderdaad wel een beetje gek uit. Dan zet ik ‘m nog maar even af. Zo. Ik neem vast een snoepje.’
‘Ik niet, ik ga mijn snoepjes bewaren tot de film begint.’

Na de wat knullig ogende reclames van winkeliers in de omgeving – de reclames volgen elkaar veel te snel op en foto’s zijn niet altijd bewerkt tot het juiste formaat, waardoor ze soms deels van het scherm vallen – beginnen de voorfilmpjes.

‘Zet nu uw 3-D-bril op.’
Je zou zeggen dat ik er zo langzamerhand wel aan gewend moest zijn dat ze zelf kan lezen, maar een moment als dit maakt dat ik me er toch weer extra bewust van ben hoe groot ze al is. En dat ik in gedachten weer even dat kleutertje zie, dat zo trots een letter aanwees die ze herkende.
Zo groot ook, dat ze haar 3D-bril de hele film ophoudt. Toen we twee? drie? jaar geleden in de Efteling naar de 3d-filmvoorstelling-PandaDroom gingen, deed ze haar 3-D-bril na een paar tellen af en heeft ze ‘m ook niet meer op gezet. Maar ja, daar kwam als ik het me goed herinner dan ook een levensechte slang uit het beeld recht op ons af. Alleen het geluid zou voor haar wel wat zachter mogen.
‘Mama, wat staat het geluid hard!’
‘Ja, in bioscopen staat het geluid meestal erg hard.’

Af en toe werp ik een blik opzij.
Als het erg spannend wordt, stopt ze haar vingers in haar oren.
Maar ze zit ook hardop te schateren.
Om een blauwe ara die zijn kooi met zijn spiegeltje en zijn belletje mist.
Om de man in zijn ‘onderbroek’ die met strandstoel en al de lucht in vliegt.
Om een hond met een berg fruit op zijn kop.
Om de gemene vogel die aan het eind zijn veren kwijt is en door een aapje in zijn blootje op de foto wordt gezet – terwijl de slechterik zich achter een blaadje probeert te verschuilen.

Ook ik vermaak me prima en geniet van de glimmende ogen van mijn dochter.
Mijn ‘noodgedwongen’ vrije dag (manlief moest werken, Bloem kon naar de opvang – alleen Bonkje had vakantie) kwam eigenlijk als geroepen. Eindelijk weer eens tijd om met zijn tweetjes iets te doen en mijn aandacht niet te hoeven verdelen.

Na afloop heeft Bonkje nog een paar snoepjes over, zo zuinig is ze er op geweest. Ik krijg er ook nog één, want mijn snoepjes zijn allang op en dat vindt ze zielig.
‘We hebben nog wat tijd over voor we Bloem moeten ophalen, vind je het leuk om nog even naar de hei te gaan of wil je liever naar huis?’
Ze kiest voor het laatste. Lekker nog even samen thuis, want ‘we hebben al iets superleuks gedaan’.

*****
Recensie ‘Rio’ op filmtotaal.nl
Rio-Trailer FoxMovies

Zweefvliegen

Misschien heb ik het maar één keer gedaan, maar in mijn herinnering probeerde ik het regelmatig: van mijn bureau op mijn bed springen. Stiekem hoopte ik namelijk dat ik dan opeens zou kunnen vliegen. Maar het bleef bij een droom. Op andere momenten was ik trouwens blij dat mijn fantasie geen werkelijkheid werd… en dat er echt geen krokodil onder mijn bed lag.

Vrij als een vogel
Het lijkt me nog steeds geweldig om te kunnen vliegen. Op de veerboot van of naar de wadden kan ik met genoegen kijken naar de meeuwen – hoe ze telkens de beste luchtstroom opzoeken om zich er vervolgens helemaal aan over te geven en door mee te laten voeren.

Toen ik in december op mijn werk een eindejaarsgeschenk kreeg en zag dat ik voor een zweefvliegvlucht kon kiezen, hoefde ik dan ook niet lang na te denken. En manlief, Bonkje en Bloem moesten natuurlijk mee.

‘Circa 15:00 uur’
Van te voren was ik bang dat we niet op tijd bij het veld zouden aankomen – ik werd ‘om ca. 15:00 uur’ op het veld in de buurt van Biddinghuizen verwacht – maar dat bleek achteraf nergens voor nodig te zijn geweest. Tja – het woordje ‘circa’ had me kunnen waarschuwen.

Klokslag drie uur stonden we naast het clubgebouw van zweefvliegclub Flevo. Vrijwel meteen kwam er iemand naar ons toe die mij mee zou nemen naar het veld. Mijn supporters mochten gelukkig ook mee. Speciaal voor hen en de kinderwagen werd er een tweede chauffeur opgetrommeld – met een iets minder rammelende auto.

Middenin een weiland met rode tuinstoelen
Over een verharde strook door het weiland werden we naar het startveld gereden, waar een zweefvliegtuig op één vleugel in het gras lag en al snel een tweede toestel landde.

In een klein houten keetje zat iemand achter een soort mengpaneel/ radio en rondom het keetje zaten een aantal mensen op rode tuinstoelen. Ze leken elkaar allemaal te kennen.

Degene die me had gereden liep met me naar het tweezitstoestel dat zoëven geland was en gaf wat uitleg over de instrumenten. Jammer genoeg zagen we ook een hoopje braaksel liggen op de passagiersstoel, waardoor ik me plotseling wat zorgen maakte over wat me nog te wachten stond.

Maar voor ik die vraag kon beantwoorden moesten we nog wel wat geduld hebben. Terwijl manlief zichzelf verweet dat hij vergeten was een bal mee te nemen voor Bonkje, voelde ik me steeds schuldiger dat ze ik ze had meegesleept en dat ze door mijn toedoen in de brandende zon de tijd moesten doden op een stukje gras, een klein beetje aarde en een stukje beton.

Cameravrouw
Voor de verveling echt toesloeg, had manlief gelukkig het briljante idee om Bonkje te vragen of zij alles wilde filmen – hetgeen ze trots aanvaardde. Het voordeel was ook dat we alleen haar zo’n verantwoordelijke taak konden geven, waardoor ze duidelijk voordeel had van de zes jaar leeftijdsverschil met haar zusje.

De piloot
Na ongeveer drie kwartier werd duidelijk dat ik als passagier met een man mee zou gaan die een aantal jaren geleden was begonnen met zweefvliegen toen zijn zoon van 14 het ging doen. Zijn zoon was er inmiddels weer mee gestopt, maar hij was blijven vliegen.

Hij vertelde dat je voor het halen van je brevet onder andere vier keer – als ik het goed heb onthouden – exact binnen een vooraf aangewezen vierkant in het weiland moest landen. Ook bleek dat je eerst een bepaald brevet moet hebben voor je met passagiers mag vliegen  (Glider Pilot License). Toch prettig om te weten als je als leek geen idee hebt hoeveel controle je kunt uitoefenen in en over een zweefvliegtuig – en van wie je afhankelijk bent.

PH-1433
Toen een kwartier later het toestel – een DG-1000, die ook kan worden gebruikt voor aerobatics en overlandvluchten  – waarin wij zouden vliegen was geland, nam hij me mee naar het toestel, hielp me bij het vastklikken van mijn parachute en legde uit hoe alles werkte en welke informatie ik op de meters af kon lezen (o.a. het aantal meter per seconde dat je stijgt of daalt en de hoogte).

Ik was blij dat dit de piloot was die met mij de lucht in zou gaan en niet één van de twee mannen van wie ik in middels de indruk had dat zij instructeurs waren. Niet alleen had volgens mij één van hen met de onfortuinlijke passagier uit het andere toestel gevlogen; maar de gesprekken die ze onderling voerden en het commentaar dat ze gaven op de landing van een (?) leerling, deed me vermoeden dat ze in de lucht misschien iets te veel geneigd zouden zijn tot het uithalen van stunts.

De lucht in
Eindelijk, eindelijk – na een paar diepe verzuchtingen van de cameravrouw ‘het duurt wel lang voor ze opstijgen……. gáán, gáán!’ en wat vermoeid gejengel van Bloem, is het dan zo ver. Bijna anderhalf uur nadat we bij het clubgebouw aankwamen, weet ik hoe het voelt om in een zweefvliegtuig door een stalen lierkabel van ruim een kilometer lang, steil de lucht in getrokken te worden. En vooral: hoe het voelt als het vliegtuig en de lier worden losgekoppeld.

Vanaf de grond zijn we al snel niet meer zichtbaar en gaat het wachten weer verder. Gelukkig heeft manlief voor Bloem – die eigenlijk hard aan een middagdutje toe is – nog een doosje rozijntjes achter de hand. Intens tevreden peutert ze die één voor één uit het doosje en nog tevredener stopt ze ze daarna in haar mond. Voor Bonkje is er een lollie – en dat is feest, want die krijgt ze alleen wel eens als er iemand trakteert.

Hoger… en verder
Hoe het was? Ik vond het heel bijzonder om een keer mee te maken. Toen we eenmaal los waren van de lier, kon ik nauwelijks geloven dat we echt alleen ‘op de lucht’ vlogen – en dat deden we, zo’n 25 minuten lang. Het was ook heel wonderlijk dat je gewoon met elkaar kon praten.

Ik kan me voorstellen dat het een kick geeft om goede luchtbellen te zoeken en zo hoog mogelijk te klimmen, al denk ik dat ik wel snel ongeduldig zou worden en overlandvluchten zou willen gaan maken. Ik vind polders namelijk al snel eentonig worden. Wat dat betreft zou ik het waarschijnlijk pas echt geweldig vinden om in de bergen te vliegen.

Beetje misselijk
Maar als ik, ook als ik zelf zou vliegen, telkens dezelfde graad van misselijkheid zou bereiken als nu het geval was, dan zou ik waarschijnlijk niet zo ver komen. Ik kon me wel iets voorstellen bij de passagier die in het andere toestel mee had gevlogen. Het heeft na afloop ongeveer een uur geduurd voor ik weer iets anders durfde te drinken dan water. En aan eten had ik al helemaal geen behoefte (wat dat betreft zou ik het elke dag moeten doen).

Manlief, Bonkje en Bloem: dank jullie wel voor het meegaan, voor het lange geduld hebben, het filmen en het mooie commentaar bij de film!
Piloot van ZC Flevo: bedankt voor alle uitleg, de leuke (rustige!) vlucht en de veilige landing.

Foto

De linkerhelft van de foto wordt in beslag genomen door de helft van een gezicht en de romp van een man. Hij is gekleed in een gele jas, op het eerste gezicht een soort regenjas; draagt een wit mondkapje, dat met een touwtje of elastiekje achter zijn oor is gehaakt, en een wit mutsje. Onder het mutsje is nog net een stukje bakkebaard zichtbaar, één wenkbrauw en één oog. De bril van de man steekt half over het mondkapje heen.

De andere helft van zijn gezicht gaat schuil achter zijn gehandschoende hand. In die hand houdt hij een in plastic gehuld zilverkleurig apparaatje vast dat nog het meest denken aan een ouderwetse koplamp van een fiets, ware het niet dat er een lang zwart snoer aan vast zit met een knoop erin.

De man houdt de koplamp een paar centimeter boven een donker, donsachtig laagje haar. Het zijn de haartjes van een klein Japans ukkie. Het kindje, in een roze fleecejasje, kijkt opzij. Donkere oogjes onder iets lichtere, hele fijne, wenkbrauwen. Een mooi klein, beetje plat neusje; bolle rode wangetjes en het mondje iets open. Eén opengespreid handje in de lucht.

‘In Nihonmatsu, in het noorden van Japan in de buurt van Fukushima, wordt een baby getest op straling.’ Foto Reuters – luidt het onderschrift in het NRC.

De afgelopen dagen heb ik het nieuws over Japan vol ongeloof gevolgd. Hoeveel rampen achter elkaar kan een mens dragen? Ik zag het ene na het andere beeld van enorme ravage en verwoesting. En ik vond het erg voor de mensen daar. En ik was blij dat we hier geen grote breuklijnen hebben. En dat onze dijken al een halve eeuw standhouden. Maar écht binnenkomen deed het niet. Tot vandaag. Tot deze foto.

Deze foto is raak.
Kippenvel.

Godzijdank liggen mijn dochters prinsheerlijk te slapen. Ver van alle onheil in Japan vandaan.

*****
Op de site van het NRC kon ik de betreffende foto niet vinden, wel vond ik een iets andere uitsnede van de foto (in de breedte in plaats van in de lengte) op de site van The Times. De versie in NRC Handelsblad vind ik nog schrijnender, waarschijnlijk door het contrast van de man in zijn ‘anti-stralingspak’ en het kwetsbare, nietsvermoedende kind – een baby nog maar. Op de website van het NRC stond wel een foto van het AP, Asahi Shimbun, met hetzelfde onderwerp.

Piepei

Toen ik klein was mocht ik rond Pasen altijd eieren verven met mijn moeder. Ik geloof dat we sommige eieren met de hand versierden, maar het grootste deel van de eieren verfden we met tabletjes die  je in de pan bij de eieren moest laten oplossen en die zo hun kleur verspreidden. Blauw, groen, geel, rood – misschien waren er nog meer kleuren, maar dat kan ik me niet herinneren. Ik weet wel dat ik het heel fascinerend vond en ik kan ook nog de schaal voor me zien waarin ze daarna op de met narcissen versierde tafel stonden.

Het laatste jaar waarin we eieren hebben geverfd, koos mijn moeder bij het ontbijt een ei uit dat mooi oranje-geel was van binnen. Ik had minder geluk met mijn (geel-groene) ei.  Ik pakte nog een ei, in de hoop net zo’n mooi ei te treffen als mijn moeder, maar het zat niet mee. Het zou verstandig zijn geweest om op dat punt te stoppen, maar in mijn hoofd klonk een narrig stemmetje, dat zei: ik eet net zo lang door tot ik een lekker ei tref!

Hoeveel eieren ik daarna nog heb gegeten, weet ik niet meer. Ik heb het idee dat het er heel veel waren, al kan ik me eigenlijk niet voorstellen dat mijn moeder dat goed zou hebben gevonden. Ik kan me ook niet meer herinneren of ik aan het einde van een rit nog een mooi ei heb bemachtigd, maar lekker zal ik zelfs een mooi ei op dat punt niet meer hebben gevonden.

Het gevolg van mijn dwangmatige eetzoektocht naar een oranje-geel ei is dat ik sindsdien vrijwel nooit meer een gekookt ei eet. Bizar eigenlijk, dat zoiets sufs nog jarenlang zo’n impact kan hebben.  Jammer ook dat het me met chocola en andersoortige ongezonde verleidingen nog nooit is gelukt om datzelfde resultaat te bereiken. En nee – voor ik mezelf op verkeerde ideeën breng – dat betekent níet dat ik nog nooit genoeg chocola achter elkaar heb gegeten.

Maar het ging over eieren. Goedgelukte eieren en hardgekookte eieren. En dat ik niet van hardgekookte eieren hou. Of althans: dacht te houden, want sinds kort weet ik dat wat ik onder een hardgekookt ei verstond, helemaal geen hardgekookt ei is, maar een te-hardgekookt ei. Een hardgekookt ei dat ik uit de pan haal als ons ‘Delfter piepei’ de eerste noten van het Wilhelmus nabootst, is namelijk niet geel-groen; maar machtig mooi oranje-geel. Of ik nu vaker een gekookt ei ga eten? Wie weet…

Nooit van een piepei gehoord? Zie dan dit filmpje van het kanaal Dutch Heritage op YouTube:

Hondenleven

Na Zoeff is nu ook Zoeffs halfzusje Bologna er niet meer. In september moesten mijn schoonouders haar laten inslapen.

Toen wij Zoeff kregen was ze al drie. We hebben ons vaak afgevraagd en voorgesteld hoe ze als pup moet zijn geweest, maar we hebben haar nooit als pup gekend. Bologna wel. En nu is ze dood. Mijn gevoel protesteert: zo hoort het helemaal niet te gaan! Hoe kan een levend wezen dat je vrijwel vanaf haar geboorte hebt gekend, nú al doodgaan? Dit klopt niet, dat is niet de juiste volgorde! Ik huiver als ik bedenk wat mensen die niet hun huisdier maar hun kínd verliezen moeten doormaken…

Bologna. Met haar sprongetjes deed ze me soms nog het meest aan een dartelend hert denken. Altijd blij, altijd in voor een spelletje. Helaas voor haar had Zoeff daar meestal geen zin in, al hebben ze één keer met zijn tweeën een konijn gevangen. Het konijn mankeerde gelukkig niets, maar ik heb me vaak afgevraagd of het arme beest later niet aan stress isbezweken.

Boxers Zoeff & Bologna
Zoeff & Bologna

Bologna was niet zo groot, maar compenseerde dat met haar snelheid. Menige hond raakte in een moment van onoplettendheid zijn bal kwijt als Bologna in de buurt was. Behalve snel was ze ook pienter. Hoe pienter precies, ontdekte ik een keer toen ze bij ons logeerde nadat Zoeff al dood was.

Onze buren waren hun huis aan het uitbouwen en hun aannemer ging precies in de week dat Bologna kwam logeren, met veel geweld en oorverdovende herrie de zware betonnen fundering van een oud schuurtje te lijf. Het stomme was dat de buren met de planning van de werkzaamheden juist rekening hadden gehouden met ons. Ik was namelijk hoogzwanger van Bloem – en zij hadden speciaal een aannemer gekozen die had toegezegd dat hij vóór mijn uitgerekende datum klaar zou zijn. Wel zo prettig, want bevallen bij dat kabaal – nee, daar moest ik niet aan denken.

Nu pakte dat op zijn zachtst gezegd echter een beetje ongelukkig uit. Manlief en ik probeerden zo laat mogelijk van huis weg te gaan en zo vroeg mogelijk terug te komen, maar we moesten tussendoor echt naar ons werk – dus de arme Bologna had het zwaar te verduren. We probeerden haar zoveel mogelijk bij de herrie vandaan te houden door haar mand in de hal te zetten, met de tussendeur dicht. Zoeff lag ook altijd in de hal als wij van huis gingen zonder haar – zij het dat we het bij haar deden zodat ze niet op de bank zou gaan liggen – en dat was altijd goed gegaan. Toen ik ergens die week samen met Bonkje thuiskwam en een open voordeur aantrof en in de hal een lege mand, wist ik dan ook niet hoe ik het had. Waar ik normaal gesproken waarschijnlijk panisch zou zijn geweest bij de gedachte dat er misschien wel inbrekers binnen waren geweest, speelden zich in mijn hoofd nu alleen maar doemscenario’s af waarin Bologna de hoofdrol speelde. Bonkje dacht gelukkig nog niet zo ver door en vond het vooral grappig dat Bologna de voordeur open gekregen had en was ontsnapt.

Om de een of andere reden wierp ik voor we aan onze zoektocht door de buurt begonnen, snel nog even een blik in de achtertuin. Gelukkig maar, want wie zat daar pontificaal voor de deur? Juist.
Hoe lang ze is weggeweest en wat ze in die tussentijd heeft gedaan heeft ze ons helaas nooit verteld, maar ze had tot mijn immense opluchting de weg naar ons huis weer gevonden – zij het dan dat ze nu aan de achterkant was beland in plaats van aan de voorkant; maar misschien was dat wel bewust – wie zal het zeggen…

Later die week schoot ze nog een keer langs manlief en Bonkje de tuin uit toen ze ’s morgens op het punt stonden weg te gaan. Fijn, zo’n voorschoolse activiteit – zeker als je weet hoe het er hier ’s morgens gaat (Manlief is veel geduldiger, bij mij gaat het ongevee

r zo: ‘Sta nou eens stil, zo kan ik geen scheiding maken! Eet nou eens door! Heb je je drinken al op? Niet zo treuzelen! Hup, tanden poetsen, anders kom je te laat! Bonkje! Hoe vaak moet ik het nu nog zeggen!)… Gelukkig vonden manlief en Bonkje haar ook toen weer heelhuids terug terug. En door de voordeur ontsnappen zou haar niet nog een keer lukken, want die draaiden we nu uit voorzorg goed op slot. De eerste keer dat Bologna na haar logeerpartij weer op visite kwam, waren we bang dat ze helemaal niet meer naar binnen zou willen vanwege alle wilde avonturen die ze had beleefd, maar blijkbaar had ze er geen trauma aan over gehouden, want ze liep weer naar binnen alsof er nooit iets aan de hand was geweest.

En nu? Volgens Bonkje zitten Zoeff en Bologna nu vanuit de hemel gezellig naar ons te kijken. Al was ze er nog niet helemaal over uit of ze naast elkaar zitten, of dat Zoeff boven ons huis (boven de eettafel om precies te zijn) – en Bologna boven dat van haar opa en oma zit.

Wildwesttaferelen bij Albert Heijn

Zaterdagmiddag half vijf. Met Bloem in de wandelwagen en een huppelende Bonkje naast me loop ik Albert Heijn in.
‘Wat is hier aan de hand?’ vraag ik mezelf hardop af.
Bonkje is niet geïnteresseerd – ze heeft alleen oog voor de tv in het kinderhoekje, waar fragmenten uit Disneyfilms worden getoond.
‘Mag ik hier blijven?’ Ja, dat mag.

Ik loop door het klaphekje en kijk om me heen.
In gedachten zie ik het boodschappenlijstje in mijn hoofd.
Appels. Zijn er niet. Kiwi’s. Zijn er niet. Peren. Zijn er niet. Mandarijnen? Nee.
Tomaten. Zijn er niet. Paprika’s. Zijn er niet. De schappen zijn leeg. Het lijkt wel oorlog.
Daar, daar ligt nog wat.
Besluiteloos staar ik naar de voorgebakken poffertjes, een handjevol stoommaaltijden en een paar zielige pakjes rauwkost.
‘Wel bijzonder boodschappen doen zo’, zeg ik tegen een meneer naast me.
‘Ja’, zegt hij, ‘het is een beetje moeilijk kiezen’.
‘Hoezo, het kiezen wordt ons toch juist veel makkelijker gemaakt?’
Hij grinnikt.

Al improviserend loop ik verder. Zelfs de schappen met ingeblikte groenten zien eruit alsof iedereen massaal aan het hamsteren is geslagen, maar al met al kan ik nog een redelijk samenhangende maaltijd bij elkaar verzamelen. Bij de kassa wacht een nieuwe verrassing.
Ik leg mijn boodschappen op de lopende band en vraag me voor de tweede keer af wat er in vredesnaam aan de hand is.
De enorme massa mensen net voorbij de kassa lijkt nog het meest op een krioelende mierenhoop.
Even vang ik een glimp op van een stapel kratten.
Rechts van me hoor ik een medewerker van Albert Heijn met kaas en vleeswaren leuren. Drogeboerenworst, wie? Hier, neem mee. Alles moet weg.
Mannen, vrouwen, jongens, meisjes – iedereen verdringt elkaar om toch vooral de beste slag te slaan.
Zo gaat het al de hele middag, zegt de kassière. Ze delen alles uit dat bederfelijk is. Gratis. Omdat we gaan verbouwen. Ik heb er gewoon koppijn van.

Ik pak mijn niet-gratis-boodschappen in en weet nog net te verhinderen dat een mevrouw in duur uitziende kleren bovenop Bloem belandt. Bloem kijkt wat verschrikt, maar de mevrouw heeft er nauwelijks erg in – zo gespitst is ze op de plek waar de waanzin regeert.
Met moeite baan ik me met de wagen tussen de maaiende en graaiende ledematen door. Uit mijn ooghoek zie ik een krat met zuivel. Ik steek mijn arm opzij en weet zowaar een pak vla te bemachtigen. Ha, toch nog een toetje. Dan sta ik bij Bonkje in het veilige kinderhoekje. Ze zit bijna met haar neus in het tv-toestel om in alle tumult nog iets te kunnen verstaan.
‘Kom’, zeg ik, ‘we gaan. Hou mij en de wagen goed vast, want ik wil je niet kwijtraken’.

Terwijl we beetje bij beetje de uitgang naderen, vang ik nog net een flard van een gesprek op van twee jongens en meisje van begin twintig.
‘We doen dit al de hele middag’, zegt één van jongens. ‘We lopen de hele tijd op en neer. Ons vriesvak zit al helemaal vol. Hier, wil je ook een tas?’

Dan staan we buiten.
Opgelucht haal ik adem.

Mijlpalen

Tot ze één was zou ik kolven. Dat was mijn streven. En dat is gelukt.  Na haar eerste verjaardag ben ik ermee gestopt. En ik heb het nog geen moment gemist. Dat gesjouw met die tas. De onderbrekingen van mijn werk. De stress om een kolfplek te vinden als ik een keer elders moest zijn. Het ‘o néé’-gevoel als ik het koelelement vergeten was. Of de borstschilden. Het kille, mechanische geluid van het apparaat.

Tot ze één was wilde ik haar de borst geven. Of één jaar en een maand. Net als bij Bonkje.  Ze is nu één jaar en anderhalve maand. En ik probeer te stoppen. In de weekenden en op mijn vrije dag geef ik haar ’s middags al ‘gewone’ melk. En sinds een paar dagen leg ik haar ook rond etenstijd niet meer aan. Nu de avond-/nachtvoeding en ochtendvoeding nog…

Ze huilt. Manlief slaapt rustig door. Met het gevoel alsof ik een zombie ben wurm ik me uit bed, sleep ik me over de koude vloer naar Bloems kamertje, til haar op en neem haar mee. Voorzichtig leg ik haar neer en  kruip ik naast haar. Ze hoeft nauwelijks te zoeken naar mijn borst en licht hebben allang niet meer nodig. Er zijn tijden dat het pijnlijk is en dat ik klaarwakker lig, opgelucht als ze klaar is. Er zijn momenten waarop haar handjes blijven duwen en knijpen in mijn  borst, mijn wang, mijn neus, mijn ogen. Maar meestal is het heel gemoedelijk en dut ik even weg – totdat we van kant moeten wisselen.

Ik hou haar handje vast. Streel haar over haar donzen haartjes. Dut weer in. Als ze genoeg heeft gedronken breng ik haar weer naar haar bedje. Meestal slaapt ze dan snel weer door. Meestal.

Het is tijd om af te bouwen. Waarom? Verstandelijk vind ik het wel mooi zo. Ik wil eindelijk wel weer eens zonder beha aan kunnen slapen. Wil wel weer eens rustig een wijntje of biertje kunnen drinken. En hoewel ik borstvoeding geven heel mooi vind, zie ik het niet zitten om straks te eindigen met een rondlopende peuter – laat staan een kleuter – die te pas en te onpas even onder mama’s trui duikt voor een slokje. Ook is het  makkelijker haar uit een normale beker te leren drinken als we daar vaker mee kunnen oefenen; slaapt ze hopelijk beter door als ik geen borstvoeding meer geef en hoef ik me nooit meer zorgen te maken of het wel genoeg is. Want hoe lang ik ook al borstvoeding geef – die vraag begint de laatste tijd, nu ik overdag niet meer kolf of voed, toch weer te knagen.

Maar wat vind ik het moeilijk.
Zowel bij Bonkje als bij Bloem wilde ik heel graag borstvoeding geven. Beide keren kostte het de nodige wanhoop en frustratie  – maar ìs het gelukt. De keerzijde is wel dat ik het extra lastig vind om datgene waar ik zo hard voor hebt geknokt, weer los te laten. Om nog maar te zwijgen van een heel bijzonder stukje intimiteit waar ik afscheid van moet nemen. En exclusiviteit.

Stiekem denk ik dat ik het ook moeilijk vind om afscheid te nemen van de periode waarin ik als mama alleen nog maar fantastisch ben. Waarin alles wat ik doe of zeg geweldig is – en nog niet stom of oneerlijk of gemeen. Waarin Bloem nog baby is. Een babytje dat overal mijn hulp bij nodig heeft – en accepteert. En om de een of andere reden koppel ik dat ook aan het borstvoeding geven. Want als ik daar mee stop, tja, dan kan ik er toch eigenlijk ècht niet langer om heen dat ze baby-af is. Dat ze een kleine dreumes is geworden. Een kleine dreumes die steeds meer van de wereld aan het ontdekken is en tot haar grote verbazing ook de grenzen die daarbij horen.
– Nee, Bloem – uh -uh!
– Nee, dat mag niet.
– Bloem! Nee! Afblijven!

Wat vind ik het moeilijk.
Ik heb helemaal geen zin om politie-agent te moeten gaan spelen. Ik wil walhalla. Ik wil alleen maar ’ja!’ roepen en geen nee. Ik wil alleen maar knus en koek en ei en ze leefden nog lang en gelukkig. En de ongezellige plotwendingen die vaak aan dat ‘lang en gelukkig’ vooraf gaan, die sla ik gewoon over.

Afzetten en grenzen verkennen.
Afbakenen en grenzen stellen.
Het hoort er bij.
Ik kan enorm genieten van elk sprongetje.
Maar ik word er ook weemoedig van.

Mijlpalen.
Ze horen erbij.

Ik slik. En ik probeer extra te genieten van de momenten waarop ik haar voed. Even nog, heel even.202

De onjuiste spatie van 2010

Stemmen. Ik vind het niet alleen een recht maar ook een plicht. Als je niet stemt, mag je ook niet zeuren. Weet je niet op welke partij je moet stemmen? Lang leve de stem- en kieswijzers. En als je stemt kun je in ieder geval wat weerwerk bieden tegen de partij(en) waar je helemaal niet achter staat.

Bij sommige verkiezingen vind ik het ’gewoon leuk’ om te stemmen, al blijft het soms lastig om een keus te maken. Zo ook bij de verkiezing van de onjuiste spatie van 2010. De eerste twee nominaties vind ik het leukst:

Nominatie 1: ‘dames 3 in 1 jas’ oftewel drie dames in een jas.
Dat lijkt me vragen om eetstoornissen.

Nominatie 2: ‘versier nijntje – nijntje kussen 5 euro’.
Nooit gedacht dat de hoofdcreatie van Dick Bruna zich zo goedkoop zou laten strikken…

Na lang twijfelen heb ik echter gekozen voor de derde nominatie, die ik het meest kwalijk vind. In het ‘Referentiekader taal en rekenen’ van het ministerie van OCW, staat onder het kopje ’Regels voor woordgrenzen’ de pijnlijke fout  ‘aaneen- en losschrijven van woorden’, waarbij ‘losschrijven’ los geschreven had moeten worden. Tja, op die manier wordt het natuurlijk nooit wat met de basiskennis van de Nederlandse taal.

Bij het uitbrengen van mijn stem heb ik ook een suggestie gedaan voor een toepasselijke prijs:  een ’Taalreferentiekader voor medewerkers van het ministerie van OCW’.

***
Update: ‘Nijntje kussen’ heeft gewonnen. Leuk!

***
Zie ook:
Het jaaroverzicht spatiegebruik 2010 op de website SOS (of doe de spatietoets).
De onjuiste spatie van 2009: vorig jaar won een voorbeeld dat ik had opgestuurd. Dit jaar heb ik ook regelmatig onjuiste spaties gesignaleerd, maar helaas – of gelukkig – was er niet één zo hilarisch als ‘losgeld’.

Wintertijd

Eindelijk gerechtigheid – eindelijk het uur weer terug dat ons in het voorjaar is afgepikt!
Eén dag geniet ik met volle teugen. Maar de volgende dag kan ik er niet langer omheen.

Twee weken eerder ben ik al gezwicht en heb ik mijn zomerjas omgeruild voor mijn winterjas. Zo voelt het tenminste. Net alsof ik de zomer langer vast kan houden zolang ik niet toegeef aan de kou. ‘Als ik het negeer, is het er niet’. Wensdenken heet zoiets.
Tot ik er genoeg van heb. Goed, ik geef me gewonnen. Maar ik sla terug. Want ik heb genoeg van mooie, lange winterjassen waarin je de hele winter loopt te koukleumen. Jassen die tussen je spaken komen bij het fietsen, waar je over struikelt als je de trap oploopt en die een magische aantrekkingskracht op hondenharen lijken te hebben. Al is dat laatste na Zoeffs dood misschien niet zo’n sterk argument meer.

Ik koop een halflang jack dat met een dubbele rits. En een binnenzak. (Ik heb een binnenzak!) Inwending grijnzend sta ik op het perron. Ha, daar heb je niet van terug met je stomme koude wind. Om me heen staan een paar vrouwen te bibberen in hun mooie lange winterjassen. Sneu voor ze. Maar ook een beetje dom. Tevreden verschuil ik me nog wat verder in de kraag van mijn jack.

Wat zou het mooi zijn als de slag daarmee gewonnen was. Maar de strijd is nog lang niet gestreden. En deze klap komt hard aan.
Het is donker als ik opsta om naar mijn werk te gaan.
Het is donker als ik van mijn werk naar het station fiets.

Bah, wat heb ik een hekel aan die lange donkere dagen. Misschien komt het ook wel doordat mijn lijf automatisch naar een verhoogde staat van paraatheid overschakelt als ik in het donker over straat moet. Geluiden en bewegingen die ik zou negeren als het licht is, worden geregistreerd en gecategoriseerd. Normaal – afwijkend. Onbekenden op straat idemdito. Betrouwbaar – onbetrouwbaar.

Toen ik jaren geleden eens aan manlief – toen nog vriendlief – vertelde dat ik in het donker op stille stukken onwillekeurig alle mannen als potentiële verkrachters beschouw ‘totdat het tegendeel is bewezen’, was hij met stomheid geslagen. Maar ja, hij is dan ook nog nooit achtervolgd of lastig gevallen.

Ik zet het beeld van de schijnbaar eindeloze weg die nog afgelegd moet worden voor de dagen weer gaan lengen, uit mijn hoofd. Ik heb een fijn winterjack, vermijd de stille stukken zoveel mogelijk en als ik thuiskom kan ik mijn drie schatten in mijn armen sluiten. Met een warm gevoel van binnen fiets ik verder.

Verjaardagscadeau

Bonkje heeft het er al weken over.
– Eén worden is heel bijzonder. Veel bijzonderder dan zeven.
–  Ik vind zeven ook heel bijzonder.
– Ja, maar als je één wordt, ben je daarvoor niets – want dan ben je nul!

En telkens komt ze weer iets nieuws laten zien. Kijk! Dit heb ik voor Bloem gemaakt! Het zijn geen afgeraffelde werkjes, zoals ze ze ook wel kan maken als ze niet zo veel zin heeft, nee – het zijn leuke dingen. Een doos versierd met zelfgemaakt pakpapier om alles in te doen: heel veel tekeningen op kleine en grote blaadjes, een ‘kleurplaatenboek’ voor als Bloem groter is, en voor op haar verjaardag een stoelversiering en vier kleurrijke vlaggen aan een touwtje.  Mooi getekend, mooi ingekleurd, mooi geknutseld, mooi geschreven. Geen schots-en-scheve blokletters, maar echte ’schrijfletters’, waar ze duidelijk haar best op heeft gedaan.

Wat ze ook al weken van tevoren weet, is dat ze een cadeau voor Bloem wil kopen van haar eigen zakgeld. Een week voor Bloems verjaardag gaan we met zijn allen naar de speelgoedwinkel. Eindelijk! Trots neemt ze haar grotemensenportemonnee – gekregen op haar eigen verjaardag – mee. Het is al snel duidelijk dat Bonkje het ’dashboard’ met een stuurtje, richtingaanwijzer, versnellingsbak en contactsleutel het allermooist vindt. Geluiden, knipperende lichtjes en een mini-autootje voorop het dashboard dat meebeweegt als je stuurt – dát wil ze  aan haar zusje geven. Van haar eigen zakgeld – €0,50 per week.
– Dat kost wel heel veel, vind je dat niet jammer?
Nee, dat vindt ze niet jammer.
Ze heeft ongeveer dertig euro aan zak- en spaargeld bij elkaar.
Het dashboard kost twintig euro.
– Zullen papa en mama dan de helft betalen? Want het is wel heel erg duur.
Ja, dat mag.
– Maar tien euro is nog steeds veel geld. Weet je het echt zeker?
Ja, ze weet het zeker!

Zondag is het eindelijk zover. Zingend staan we om het bedje van de jarige heen, die ons eerst wat glazig aankijkt maar dan begint te lachen. Nadat we haar hebben verschoond mag ze mee naar het grote bed. Daar haalt Bonkje het ene na het andere elastiekje van de tekeningen om ze blij aan haar kleine zus te laten zien. Bloem heeft gelukkig een uur geleden al wat gedronken en is in een goede stemming. Manlief en ik hoeven niet al te veel te doen om Bloems aandacht op Bonkje gericht te houden.

Als alle knutselwerken zijn onthuld, geeft Bonkje haar het cadeau dat ze in de winkel heeft gekocht. Dat vindt Bloem wel interessant. Een groot pak waar je leuk op kunt slaan. Bonkje vindt dat Bloem er niet op moet slaan, maar het open moet maken.
– Help haar maar een beetje.
Dat doet Bonkje. En ja, nu heeft Bloem ook een stukje papier afgescheurd, maar daarna begint ze weer op de doos te trommelen. Als Bonkje aanstalten maakt om te veel en te snel af te scheuren moeten we haar even afremmen.
– Laat Bloem maar even, het is haar cadeau.
Oei, dat valt niet mee – het gaat Bonkje véél te traag! Gelukkig wordt haar geduld beloond en komt het cadeau uiteindelijk toch tevoorschijn.

– Kijk Bloem!
Bonkje laat zien hoe alles werkt.
– Nee, Bloem, zó! Ja, zo!
En ze doet het nog eens voor. En nog eens. Het is ook wel heel verleidelijk, met al die knopjes, lichtjes en geluidjes. Verleidelijk en… hard. Om de een of andere reden klonk het in de winkel nog veel minder hard.
– Zo, laat Bloem het nu maar even zelf proberen.
Bonkjes handen jeuken – ze zou er het liefst zelf mee willen blijven spelen.

Na alle cadeaus van Bonkje, zit Bloem wel een beetje aan haar tax en gaan we eerst maar even naar beneden om te ontbijten. Bloem kijkt verwonderd omhoog, naar de ballonnen en de slingers. Blij wijst Bonkje haar de slinger aan die zíj gemaakt heeft.

’s Middags, als oma en opa er zijn (mijn schoonouders zijn allebei ziek – waarschijnlijk eerder die week aangestoken door Bloem, die zelf net weer beter is. Bonkje is ook ziek geweest maar lijkt redelijk hersteld en manlief doorstaat de festiviteiten manhaftig ondanks de koorts), zingen we nog een keer voor Bloem en snijden we de verjaardagstaart aan. Bloem zit te trappelen van ongeduld in haar kinderstoel. En omdat Bonkje toen ze één jaar werd een stukje taart kreeg waar ze met haar handjes in mocht slaan, mag Bloem dat nu ook. Anders is het niet eerlijk, vindt Bonkje.

Dus hou ik Bloem een bordje voor met een eigen stukje taart erop. Ze aarzelt geen moment. Hoezo handjes? Die heb je toch helemaal niet nodig! Ze buigt zich voorover en neemt een flinke hap uit de taart. Intens tevreden zit te eten. Dat haar gezicht vol slagroom zit, maakt haar niets uit – mmm, dat is lekker! Ze zwaait met haar armen en duikt naar voren voor een nieuwe hap.

Bonkje stikt bijna van het lachen – de tranen lopen over haar wangen. Wij moeten ook wel erg lachen, maar na een paar happen veeg ik Bloems snoet toch maar schoon en voer ik haar de rest met een lepel. Bloem vindt alles best. En ook Bonkje is helemaal voldaan. Haar zusjes eerste verjaardag zal ze niet snel vergeten.