Stempelen, schaatsfanaten en spijt – deel II

Hieronder het vervolg van mijn stukje van gisteren: Stempelen, schaatsfanaten en spijt.

Plotseling komt er een eind aan de rietkragen. De route gaat rechtsaf, een breed kanaal op, langs een drukke doorgaande weg. Zo te zien is het ook een heel lang kanaal en moet ik straks het hele stuk weer terugrijden. Ik betrap mezelf op een licht gevoel van … spijt? Nee, welnee! Ik hou alleen niet zo van die lange, rechte stukken – dat wordt zo snel eentonig.

Toch ben ik verdacht blij als vlak voor een sluis de derde stempelpost in zicht komt. Tijd voor een pauze? Om mij heen strijken schaatsers op houten paaltjes langs het weiland neer en komen de boterhammen en thermosflessen tevoorschijn. Ik begin zo langzamerhand ook trek te krijgen, maar helaas is er geen koek of zopie tent te bekennen. Door naar de volgende post dan maar – daar is vast wel iets te krijgen.

Volgens de meneer van stempelpost drie heb ik reeds 9 km gereden. Niet zo gek dat ik wat vermoeid begin te raken, want bij mijn eerste rondje opgeteld zijn het er dus al 19. Oh, ik ben dus al over de helft. De helft van 35 km. Dat inzicht geeft Schaatsfanaat weer moed en mevrouw Spijt, die eigenlijk dacht dat ze het spel al gewonnen had, moet lijdzaam toezien hoe Schaatsfanaat zich zelfs niet uit het veld laat slaan door de tegenwind.

“Kijk, Spijt! Dat is toch een prachtig gezicht – die molen, de mensen, de zon die warempel even doorbreekt. Zelfs de koplampen van de auto’s op de naastgelegen weg misstaan niet in het plaatje!”
“Humpf! Als ik zonodig koplampen wil zien hoef ik echt niet helemaal hier naar toe!”

Ik maak een foto en schaats verder. Tijdens het schaatsen hou ik nauwlettend het ijs in de gaten, want er zitten af en toe lelijke scheuren in. Zodra ik iets verdachts zie rem ik af en waar mogelijk schaats ik naast het meest gebruikte spoor. Het ijs is daar vaak net iets beter te zien doordat er minder ijssplinters op liggen. Mijn tempo ligt inmiddels een stuk lager dan aan het begin van de dag. De eerste kluunplek komt als geroepen – het is een mooie doorbreking van dit lange stuk en mijn spieren kunnen even tot een beetje tot rust komen.

Omhoog moeten we, de Kortenhoefsedijk op – en over. De verkeersregelaar staat op zijn noren en met een fluorescerend hesje aan de verkeersstromen in goede banen te leiden. Kluners, auto’s, kluners, auto’s. Hij heeft een mooie, rustige slag te pakken.

Aan de andere zijde moeten we weer omlaag. Ondanks de steunbalk waar angsthazen zoals ik zich tijdens het dalen aan vast kunnen klampen, krijg ik het onderaan de dijk voor elkaar om mijn beide schaatsbeschermers in de blubber te verliezen. Nu zitten dus niet alleen mijn beschermers, maar ook mijn (eens) witte kunstschaatsen onder de modder. Terwijl ik de boel op het ijs enigszins schoon probeer te vegen, zie ik diverse schaatsers soepel de dijk afdalen. Zonder balk. Onderaan de dijk halen ze hun nauwelijks vuil geworden beschermers van hun schone schaatsen en fluitend verdwijnen ze uit zicht. Links, rechts, links, rechts…

 

Stiekem vindt Schaatsfanaat het wel een mooi avontuur, dat klunen. Geweldig toch? En ach, dat beetje modder gaat er thuis onder de kraan wel vanaf. En als na het laatste stuk  de vierde stempelpost in zicht komt, kan de dag helemaal niet meer stuk. Als ik ’s avonds mijn stempelkaart bestudeer, bedenk ik dat het alleen deze stempelpost geweest kan zijn die de naam “Het Hemeltje” heeft gekregen. Dat ook hier geen koek en zopie verkrijgbaar is, doet er niet meer toe. Het kan nu niet ver meer zijn. En inderdaad – misschien verbeeld ik het me, maar zodra we van het kanaal afbuigen, terug de plassen op, lijkt het veel sneller te gaan. Van de plas komen we op een smalle boerensloot terecht en we mogen nog één keer klunen. Het is een mooi contrast met de plassen, dit slootje. Langs een hooiberg en schapen met een bruine vacht, langs het punt waar mensen die bij Kraaiennest gestart zijn kunnen afbuigen.

En opeens herken ik het weer – op dit punt komen de 10- en 25 kilometerroute weer samen. Ik lach als ik het bord naar de ijsbaan zie staan en laat me geen tweede keer in verwarring brengen door de rood-groen-gele pijl die rechtdoor wijst. Nog een derde rondje? Nee. Zelfs Schaatsfanaat vindt het wel mooi zo.

Op naar de tweede medaille. Even schrik ik – de laatste stempelpost is verdwenen? Zouden de medailles op zijn? Nee, de stempelpost is alleen verplaatst. Waarschijnlijk vanwege de plas water die zich voor de post op het ijs gevormd had.

Zo blij als een kind klem ik mijn tweede medaille van de dag even later in mijn hand. Ja, ook hier wil ik een lintje bij. Het kan me niets schelen dat één Euro misschien wat overdreven is voor een lintje. Ik heb een mooie tocht, nee, twéé mooie tochten geschaatst. En de organisatie mag daar best ook nog iets aan verdienen. Met een beetje pech moeten ze hier weer twaalf jaar op teren. Bovendien laat ik de koek en zopie weer aan me voorbij gaan, want met een beetje geluk kan ik de bus – die maar één keer per uur rijdt, misschien nog net halen.

Helaas, dat dachten meerdere mensen met mij. Eén meneer staat er al 50 minuten. Na nog eens 15? 20? minuten wachten is iedereen het erover eens: de bus komt echt niet meer. Noch de bus naar Hilversum, noch de bus naar Weesp. Massaal slaat iedereen aan het liften. Als bijna iedereen een lift heeft gevonden besluit ik het er ook maar op te wagen. Tijdens het schaatsen was ik lekker opgewarmd, maar ik ben inmiddels tot op het bot verkleumd.

Ik hoef niet lang te wachten. Een aardige meneer uit Amersfoort, die met zijn tienerdochter de tocht heeft geschaatst, geeft mij en een andere gestrande mevrouw een lift naar Hilversum. Het is een geschenk uit de hemel. Ik weet niet of de aardige meneer en zijn dochter dit ooit zullen lezen, maar bij deze nogmaals dank!

Op het station koop ik een grote beker warme thee die ik langzaam opdrink terwijl ik tussen de forenzen op de trein sta te wachten. Het heeft me nog nooit zo goed gesmaakt.

Thuis laat Schaatsfanaat trots beide medailles aan man- en dochterlief zien. Ze vinden het heel leuk, maar zijn beiden ook wel een tikkeltje jaloers. Mevrouw Spijt vindt het nu ze weer veilig thuis is vooral jammer dat de aangekondigde 40-kilometer-tocht niet was uitgezet.

Juist.
En weet u wat ook bijzonder spijtig is, mevrouw Spijt? Dat ik u als ik nog eens een toertocht ga schaatsen lekker thuis laat.

*****
Voor mensen die de Kortenhoefse Plassentocht zaterdag 10 januari 2009 nog willen rijden, heb ik onderaan het eerste deel van mijn verslag over deze tocht, Stempelen, schaatsfanaten en spijt, een aantal praktische gegevens geplaatst, zoals het exacte adres van de twee opstappunten en de bereikbaarheid per openbaar vervoer.

Stempelen, schaatsfanaten en spijt

In de mist en de kou zit ik op de fiets naar het station.
Ik voel me net een soort dr. Jekyll/ mr. Hyde, maar dan in de gedaanten Schaatsfanaat/ mevrouw Spijt. Alhoewel mevrouw Spijt ongetwijfeld bezwaar zou maken als zij zich ervan bewust was dat ik háár de plaats van mr. Hyde gegeven heb. Niet zíj maar Schaatsfanaat is immers de gevaarlijke gek. Mevrouw Spijt denkt nu al met smart aan de thermosfles met hete thee die thuis achter is gebleven.

Over proviand maak ik me geen zorgen en Schaatsfanaat en mevrouw Spijt zijn op dat punt opvallend eensgezind. Volgens mijn berekening heb ik straks op station Hilversum voldoende tijd om etenswaar in te slaan. Helaas was me bij het maken van mijn planning wel even ontschoten dat “op tijd komen” voor de NS een rekbaar begrip is. Aangezien ik de bus – die maar één keer per uur rijdt en níet onder de vlag van de NS – graag wil halen laat ik de bananen en Snelle Jelles maar voor wat ze zijn. Bij een beetje schaatstocht zijn genoeg Koek en Zopie standjes aanwezig.

Rond half twaalf sta ik op de Kortenhoefsedijk en een half uur later ga ik op  ijs. Bij de kassa had mevrouw Spijt de overhand, dus heb ik voor de veilige 10 kilometer gekozen in plaats van de 25 kilometer.
“Veilig! Tssk! Zonder ijspriem, zonder touw en ongetraind. En op kunstschaatsen. Niemand rijdt hier op kunstschaatsen!”
“Kop dicht, Spijt!”

Ik ben er, ik ga het ècht doen. En ik ben niet eens gevallen toen ik eerst op mijn laarzen over het ijs moest lopen om een plekje op te zoeken waar ik mijn schaatsen aan kon trekken. Het leven lacht me toe.

Ik volg de rode – 10 kilometer – pijlen. Ik trek me niets aan van de schaatsers die me links en rechts passeren en concentreer me op mijn slag. Mooie, rustige slagen wil ik maken. En als ik afzet probeer ik mijn voeten van buiten naar binnen te laten bewegen. Daar heb ik nooit eerder op gelet, maar manlief wees me er pas op. Kijk, zó doen professionals dat. Ik mag dan op kunstschaatsen rijden en door iedereen worden ingehaald; stiekem droom ik ervan om al die norenrijders qua techniek te overtroeven. Niet dat het erg waarschijnlijk is dat dat ooit zal lukken, maar dromen is best aangenaam.

Drempelvrees?

Af en toe sta ik stil om de uitgestrekte plassen, de in een ijslaagje gehulde rietkragen en de geluiden van ijzers op het ijs op me in te laten werken.

Natuurijstochtenquiz. Welk type schaats hoort u?
kgh-KLIK, kgh-KLIK, kgh-KLIK. Heel goed, de combi-noor-klapschaats.

Bij de tweede stempelpost slaan de schaatsers die hebben gekozen voor de 25 kilometertocht rechtsaf. Waar ik eerst nog de indruk had als enige “maar” 10 kilometer te rijden, zie ik tot mijn verbazing dat er ook vele schaatsers linksaf gaan.

Lang voor ik er op reken, is mijn rondje al voorbij. Verbaasd kijk ik op mijn horloge. Ik heb er precies één uur over gedaan. Ik schaats naar de laatste stempelpost en neem mijn medaille in ontvangst. “Botenbouwer (dat snap ik niet? Misschien een sponsor?). Plassentocht Kortenhoef. 10 kilometer, 8-1-’09.” Als ik had geweten dat het me zó mee zou vallen had ik wel voor de 25 kilometer gekozen. Wat nu?

“Glühwein en naar huis!” roept mevrouw Spijt.
Schaatsfanaat heeft hele andere ideeën. Nog een 10 kilometer rondje? Nog twéé 10 kilometer-rondjes en dan vragen of ik de 10 kilometer medaille mag ruilen voor een 25 kilometer medaille?
“Neeeee!” gilt mevrouw Spijt.
Nee, dat zou ook wel een beetje onbevredigend zijn, want dan wil ik eigenlijk een 20 – of 30 – kilometer medaille en die zijn er niet.
Nu krijgt Schaatsfanaat een lumineus idee.

Zal ik eerst nog iets te eten en te drinken kopen bij de koek-en-zopie-tent op de ijsbaan? Ik kijk eens naar de rij en voel mijn nieuwe, groene – want vijfentwintig kilometer – kaart in mijn zak branden. Nee. Ergens halverwege misschien. En zo begin ik aan mijn tweede tocht van de dag.

Op het eerste stuk valt me op dat ik plotseling ook zelf mensen voorbij schaats. Dat ik goed warm gedraaid ben en zekerder op het ijs sta dan een uur geleden zal daar zeker een rol in spelen, maar waarschijnlijk heeft het vooral te maken met de nu en masse aantredende ééndagsschaatsers -waartoe ik mezelf overigens ook reken.  Ik zie nu af en toe ook andere mensen op kunstschaatsen en een paar kinderen.

Dat laatste is opvallend, want toen ik vanochtend startte voelde ik me erg jong als ik naar de gemiddelde leeftijd van de schaatsers om me heen keek. Best prettig overigens, want ik heb tegenwoordig vaak meer last van het tegenovergestelde gevoel.

Niet ver na de start is er een tweede koek-en-zopie standje. Ik schaats er voorbij en als een echte kenner van het gebied informeer ik enkele verward uitziende mede-toerrijders dat ze voor de eerste stempelpost nog een eindje door moeten schaatsen.

Bij de betreffende stempelpost steunt een mevrouw op het tafeltje van de stempelmeneer. Haar gezicht is een beetje vertrokken. Mijn blik glijdt even omlaag en ik constateer dat ze haar schaatsen nog aan heeft. Ik krijg mijn eerste stempel op mijn nieuwe kaart en als ik door ga, hoor ik de mevrouw nog net aan de meneer die na mij in de rij stond, vragen of hij niet toevallig dokter is. Helaas. Gelukkig zie ik een paar meter verderop twee mensen uit de toerorganisatie aankomen met een kist die alleen maar EHBO-spullen kan bevatten. Mevrouw Spijt sputtert een beetje over de gevaren van schaatsen, maar houdt zich verder koest.

Na een korte stop bij stempelpost twee volg ik dit keer de groene pijl naar rechts. Zie mij eens! Als een grote meid schaats ik mee met de echte helden. Af en toe zoeft er één voorbij. Diep gezeten, met prachtige, rustige slagen. Het gaat bikkelhard – ik probéér niet eens of ik het bij kan houden. Alleen mindere goden wil ik wel eens proberen te volgen. Links, rechts, links, rechts…. Het is nog steeds mistig, maar koud heb ik het allang niet meer. Ik beweeg en ik geniet. Geniet van het schaatsgevoel.

Omdat het nu echt de hoogste tijd is om naar bed te gaan (zeker als ik morgen heel misschien ook nog wel een toertocht wil rijden), zal ik mijn verslag op een ander moment vervolgen.
Zie Stempelen, schaatsfanaten en spijt – deel II.

Update vrijdag 9 januari: naar de Oostvaardersplassen (startpunt Kitsweg/ Knardijk) bleek met OV eigenlijk niet te doen te zijn – 82 minuten lopen vanaf halte Baronie in Lelystad. Ik heb getwijfeld over de Ankeveense Natuurplassentocht, dat is vanuit een halte in ’s Graveland “slechts” een half uur lopen. Uiteindelijk ben ik op de fiets gestapt en heb ik een rondje over het Naardermeer/ Groote Meer geschaatst (startpunt: Meerkade 3, Muiderberg). Het ijs leek op sommige plekken een beetje op een miniatuur maanlandschap, maar de grootste stukken waren prima beschaatsbaar. In tegenstelling tot gisteren scheen de zon volop. Prachtig schaatsweer en schilderachtige taferelen van zwanen in een wak vlak bij de spoorlijn. Voor de goede orde: ik ben daar níet over heen gekluund. Het meer was groot genoeg.

*****
In Kortenhoef kon vandaag – 8 januari 2009 – alleen een 10- of 25 kilometertocht worden gereden. De 40-kilometertocht was niet uitgezet. Plassentocht Kortenhoef staat ook vrijdag en zaterdag – 9 en 10 januari 2009 – op de toerschaatsagenda. Er zijn twee startpunten: de IJsbaan bij de Kattenbrug, Kortenhoefsedijk 112a en Kraaiennest, Kortenhoefsedijk 143. Koek en Zopie bij de IJsbaan en een klein stukje in de tocht, misschien ook bij Kraaiennest – daar ben ik niet geweest. Meer informatie kunt u vinden op de website van de Kortenhoefse IJsclub en de pagina over toerschaatsen op de site van de KNSB. Openbaar vervoer: bus 106 (Hilversum – Weesp) van Connexxion stopt o.a. op de Kortenhoefsedijk 116, vlakbij de IJsbaan. Gezien mijn ervaringen toen ik weer terug naar huis wilde, raad ik u aan de buschauffeur te vragen waar de bus stopt als de dijk wordt afgesloten.

Goededoelenspam

Tussen de 100 nieuwe woorden in het boekje Woord van het jaar 2008 van Van Dale kwam ik het niet tegen, maar wat mij betreft had het er in opgenomen mogen worden. Niet omdat ik het ooit eerder tegen ben gekomen, maar omdat ik er schoon genoeg van heb.

Tot enkele maanden geleden ontvingen wij weleens een brief van een organisatie die een kleine bijdrage vroeg voor een goed doel. Organisatie èn doel konden per keer verschillen. Met deze brieven was weinig mis. Tenminste, dat hoop ik.  Als ik geloofde in het nut van de inzameling èn de organisatie betrouwbaar genoeg achtte – vaak ging het om bekende namen, dan maakte ik wat geld over.  Zoniet, dan verdween de brief op de oud-papier stapel.

Op een dag belandde er een brief van “Zuster Michaëla, p/a Stichting Wereld Dorpen voor Kinderen, Herengracht 514, 1077 CC Amsterdam” in onze brievenbus.

Deze zuster had een geheel andere tactiek dan ik gewend was. Ze had 15 eurocent bijgesloten, in muntjes van 5 cent, om aan te tonen hoe wanhopig ze was en hoezeer ze vertrouwde op mijn eerlijkheid om tenminste deze 15 eurocent terug te storten. Vanwege de “schuld” van 15 eurocent gooide ik de brief niet bij het oud papier, terwijl ik dat anders waarschijnlijk wel had gedaan. Ik denk dat het vooral te maken had met de stijl waarin de brief geschreven was en de opmaak. En misschien ook wel met de 15 eurocent. Mijn onderbewuste ik rook blijkbaar wèl onraad…
Doordat ik het nogal druk had bleef de brief enige tijd liggen, maar uiteindelijk loste ik mijn “schuld” af en maakte ik nog een kleine extra bijdrage over.

Dat bleek een cruciale fout te zijn, want sindsdien denkt zuster Michaëla in mij een onuitputtelijke bron van inkomsten gevonden te hebben. De eerste keer, nog geen week na mijn schuldaflossing, heb ik de nieuwe 15 eurocent die ze me toestuurde gehouden. Ik dacht dat deze tweede brief een vergissing was en ik vond dat ze deze 15 eurocent maar met mijn eerdere bijdrage moest verrekenen.

Maar zuster Michaëla blééf me brieven sturen. Nu ook met kleine cadeautjes waar ik niet op zat te wachten. Ik kreeg een aantal kerstkaarten, die ik zo lelijk vond dat ik ze zelfs als mijn schuldgevoel ondraaglijke vormen zou aannemen nog niet zou willen versturen. Ik kreeg een rozenkrans. Waarom? Om een nog directer appèl te doen op mijn veronderstelde naastenliefde?
Kerstkaarten en rozenkrans heb ik in de prullenbak gegooid. Nieuwe brieven van zuster Michaëla heb ik sinsdien ongeopend retour gestuurd – hetgeen haar overigens niet lijkt af te schrikken.

Goededoelenspam.

Zuster Michaëla is helaas niet de enige van wie wij tegenwoordig dergelijke bedelbrieven ontvangen. Klaarblijkelijk heeft zij ook andere organisaties doorgegeven dat zij in ons een stel naïeve melkkoeien heeft gevonden. Of ze bestookt ons nu natuurlijk zelf in al haar verschillende gedaantes.

Hoe blind moet je eigenlijk zijn in deze tijd –  een tijd waarin het nieuws op internet voor het grijpen ligt – om nog in een truc te trappen die al járen gebruikt wordt?

Als ik even had gegoogled, was ik gestruikeld over de berichten “Resultaten circa 1.300 voor zuster michaela (0,07 seconden)” die er toch allemaal op duiden dat er een of ander louche bedrijfje schuilgaat achter zuster Michaëla. Een bedrijfje dat blijkbaar aardig winstgevend is, gezien de volharding waarmee het al jaren opereert. Stomme sukkels die de krant niet goed lezen of onmiddellijk weer vergeten wat ze daarin lezen, vrijwillig hun geld laten afstaan. Tja, waarom moeilijk doen als het makkelijk kan?

Goededoelenterreur.

Mochten er af en toe toch ook brieven van organisaties tussen zitten die wèl betrouwbaar zijn, u geef ik bij deze graag een paar tips. Ik zit niet te wachten op zielige verhaaltjes en kleurenfoto’s op duur briefpapier. Evenmin stel ik prijs op ongevraagde cadeautjes van mij onbekende mensen.  Tot slot wil ik, als ik een verzoek tot een kleine bijdrage voor een goed doel ontvang, tenminste de illusie hebben en (let op!) houden dat mijn geld ook daadwerkelijk naar dat goede doel toe gaat en niet wordt verspild aan papier voor bedelbrieven en potentieel-schuldgevoel-opwekkende-cadeautjes.

Verder stel ik u graag op de hoogte van mijn goede voornemen voor 2009. Ik heb me voorgenomen om geen enkele organisatie die geld voor een goed doel poogt af te troggelen meer te geloven. Bekend of niet bekend.

Misschien moet ik elk 5 eurocentmuntje dat ik vanaf nu van zuster Michaëla ontvang opzij zetten voor Bonkje. Dan hoeft zij later in ieder geval nooit in geldnood bij zuster Michaëla aan te kloppen.

Goededoelenspam. Bah.

Michaela, de geheimzinnige non-non

Eindejaarsdilemma

Het eindejaarsdilemma is er weer. Het probeert zich al een week of twee aan me op te dringen. Nietsvermoedend pakte ik de krant, waar het zich met de eerste kerstkaart in verscholen bleek te hebben. Met een geniepig zacht plofje landde het op het aanrecht.

Tot nu toe was ik het de baas: ik heb het begraven onder een grote stapel post. Maar er druppelen nu langzamerhand méér kaarten binnen en met elke kaart wordt het sterker en krijgt het meer stem. Nog even en het achtervolgt me de hele dag.

Vorig jaar had ik me stellig voorgenomen het te negeren. Totdat het ervoor zorgde dat ik me vierentwintig uur per dag schuldig voelde. Even nog dacht ik – goed, alléén aan oma dan! Het keek me minachtend aan. Aan oma èn aan dat stel vrienden dat ik eigenlijk al heel lang weer eens van plan was te bellen? Maar er was geen houden aan. Het had geen enkel mededogen. Het was alles – of niets. En wat dat niets betekende wist ik inmiddels maar al te goed. Nooit, nóóit zou het me meer met rust laten. Er was maar één manier om er vanaf te komen.

Ik heb me overgegeven. Ik ben gezwicht. Wat een verademing was dat. Ik had wel kunnen jubelen van vreugde: het is weg, het is weg!

Nu is het er weer. Het eindejaarsdilemma.

Vertwijfeld vraag ik me af of ik dit keer wel kan winnen. Of dat ik maar beter meteen de strijdbijl kan begraven.

“Moe van de kerstpost”, “Hoe signeer ik” en “Kritische kerstkaartenontvanger” vragen advies aan Beatrijs Ritsema

Het elektronisch patiëntendossier

In november kregen wij, “de bewoners van dit adres”, zowaar een brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Jammer genoeg had dr. A. Klink de brief niet zelf ondertekend, maar was er gebruik gemaakt van een ingescande handtekening. Dat maakte het toch iets minder persoonlijk. Ook vermoed ik dat Sinterklaas onze namen wèl had geweten.

In de brief werden wij op de hoogte gesteld van de invoering van het landelijk elektronisch patiëntendossier.

Een goede gezondheidszorg in Nederland gaat ons allemaal aan.

Zo. In de eerste zin werden wij meteen subtiel met onze neus op onze eigen verantwoordelijkheid gedrukt. Wij zouden ons eens aan onze verantwoordelijkheid kunnen onttrekken!

(…) Dat betekent dat er zo min mogelijk fouten moeten worden gemaakt.

Zou het streven niet moeten zijn om helemaal geen fouten te maken? ”Er moeten zo min mogelijk fouten worden gemaakt” doet naar mijn smaak iets te veel aan de NS denken. Hoewel op de NS website te lezen is dat de punctualiteit afgelopen kwartaal een recordhoogte bereikte – 94,6% van de treinen kwam op tijd aan volgens de 5 minuten norm –  blijft punctualiteit een heikel punt. Ik ben bijvoorbeeld erg benieuwd hoe het gesteld zou zijn met de punctualiteit zónder een “5 minuten norm”. Het plan om “spoorboekloos” te gaan rijden op de belangrijkste treinverbindingen, omdat er zoveel treinen zullen rijden dat er om de paar minuten wel een trein op het station stopt, verbaast me dan ook niet.

(…) Daarom moeten zorgverleners op elk moment uw relevante medische gegevens kunnen bekijken. Bovendien hoeft u dan niet iedere keer weer uw ziektegeschiedenis te vertellen. Dat voorkomt ergernis. U zult dit misschien herkennen.

Ik heb er helemaal geen bezwaar tegen om mijn “ziektegeschiedenis” nog een keer uiteen te zetten. Sterker nog – in mijn ervaring is dat zeker in een ziekenhuis wel zo verstandig om te doen, zelfs àls die informatie al beschikbaar is. En mocht ik niet meer in staat zijn om het te vertellen omdat ik zwaargewond ben, dan acht ik het niet waarschijnlijk dat de zorgverleners eerst op hun gemak mijn EPD willen raadplegen voor ze actie ondernemen.

Daarom werken we in Nederland aan de invoering van het landelijk elektronisch patiëntendossier, het EPD. Via dit EPD kunnen zorgverleners die u behandelen snel uw actuele medische gegevens opvragen en inzien. Op een veilige en betrouwbare manier.

O ja? Om de een of andere reden plaats ik veel vraagtekens bij die zogenaamde veiligheid en betrouwbaarheid. Ik vind het eigenlijk wel zo veilig als het nu is. In beheer van mijn huisarts.

“De bewoners van dit adres” waren blij te constateren dat zij niets hoefden te doen als zij geen bezwaar hadden tegen het elektronisch uitwisselen van hun gegevens. Wie zwijgt stemt toe – toch?
Ook heel handig voor minister Klink, want hoeveel mensen zouden de moeite nemen de hele brief door te lezen? Bovendien moest het de bezwaar-indieners niet te makkelijk worden gemaakt. Tenslotte zouden zij zonder EPD minder goed kunnen worden behandeld!

Wij tekenden bezwaar aan. Eén bezwaarformulier kregen we cadeau, de andere twee formulieren konden we telefonisch bestellen bij het Informatiepunt BSN (€ 0,10 per minuut) of downloaden via de EPD-website. Manlief en ik vulden allebei een bezwaarformulier in, ondertekenden het en voegden een kopie van een geldig identiteitsbewijs toe.

Voor ons dochtertje van vijf moesten wij èn een kopie van ons eigen identiteitsdocument mee sturen èn een uittreksel uit het geboorteregister (niet ouder dan 3 maanden).

Dat laatste schoot me echt in het verkeerde keelgat. Een uittreksel aanvragen uit het geboorteregister voor € 10,80? Wat verwachtte minister Klink eigenlijk? Dat iedereen die de moeite nam bezwaar aan te tekenen en een geldig legitimatiebewijs van zichzelf mee te sturen vervolgens ook allemaal bezwaarschriften voor kinderen van anderen zou gaan verzenden?

Ik heb in plaats van een uittreksel uit het geboorteregister een kopie bijgevoegd van de pagina in mijn paspoort waarop mijn dochtertje is bijgeschreven èn een kopie van de kennisgeving van haar sofinummer – tegenwoordig BSN – van de belastingdienst.

Tot nu toe hebben we geen van drieën de beloofde schriftelijke bevestiging van ons bezwaar ontvangen. Tja, dat zat er wel in. We zijn vergeten op onze bezwaarschriften een deadline voor de schriftelijke bevestiging te vermelden. Bezwaar aantekenen kan overigens nog tot 15 december 2008.

De wereld van…

Mijn Sinterklaascadeautje aan mezelf dit jaar is een eigen weblog – De wereld van IMS.

Ik was me er niet echt van bewust dat dit op mijn verlanglijstje stond, tot ik de ‘onderstaande’ berichtjes ergens op een forum plaatste.

Waar ik eerst nog allerlei bezwaren opwierp voor mezelf – van “ja maar wie zit er nou op mijn geneuzel te wachten” tot aan ”straks gaat iemand anders met míjn teksten aan de haal” (tegenstrijdig? welnee!), was ik twee weken geleden plotseling zover dat ik vond dat het nú maar eens moest gebeuren.

Ik ben benieuwd of ik mijn gemiddelde aantal berichten per jaar (maar liefst negen tot nu toe dit jaar, als ik dit berichtje niet meereken) ga verbreken komend jaar. Misschien haal ik dan wel een gemiddelde van één bericht per maand.

Notabene: alle onderstaande (oudere) berichtjes heb ik als het ware “met terugwerkende kracht” geplaatst.

Verkoeveren

juli 2008

Er zijn van die woorden die me intrigeren. Het woord n a v e l bijvoorbeeld. Om de een of andere onduidelijke reden heb ik iets met dat woord. Al jaren. Het is een woord waar ik blij van word.

Anderhalve maand geleden stuitte ik op een ander fascinerend woord:
v e r k o e v e r e n. Het klinkt knus, verkoeveren. Het klinkt veilig. Het doet me denken aan vrolijke mensen rondom een knetterend haardvuur. Lekkere hapjes en drankjes erbij en misschien op de achtergrond het geluid van een gitaar waar zacht op getokkeld wordt.

Misschien dat ik daarom zo graag wilde zingen voor al die mensen in die witte jassen op de verkoeverkamer.

Ik hoor stemmen.
Er zit iets in de weg in mijn mond.
Ik murmel iets overstaanbaars.
Dan gaat het licht weer uit – als je tenminste over licht kunt spreken als je je ogen nog niet geopend hebt.

Blgh.
Wat is dat toch in mijn mond.
?

Iemand zegt iets.
Vraagt iets.
Murmel.

Langzaam, langzaam kom ik bij – stukje bij beetje.

Het is koud.
“Hoe gaat het met je?”
Murmel.
“De operatie is goed verlopen!”

Ik hoor stemmen.

Ze klinken niet gezellig.
Helemaal niet knus.
Helemaal niet vrolijk.
Ze zijn het oneens.
Ze maken ruzie.
Murmel!

Ik wil iets voor ze zingen.
Om ze op te vrolijken.
Het lukt alleen niet om een lied te verzinnen.
Zingen gaat trouwens ook niet zo goed.
Murmeldemurmel.

Frustrerend.

Er staat iemand bij mijn bed.
Het is niet zo gezellig hier, murmel ik.
Geen idee of hij iets terug zegt.

Hoera, het ding uit mijn mond mag weg.
Wat een verademing!

Ik hoor een kind huilen.
Het gaat door merg en been.
Wat ben ik blij dat mijn kind hier niet ligt.
Brrr.

En dan dat geruzie.

Ik kan nog steeds geen lied bedenken.

Maar plotseling krijg ik een geniaal idee.
Ontspan! – denk ik
R e l a x!
Ze moeten gewoon een beetje narcose nemen!
Zou er echt nog niemand anders op dat idee zijn gekomen?
Onbegrijpelijk!

Flower Power!

Gelukkig loopt er toch nog iemand rond die het lijkt te snappen, verkoeveren.
Wat verkoeveren zou moeten zijn.
Ze staat bij mijn bed en ze draagt een lila mutsje.
“We mochten zelf kiezen”, zegt ze.
“En ik vond dit wel leuk. Dat is een beetje fleuriger dan al dat groen”.
Tevreden dut ik weer in.

Operatiehemden en operatiemutsjes

In de wachtruimte voor de OK lig ik te wachten op wat komen gaat. Ah, daar komt een legertje verpleegkundigen? artsen? arts-assistenten? aan. Ze dragen allemaal groene operatiekapjes op hun hoofd. Model “one-size-fits-all”. Ik krijg er ook één. Hoera, jarenlang heb ik badmutsen weten te vermijden, maar nu moet ik er toch echt aan geloven. Ach, het kan me niet zo veel schelen – ik ben een beetje suf door een soort slaappilletje dat ik heb gekregen en bovendien lig ik in een operatiehemd dat je van voren nog aardig bedekt, maar van achteren weinig te raden over laat. Mijn laatste pre-operatieve tocht naar de wc ben ik snel over de gang gesneld met mijn handen over mijn billen.

Ik krijg een infuus. Gelukkig hebben de pleisters op mijn hand hun werk goed gedaan en krijg ik een ervaren infuusprikker omdat ik lastig te prikken ben – hij prikt in één keer raak en ik voel er nauwelijks iets van. Geweldig! Ik snap niet waar ik me zo druk over heb gemaakt.

Een anesthesie-assistente vraagt naar mijn geboortedatum. Ja, ik ben wie ik ben. “Goed jaar,” zegt ze. “Van hetzelfde jaar?” constateer ik – ja, inderdaad.
Tja, je moet er toch ook niet aan denken dat ze zich vergissen en opeens – ik noem maar een zijstraat – je knie gaan toetakelen. Ik kan straks niet meer roepen dat ik toch echt denk dat ik ergens anders voor ben gekomen. Ik ben straks… ja, waar ben ik eigenlijk? Ik vind het maar een vreemd idee, me zó over te leveren aan andere mensen. De controle volledig uit handen te geven. Blij dat ik in Nederland woon en niet in Zuid-Amerika.

De chirurg komt nog even langs om me te vragen of ik weet wat hij gaat doen? Ja, zo ongeveer wel. Ik zeg hem dat ik voor hem waarschijnlijk net zo saai ben als voor de kapper. Daar laat ik mijn haar altijd alleen maar knippen om de dode punten eruit te halen en er is mij te verstaan gegeven dat de operatie die ik nu krijg een standaardoperatie is die alle chirurgen kunnen uitvoeren. Toch is de chirurg het niet geheel met me eens. Mooi zo, ik heb liever niet dat hij met zijn gedachten elders is als hij in mijn lijf aan het standaard-rondwroeten is. Ik wens hem succes. Wat moet je anders tegen zo iemand zeggen?

Na een poosje word ik met bed en al – en een extra, voorverwarmd dekentje – opgehaald. Terwijl ik naar de OK gereden word, bedenk ik me dat ik hier wel goed van moet genieten. Hoe vaak heb ik wel niet gedacht, toen ik mijn dochtertje nog in de kinderwagen vervoerde, hoe jammer het was dat ik me niets meer van mijn peutertijd herinnerde? Lekker warm, heerlijk voortgeduwd – ongekende, nee: vergeten, luxe!

In de OK aangekomen word ik van mijn bed op de operatietafel geschoven. Gerold. Gedingest. Ik kijk met belangstelling naar de enorme lamp(?) boven me. Poeh hé, daar kan de tandarts niet aan tippen! Aan de zijkant staan twee operatieassistenten hun handschoenen aan te trekken en te rommelen met allerlei gereedschappen. De anesthesie-assistente legt mijn armen goed en wijst op een monitor. Daar zal de chirurg straks op kijken om te zien wat hij aan het doen is. Ik vraag haar waarom ze voor dit beroep gekozen heeft. Met een schuin oog op de operatieassistenten verderop fluistert ze me samenzweerderig toe dat ze eerst operatie-assistente was, maar dat ze dit véél leuker vindt. Veel zelfstandiger – geen wormvormig aanhangsel meer van de chirurg – meer patiëntcontact. Ik vind het wel komisch.

Ah, daar verschijnt de anesthesist in mijn linkerooghoek. Hij ziet er allesbehalve komisch uit. Eerder streng en statig en hij heeft iets groots en wits in zijn hand. Zal wel gewoon een spuit zijn geweest, denk ik achteraf. Het doet me een beetje denken aan de bariumpap die ik ooit in rap tempo, al kokhalsend, naar binnen moest werken in verband met een röntgenfoto. Ik heb jarenlang geen kwark meer aangeraakt vanwege de negatieve associaties die dat bij me opriep.

Hij vertelt dat ze nu gaan beginnen of iets in die trant en plotseling voel ik een stekende pijn in mijn pols en onderarm. “Au!” zeg ik – daar had ik niet op gerekend. Waarom heeft niemand me van te voren even gewaarschuwd? Nu ja, het zij zo. Iemand vraagt of het pijn doet. Ja, zegt de statige meneer, het kan een beetje branderig gevoel geven. Denk maar aan een fijne droom. “Fijne droom?” zeg ik “daar heb ik niet over nagedacht!”
Ik dacht dat ze gingen tellen. Dan zie ik het sympathieke gezicht van de anesthesie-assistente boven me. Ik vertel haar dat ik hoop dat ik geen geheimen ga vertellen. “Heb je die dan?” vraagt ze? “Uh, nee, niet echt misschien”. Ik bedoel natuurlijk privé-dingen maar dat krijg ik allemaal niet meer uit mijn mond. Ik voel en zie(?) hoe mijn ogen dichtvallen. “Mijn ogen vallen dicht” zeg ik – en dan ben ik weg.

Op de website van Nucleus Medical Art kunt u een animatie van een laparoscopische galblaasoperatie (cholecystectomie) bekijken.

 

Chocolademousse – deel II

Op weg naar de bus kwam ik toevallig langs een Lidl. Aangezien ik de Lidl-chocolademousse toch wel erg lekker vond besloot ik mijn vorige (en eerste) Lidl bezoek te vergeten en naar binnen te lopen. Het was tenslotte een ander filiaal in een andere plaats. Maar toen ik met mijn Albert Heijn-tas, gewone tas en mandje naar binnen liep stond daar een beveiligingsbeambte die me terugstuurde want nóch open tassen, nóch grote tassen mochten mee de winkel in. Vlak naast de ingang stonden speciale klantenkluisjes waar je je tassen in achter kon laten.

Tja – Lidl zal ongetwijfeld goede redenen hebben voor dit beveiligingsbeleid, maar ik doe liever geen boodschappen in een zwaarbewaakt fort. Ik heb mijn boodschappenmandje dus teruggezet en ben zonder chocolademousse de winkel uitgelopen.

Update: het is géén goed idee om als alternatief chocolademousse van het PLUS-merk appétit te kopen. Die is namelijk echt niet lekker – ik heb de mousse na een paar hapjes weggegooid en dat doe ik niet snel bij dit soort dingen.

Sherlock Holmes

21:00 uur
Ik hoor een paar kleine voetjes trippelen en daarna komt er zielig gesnif uit de badkamer.
“Héhé, wat is er?”
Ik loop de trap af – “Ik kom eraan” -, doe het licht op de gang aan en ga de badkamer in.

Op het toilet zit een klein, verdrietig Bonkje. Naar gedroomd misschien? Ik kniel bij haar neer en neem haar hoofdje tegen me aan.”Héhé, wat is er aan de hand?”
Meer gesnif.
Dan valt mijn oog op haar onderbroekje, dat ze op omslachtige wijze met haar in de lucht bungelende voetjes probeert uit te doen.
“Is het een beetje misgegaan?”
Bonkje knikt, intens verdrietig en beschaamd.

Nu pas zie ik ook het spoor dat van de badkamerdeur naar de wc loopt. Een spoor van kleine natte voetafdrukjes.
Ik help haar haar broekje uit te trekken en veeg het spoor op de vloer met een doekje weg.
Als een ware Sherlock Holmes volg ik het spoor op mijn knieën tot halverwege de gang.

Zie ik dat goed?
Snel loop ik naar haar kamertje en sla ik haar dekbed open: droog!

In mijn hoofd zie ik een film die versneld vooruit gespoeld wordt. Bonkje ligt rustig te slapen. Plotseling schrikt ze wakker – paniek! Bonkje worstelt met haar dekbed, klimt uit bed en rent naar de wc, maar halverwege kan ze het echt niet meer ophouden en loopt er een warme straal langs haar beentjes…..

Ik keer terug naar de badkamer
“Je bedje is nog helemaal droog, wat knap van jou! Jij hebt echt heel goed je best gedaan hoor, wat een grote meid ben je toch! Maar toen moest je opeens zo nodig plassen, dat het toch nog een klein beetje misging?”
Bonkje knikt en snift nog steeds.
“Is je nachtpon ook nat geworden?”
“Ja” antwoordt Bonkje met een benepen stemmetje.
“Kom maar, dan trekken we die ook uit en dan spoelt mama je even snel af onder de douche”

Bibber de bibber onder de douche, maar gelukkig is het water snel warm. Terwijl ik Bonkje weer afdroog steekt Bonkjes papa zijn hoofd om de hoek. “Het is een klein beetje misgegaan papa, maar Bonkje heeft wel heel erg haar best gedaan en haar bedje is nog helemaal droog, hè Bonkje?”
“Weet je wat, ik vind dat jij heel goed je best hebt gedaan èn je bed is nog helemaal droog; dus jij mag morgen toch een sticker plakken”.
Daar klaart Bonkje van op. Warm en weer schoon pakken we een schone onderbroek en een schone nachtpon uit haar kast. Ze krijgt zelfs weer even praatjes
“Ik wil geen hemd aan hè mama?”
Dan gaat ze met een diepe zucht in haar prinsessenbedje (met roze klamboe) liggen, muziekezel in haar armen.
Ik wind haar muziekdoosje op en stop haar lekker in.

“Dag lieve schat, lekker slapen, tot morgen!”

Eenmaal weer boven bekent de papa van Bonkje aan de mama van Bonkje dat het zijn schuld is dat het mis is gegaan. Vlak voor het eten was Bonkje naar het toilet geweest en niet lang daarna bracht hij haar naar bed. Bonkje kan stellig beweren dat ze niet naar de wc hoeft en had dat nu ook gedaan. Aangezien het de laatste weken erg goed gaat, had hij niet aangedrongen.

Arm Bonkje. Arme papa.

Voorlopig zetten we Bonkje dus toch maar weer gewoon op de wc voor ze gaat slapen. Tien tellen proberen, als er niets komt dan komt er niets, maar dan hebben we het in ieder geval geprobeerd.

Lees hier hoe de naam “Bonkje” is ontstaan