Pony

 

Vervolg op Nagellak.

Of het nu kwam doordat ik zo was afgeleid door het nagellakverhaal, of doordat mijn hersens de door mijn ogen aangeboden informatie automatisch omzetten naar het beeld dat ik verwachtte te zien, weet ik niet. Wel weet ik dat ik het pas de volgende ochtend bewust zag: een opvallend korte pluk haar aan de voorkant van Bonkjes hoofd.

Bonkjes haar is een verhaal apart. Waar je van de lengte van het haar dat bij sommige andere kinderen van zeven al is afgeknipt met gemak een slinger van minimaal een kilometer zou kunnen maken, kan je van het beetje haar die Bonkje bij de kapper is kwijtgeraakt misschien net een lintje van 10? 15? centimeter aan elkaar rijgen. De eerste drie jaar van haar leven was ze bijna kaal, maar toen ze naar de kleuterschool ging kon ik net twee pietepeuterige staartjes maken. Ik zie haar nog stralen, wat was ze trots!

Sindsdien heeft ze geduldig doorgespaard. Haar grote droom is haar tot op haar billen (net als Rapunzel), maar ik heb haar al duidelijk gemaakt dat dat er waarschijnlijk niet in zit.

‘Waarom heb je dat nou gedaan? Wilde je opeens een pony?’
Bonkje kijkt naar de grond en knikt.
‘Maar waarom heb je dat dan niet gezegd, dan konden we het aan de kapper vragen?! En wanneer heb je dat dan gedaan?’
‘In de badkamer. Met het nagelschaartje.’
‘Toen je ook je nagels had gelakt?
‘Ja.’
‘Waarom wilde je opeens een pony? Ken je iemand die een pony heeft?’
‘Ja.’
‘Wie dan?’
‘Weet ik niet meer.’
Ik probeer te bedenken of één van haar hartsvriendinnen een pony heeft, maar ik geloof het niet.
‘Een paar jongens in de klas hebben een pony.’
‘Oh?’
Ik neem me voor de klassenfoto nog eens goed te bestuderen – ik ben wel nieuwsgierig welke jongens zo’n indruk op mijn dochter hebben gemaakt dat ze opeens ook een pony wilde.

’s Middags haal ik haar uit school.
‘Ik heb de kapper gebeld, daar gaan we zo eerst even naar toe. Dan kan die kijken wat we het beste kunnen doen en of we een pony bij je kunnen laten knippen.’
‘Ik wil geen pony!’
‘Nee?’
‘Nee! En ik wil niet naar de kapper!’
‘Dan heb je pech, want we gaan. En je hoeft niet zo boos tegen mij te doen – ík heb je haar niet afgeknipt’
‘Mmm!’
Boos kijkt ze de andere kant op. Ik had duidelijk niet tegen de kapper mogen zeggen dat ze zelf haar haar had afgeknipt.

‘Wat is je haar hard gegroeid, meid! De laatste keer dat ik je zag was het nog een stuk korter.’
Een betere openingszin had de kapper niet kunnen bedenken. Bonkje ontdooit zichtbaar en wrijft een lok haar uit haar gezicht.
‘Ik zou geen pony knippen bij haar – ze haalt het nu al uit haar ogen.’
‘En dat plukje?’
‘Niets aan doen, dat is het beste, anders wordt het alleen maar erger.’
De kapper knipt alleen de puntjes aan de achterkant bij. Bonkje zit muisstil – een hele prestatie – en mag na afloop een snoepje uitzoeken.

Ik weet niet wat voor verrassingen ze nog meer voor ons in petto heeft, maar ik denk dat ze dít in ieder geval niet snel weer zal doen.

Nagellak

 

Met Bloem nog in haar slaapzak sta ik voor het raam. Een vast ritueel – voor we gaan aankleden kijken we even of er vogels aan het eten zijn van het lekkers dat de buurvrouw voor ze ophangt. Dat is vrijwel altijd raak. Soms zien we zelfs een groene papegaai.
‘Ogel, ogel!’
Bloem trappelt met haar voetjes duwt een natte vinger tegen het raam.

Bonkje komt binnen. Ze wurmt zich naast ons om ook naar buiten te kunnen kijken.
…. ‘Wat heb jíj gedaan?’ vraag ik Bonkje. Het raam staat nog open, maar desondanks dat hangt er een verstikkende lucht om Bonkje heen. Ik kijk naar haar vingers.
Haar nagels zijn roze en bobbelig. Stukjes van haar vingers om haar nagels heen ook.
‘Heb jij net je nagels gelakt?’
‘Ja.’
‘Dacht je dat mama dat niet zou merken?’
Bonkje kijkt de andere kant op.
‘Geef eens antwoord?’
‘Mmm’. Ze haalt haar schouders op.
‘Hé, dat is niet de bedoeling hè? Kom, we gaan het er heel snel afhalen. En als je het echt zo graag wil moet je het even vragen en dan kunnen we je nagels samen lakken, als we wat meer tijd hebben.’

Ik snap wel dat ze het liefst elke dag nagellak op zou willen – ik weet nog hoe fantastisch ik het zelf vond als kind, maar helaas voor Bonkje ben ik vaak een strenge moeder. Af en toe mag het. Laatst heb ik haar zelfs, ondanks mijn eigen afgrijzen, de blauwe en paarse lak* die ze bij de naschoolse opvang op haar nagels had gesmeerd (elke hand een andere kleur) een paar dagen op laten houden voor we het er af haalden.

Anderhalve week later blijkt de nood echter te hoog om op mijn fiat te wachten.
Voor ze naar school gaat laat ze me trots haar rode nagels zien.
‘Kijk mama, bij de naschoolse opvang gedaan! Mooi hè? Of vind je het te fel?’
‘Uhm’ zeg ik – en kijk naar de klodders op haar nagels… ergens klopt er iets niet, maar omdat ik gisterenavond pas thuis kwam toen ze al in bed lag, kan ik er niet direct mijn vinger op leggen … ik kijk op mijn horloge. Geen tijd meer. Laat maar gaan dan.
‘Hop, gauw je jas aan, anders komen jullie te laat!’
Ik zwaai manlief en twee blije dochers uit.

Als ik mijn tanden sta te poetsen in de badkamer, zie ik een rood vlekje in de wasbak. Wegvegen lukt niet, ik moet het loskrabben. Rood vlekje op het deurtje waar onze toiletspullen staan. En mijn rode nagellak.
Voor iemand die geen nagellakliefhebber is en die een man heeft die ook geen grote fan is van make-up, heb ik namelijk een eigenaardige gewoonte. In de zomer lak ik mijn teennagels rood. Dat voel ik me net iets charmanter op de momenten dat ik mijn heerlijk zittende maar niet erg sexy en door mijn man niet bijster gewaardeerde maar lijdzaam geaccepteerde Birkenstocks draag.
Mijn onderbuikgevoel en het eerste rode vlekje waren eigenlijk al voldoende, maar voor het geval ik nog mocht twijfelen is ook het randje mijn lenzenhouder plotseling rood en is de dop van het potje lak ook niet meer helemaal zoals ik me meen te herinneren.

‘Wanneer heb je dat dan gedaan?’
‘Gisteravond, in de badkamer. Met de deur op slot zodat er niemand kon binnen komen.’
En ja, naar de wc gaan of een slokje water drinken mag, dus als we haar naar de badkamer horen gaan, voelen we ook niet direct nattigheid.
Ik vraag niet waarom ze er zo’n fantasieverhaal van heeft gemaakt. De nagellak van de naschoolse opvang mocht een paar dagen blijven zitten, de nagellak die ze ’s ochtends snel thuis op had gesmeerd, niet. Dit soort optelsommetjes gaat zelfs mij makkelijk af.
‘Ik vind het echt heel vervelend dat je zei dat je het bij de naschoolse opvang had gedaan. Op die manier weten papa en ik niet meer wanneer we je kunnen geloven. En dan vertel je straks misschien iets dat wèl waar is, maar dan denken wij dat je jokt.’
Bonkje zwijgt en kijkt naar de grond.
‘Snap je dat?’
Ze knikt.
‘Zal je het niet meer doen dan nu? En niet meer stiekem je nagels gaan lakken?’
‘Nee.’
‘Weet je wat mama heeft bedacht?’
Mijn toon is veranderd. Ze kijkt me vragend aan.
– noot voor manlief: even ademhalen voor je verder leest –
‘In de vakantie mag jij samen met mama jouw teennagels ook rood lakken, maar het mag niet de hele vakantie blijven zitten, dus dan moet je er maar even goed over nadenken wanneer je dat dan wil. Misschien pas als we op vakantie gaan?’
Haar ogen twinkelen.
Manlief heeft geen schijn van kans. Deze zomer loopt hij naast twéé vrouwen met gelakte teennagels. Misschien moet hij maar snel een paar leuke teenslippertjes met Bonkje gaan kopen voor ze óók nog in Birckenstocks loopt.

_______
*ongeveer dezelfde kleuren nagellak die Bonkje een vriendinnetje dat om nagellak vroeg voor haar verjaardag heeft gegeven. De moeder van het vriendinnetje zal me erg dankbaar zijn…

Strand

 

Als ik haar neer wil zetten, klemt ze haar handjes stevig om mijn armen heen. Maar ik moet toch echt even naar de wc – dat is één voordeel van die lelijke strandhuisjes in de zomer: naast het pad naar zee is een wc-huisje waar wij tegen betaling ook gebruik van mogen maken. En dat hebben manlief en ik er graag voor over.
‘Moet jij ook naar de wc?’ vraag ik aan Bonkje.
‘Nee, ik hoef niet.’
‘Zou jij dan even op Bloem willen letten?’
‘Ja. Kijk Bloem! De bal’

Maar Bloem heeft nauwelijks oog voor de bal. Ze kijkt argwanend naar de vreemde, golvende ondergrond. Ik laat mijn tas vallen en probeer me los te wurmen uit Bloems greep. Ze schudt haar hoofdje heen en weer en haar knokkeltjes worden wit van het knijpen. Ik moet behoorlijk mijn best doen, maar uiteindelijk lukt het me om haar neer te zetten.
‘Mama moet even naar de wc, maar Bonkje is bij je.’
Bloem jammert, Bonkje troost en ik schiet snel de wc in. Als ik terugkom strekt Bloem haar armpjes naar me uit en als ik haar optil vleit ze haar warme hoofdje tegen mijn schouder. Bonkje is ook blij dat we nu ‘eindelijk’ door mogen lopen en zoekt samen met manlief een plekje uit waar we kunnen zitten. Vlak bij de duinrand hebben we nog een klein beetje beschutting tegen de wind en dat is met Bloem wel fijn.

Bonkje staat al in haar bikini. Haar kleren – half binnenste buiten – liggen op het zand.
‘Mag ik naar de zee?’
‘Ja, dat mag.’
Nog voor ik ben uitgesproken rent ze al weg. Manlief kleedt zich ook verder uit en gaat haar snel achterna, terwijl ik met Bloem, die zich nog steeds angstvallig vastklemt, op de handdoek ga zitten.

Vanaf mijn schoot kijkt Bloem toe hoe ik wat zand door mijn handen glijden.
‘Kijk, dat is zand.’
(…)
Over het ruisen van de wind heen hoor ik Bonkje lachen.
Ik graaf mijn voet in het zand en ‘tover’ hem weer tevoorschijn.
‘Zand. Wil je ook eens voelen?’
Ze schudt haar hoofd.

‘Mama, Mama!’ – Bonkje komt aangerend.
‘Ik ben in zee geweest!’
‘Zo, stoer hoor! Was het niet veel te koud?’
‘Ja, het was wel een beetje koud. Hallo Bloem, is het leuk op het strand? Dag!’
Weg is ze weer.
Ze roept iets naar manlief, maar ik kan niet verstaan wat.

‘Bonkje gaat naar de zee, zie je dat?’
Met haar ogen volgt ze haar grote zus. Dan kijkt ze weer naar het zand. En de zandkorrels op de handdoek.
Langzaam, heel langzaam, ontspant ze zich een beetje.
Ik mag haar nu ook tussen mijn benen zetten, maar zodra haar teentjes het zand raken, trekt ze ze snel weer terug op de handdoek.
Op het zand is duidelijk nog een brug te ver.

Manlief en Bonkje komen terug.
‘Wil jij een emmertje water halen?’ vraagt manlief aan Bonkje.
Dat wil ze wel.
‘Kijk uit, niet te dichtbij, giet het daar maar uit.’
‘Kijk Bloem!’ zegt Bonkje. ‘Nou kan je iets maken. Want dat zand is veel te zacht maar nu is het harder. Zal ik nog een emmertje water halen?’

Bonkje schept.
Bonkje rent.
Bonkje giet.
Bonkje draaft.
‘Hallo Bloem! Leuk hè?’
Bonkje graaft een gracht.
Maar je moet wel erg vaak water halen, zo ver op het strand.
De gracht wordt een kuiltje met wat vochtig zand.
Manlief en Bonkje gaan voetballen.

Ik pak een schepje en een paar vormpjes.
‘Kijk, een eendje!’
‘Die! diejz!’
‘Zullen we er nog één maken? Oh, die is niet zo goed gelukt. Nog een keer.’
‘Ejund!’
‘Ja, eendjes.’
Nu wil Bloem ook wel iets vasthouden.

Het gietertje.
De emmer.
Het vormpje.

Als we weer opbreken, wil ze zowaar zelf aan de hand over het strand lopen. Dat valt nog niet mee, zeker niet als we tegen de duinen op moeten klimmen. Ook liggen er steeds meer kleine doorntjes in het zand, dus het laatste stukje til ik haar maar weer op. Daar is ze het niet mee eens.
Ze schudt haar hoofdje heen en weer en probeert zich los te wurmen uit mijn greep. Boven gekomen kloppen we het zand van onze voeten af en kijken we nog even naar de zee. Jammer dat we alweer naar huis moeten – we zijn helemaal in vakantiestemming.

Gelukkig hebben we een goede reden om binnenkort nog keer terug te komen. In de zomer gaan we naar Griekenland. Nog een beetje ‘oefenen’ met Bloem lijkt ons geen overbodige luxe.

Rio

‘Heb je wel gereserveerd?’
‘Nee, ik heb niet gereserveerd, maar ik denk dat dat niet nodig is.’
Niet helemaal gerust stapt ze in. Onderweg telt ze het aantal keren dat ze al naar de bioscoop is geweest. Een paar keer met manlief, een paar keer met de naschoolse opvang, op haar verjaardagsfeestje vorig jaar, twee keer op een feestje van iemand anders en een keer met oma. Dat is aardig wat!

Als we bij de kassa komen blijken er nog genoeg plaatsen te zijn. Gelukkig maar, want het zou wel heel stom zijn geweest als ons uitje niet door kon gaan doordat de bioscoop toch vol bleek te zitten.

‘Je mag 10 snoepjes uitkiezen en in een zak doen, maar daar moet je wel de hele film mee doen. In de pauze nemen we wel iets te drinken.’
Gezien mijn streven om deze zomer eindelijk weer eens zonder gêne die paar leuke jurkjes aan te kunnen die al veel te lang ongedragen in mijn kast hangen, zou ik zelf natuurlijk niets moeten nemen, maar de verleiding is te groot. Ik besluit dat ik óók 10 snoepjes uit mag zoeken. Nu lopen er twee blije kinderen om de snoepbakken heen. Als we weten wat voor snoepjes er allemaal zijn, zijn de eerste snoepjes snel gekozen. Daarna wordt het lastiger.

‘Mama, denk je dat ik die ook lekker vindt?’
‘Ik denk het wel.’
‘Dan neem ik er daar ook één van.’
‘Je mag ook best een paar dezelfde snoepjes nemen als je een snoepje heel lekker vindt.’
‘Nee, ik neem allemaal verschillende. En deze, zou ik die lekker vinden?’
Ze wijst naar een bak met gele, oranje en paarse snoepslierten.
‘Ik weet het niet, die zien er een beetje uit als zure matten en die vond je geloof ik niet zo lekker?’
‘Mmm – maar ik denk dat ik deze toch ga proberen.’
Voorzichtig vist ze met een tangetje een paarse sliert uit de bak en stopt hem in haar snoepzak.
‘Nu heb ik er één, twee, ….(telt zachtjes door, terwijl ze de snoepjes aanwijst)… acht. Ik mag er nog twee!’

Even later staan we voor de deur van de zaal, onze snoepzakken stevig in onze handen geklemd.
‘Wil jij de kaartjes laten zien?’
‘Nee, doe jij het maar.’
Onze kaartjes worden gescheurd en we krijgen allebei een 3-D-bril – zij een kinderformaat, ik een grotere variant.
Nu onze rij en stoel opzoeken. De rij hebben we snel gevonden, maar stoelnummers kan ik nergens ontdekken.
Bonkje wel. Ze wijst naar de grond: ‘Daar!’ – en inderdaad, helemaal onderaan de stoelen zijn nummerplaatjes op de vloer geplakt.

Ik zet mijn bril op mijn neus. Bonkje giechelt.
‘Je ziet er heel gek uit!’
‘O ja? Zet jij de jouwe eens op dan…. ja, dat ziet er inderdaad wel een beetje gek uit. Dan zet ik ‘m nog maar even af. Zo. Ik neem vast een snoepje.’
‘Ik niet, ik ga mijn snoepjes bewaren tot de film begint.’

Na de wat knullig ogende reclames van winkeliers in de omgeving – de reclames volgen elkaar veel te snel op en foto’s zijn niet altijd bewerkt tot het juiste formaat, waardoor ze soms deels van het scherm vallen – beginnen de voorfilmpjes.

‘Zet nu uw 3-D-bril op.’
Je zou zeggen dat ik er zo langzamerhand wel aan gewend moest zijn dat ze zelf kan lezen, maar een moment als dit maakt dat ik me er toch weer extra bewust van ben hoe groot ze al is. En dat ik in gedachten weer even dat kleutertje zie, dat zo trots een letter aanwees die ze herkende.
Zo groot ook, dat ze haar 3D-bril de hele film ophoudt. Toen we twee? drie? jaar geleden in de Efteling naar de 3d-filmvoorstelling-PandaDroom gingen, deed ze haar 3-D-bril na een paar tellen af en heeft ze ‘m ook niet meer op gezet. Maar ja, daar kwam als ik het me goed herinner dan ook een levensechte slang uit het beeld recht op ons af. Alleen het geluid zou voor haar wel wat zachter mogen.
‘Mama, wat staat het geluid hard!’
‘Ja, in bioscopen staat het geluid meestal erg hard.’

Af en toe werp ik een blik opzij.
Als het erg spannend wordt, stopt ze haar vingers in haar oren.
Maar ze zit ook hardop te schateren.
Om een blauwe ara die zijn kooi met zijn spiegeltje en zijn belletje mist.
Om de man in zijn ‘onderbroek’ die met strandstoel en al de lucht in vliegt.
Om een hond met een berg fruit op zijn kop.
Om de gemene vogel die aan het eind zijn veren kwijt is en door een aapje in zijn blootje op de foto wordt gezet – terwijl de slechterik zich achter een blaadje probeert te verschuilen.

Ook ik vermaak me prima en geniet van de glimmende ogen van mijn dochter.
Mijn ‘noodgedwongen’ vrije dag (manlief moest werken, Bloem kon naar de opvang – alleen Bonkje had vakantie) kwam eigenlijk als geroepen. Eindelijk weer eens tijd om met zijn tweetjes iets te doen en mijn aandacht niet te hoeven verdelen.

Na afloop heeft Bonkje nog een paar snoepjes over, zo zuinig is ze er op geweest. Ik krijg er ook nog één, want mijn snoepjes zijn allang op en dat vindt ze zielig.
‘We hebben nog wat tijd over voor we Bloem moeten ophalen, vind je het leuk om nog even naar de hei te gaan of wil je liever naar huis?’
Ze kiest voor het laatste. Lekker nog even samen thuis, want ‘we hebben al iets superleuks gedaan’.

*****
Recensie ‘Rio’ op filmtotaal.nl
Rio-Trailer FoxMovies

Hoofdbrekens voor Hoofdpiet

‘Wat doe je?”
‘Ik schrijf een brief aan Hoofdpiet. Of ‘ie nu wel tijd heeft om te antwoorden. Want ik wil wél een antwoord.’
Ja, Hoofdpiet, ‘t is maar dat je het weet: zó makkelijk laat Bonkje zich niet afschepen.

‘En wat is dat?’
‘Dat is voor de Huispiet. Kijk, ik heb een pakpapiertje gemaakt met sleutels erop. Het is een soort tasje. En ik heb erop geschreven: voor Huispiet: een sleutel. Mooi hè?’
‘Ik kan het niet zo goed zien vanaf hier. Laat eens kijken?’
Bonkje komt naar me toe en duwt haar knutselwerk onder mijn neus.
‘Zo, mooi hoor. Maar behalve de sleutel zit er nóg iets in, wat is dat dan?’
‘Dat is een briefje aan de Huispiet. “Vraag. Van welke deur was de sleutel?”‘

Het past allemaal nog net in haar schoen: een appel voor het paard, een versierd hart van A-4-formaat voor Sinterklaas, het briefje voor Hoofdpiet en het pakket voor Huispiet.
Als ik niet beter wist zou ik zou bijna denken dat ze inmiddels door heeft hoe de vork in de steel zit en dat zij óns nu voor de gek houdt.
‘Haha, ik stop vandaag lekker twéé vragen in mijn schoen, kijken hoe ze zich daar uit redden!’

Babypiet als postpakket

Bonkje heeft vanavond een briefje aan de Hoofdpiet in haar schoen gedaan.

Voor Hoofdpiet
Hoofdpiet ik word heel erg boos
als je de babypiet meestuurt met de post.
Dat vind ik zielig dus niet doen.
Van Bonkje

En zo zorgt het Sinterklaasjournaal ook voor leuke verrassingen voor papa’s en mama’s, want dochterlief verwacht nu natuurlijk een antwoord. En dat antwoord moet wel aansluiten bij de volgende aflevering, die pas overmorgen wordt uitgezonden. Lastig, als je geen idee hebt wat voor ontwikkelingen er dan weer aan het licht zullen komen. Tijd voor een klein zijspoortje langs de grote lijn.

Dag Bonkje,
Dank je wel voor je brief.
Hoofdpiet heeft helaas geen tijd
om te antwoorden. Hij moet
Wellespiet helpen bij het verschonen
van de babypiet. Wist jij dat
babypieten hele vieze luiers kunnen
maken? Bah.
Schoolschriftpiet.

*****
Zie ook:
Hoofdbrekens voor Hoofdpiet (21 november 2010)
Teloorgang van de roe (november/december 2008)

Verjaardagscadeau

Bonkje heeft het er al weken over.
– Eén worden is heel bijzonder. Veel bijzonderder dan zeven.
–  Ik vind zeven ook heel bijzonder.
– Ja, maar als je één wordt, ben je daarvoor niets – want dan ben je nul!

En telkens komt ze weer iets nieuws laten zien. Kijk! Dit heb ik voor Bloem gemaakt! Het zijn geen afgeraffelde werkjes, zoals ze ze ook wel kan maken als ze niet zo veel zin heeft, nee – het zijn leuke dingen. Een doos versierd met zelfgemaakt pakpapier om alles in te doen: heel veel tekeningen op kleine en grote blaadjes, een ‘kleurplaatenboek’ voor als Bloem groter is, en voor op haar verjaardag een stoelversiering en vier kleurrijke vlaggen aan een touwtje.  Mooi getekend, mooi ingekleurd, mooi geknutseld, mooi geschreven. Geen schots-en-scheve blokletters, maar echte ’schrijfletters’, waar ze duidelijk haar best op heeft gedaan.

Wat ze ook al weken van tevoren weet, is dat ze een cadeau voor Bloem wil kopen van haar eigen zakgeld. Een week voor Bloems verjaardag gaan we met zijn allen naar de speelgoedwinkel. Eindelijk! Trots neemt ze haar grotemensenportemonnee – gekregen op haar eigen verjaardag – mee. Het is al snel duidelijk dat Bonkje het ’dashboard’ met een stuurtje, richtingaanwijzer, versnellingsbak en contactsleutel het allermooist vindt. Geluiden, knipperende lichtjes en een mini-autootje voorop het dashboard dat meebeweegt als je stuurt – dát wil ze  aan haar zusje geven. Van haar eigen zakgeld – €0,50 per week.
– Dat kost wel heel veel, vind je dat niet jammer?
Nee, dat vindt ze niet jammer.
Ze heeft ongeveer dertig euro aan zak- en spaargeld bij elkaar.
Het dashboard kost twintig euro.
– Zullen papa en mama dan de helft betalen? Want het is wel heel erg duur.
Ja, dat mag.
– Maar tien euro is nog steeds veel geld. Weet je het echt zeker?
Ja, ze weet het zeker!

Zondag is het eindelijk zover. Zingend staan we om het bedje van de jarige heen, die ons eerst wat glazig aankijkt maar dan begint te lachen. Nadat we haar hebben verschoond mag ze mee naar het grote bed. Daar haalt Bonkje het ene na het andere elastiekje van de tekeningen om ze blij aan haar kleine zus te laten zien. Bloem heeft gelukkig een uur geleden al wat gedronken en is in een goede stemming. Manlief en ik hoeven niet al te veel te doen om Bloems aandacht op Bonkje gericht te houden.

Als alle knutselwerken zijn onthuld, geeft Bonkje haar het cadeau dat ze in de winkel heeft gekocht. Dat vindt Bloem wel interessant. Een groot pak waar je leuk op kunt slaan. Bonkje vindt dat Bloem er niet op moet slaan, maar het open moet maken.
– Help haar maar een beetje.
Dat doet Bonkje. En ja, nu heeft Bloem ook een stukje papier afgescheurd, maar daarna begint ze weer op de doos te trommelen. Als Bonkje aanstalten maakt om te veel en te snel af te scheuren moeten we haar even afremmen.
– Laat Bloem maar even, het is haar cadeau.
Oei, dat valt niet mee – het gaat Bonkje véél te traag! Gelukkig wordt haar geduld beloond en komt het cadeau uiteindelijk toch tevoorschijn.

– Kijk Bloem!
Bonkje laat zien hoe alles werkt.
– Nee, Bloem, zó! Ja, zo!
En ze doet het nog eens voor. En nog eens. Het is ook wel heel verleidelijk, met al die knopjes, lichtjes en geluidjes. Verleidelijk en… hard. Om de een of andere reden klonk het in de winkel nog veel minder hard.
– Zo, laat Bloem het nu maar even zelf proberen.
Bonkjes handen jeuken – ze zou er het liefst zelf mee willen blijven spelen.

Na alle cadeaus van Bonkje, zit Bloem wel een beetje aan haar tax en gaan we eerst maar even naar beneden om te ontbijten. Bloem kijkt verwonderd omhoog, naar de ballonnen en de slingers. Blij wijst Bonkje haar de slinger aan die zíj gemaakt heeft.

’s Middags, als oma en opa er zijn (mijn schoonouders zijn allebei ziek – waarschijnlijk eerder die week aangestoken door Bloem, die zelf net weer beter is. Bonkje is ook ziek geweest maar lijkt redelijk hersteld en manlief doorstaat de festiviteiten manhaftig ondanks de koorts), zingen we nog een keer voor Bloem en snijden we de verjaardagstaart aan. Bloem zit te trappelen van ongeduld in haar kinderstoel. En omdat Bonkje toen ze één jaar werd een stukje taart kreeg waar ze met haar handjes in mocht slaan, mag Bloem dat nu ook. Anders is het niet eerlijk, vindt Bonkje.

Dus hou ik Bloem een bordje voor met een eigen stukje taart erop. Ze aarzelt geen moment. Hoezo handjes? Die heb je toch helemaal niet nodig! Ze buigt zich voorover en neemt een flinke hap uit de taart. Intens tevreden zit te eten. Dat haar gezicht vol slagroom zit, maakt haar niets uit – mmm, dat is lekker! Ze zwaait met haar armen en duikt naar voren voor een nieuwe hap.

Bonkje stikt bijna van het lachen – de tranen lopen over haar wangen. Wij moeten ook wel erg lachen, maar na een paar happen veeg ik Bloems snoet toch maar schoon en voer ik haar de rest met een lepel. Bloem vindt alles best. En ook Bonkje is helemaal voldaan. Haar zusjes eerste verjaardag zal ze niet snel vergeten.

Zusjes

– Kiekeboe!
– ghrr
– KIEKEBOE!
– ghr krg
– KIEKEBOEOEOE!
– ughri krgigrigri

Bonkje staat bij de box en doet kiekeboe.
Niet zoals wij het doen, heel rustig, maar in de vijfde versnelling – met bijbehorend geluidsniveau.
Bloem kraait van plezier en wiebelt met haar armpjes en beentjes.
Hoera, succes!
Aangemoedigd door Bloems reactie doet Bonkje (stuiter de stuiter) er nóg een schepje bovenop.

– KIEKEBOE KIEKEBOE KIEKEBOEOEOE!!!
– krgighigrhigr aagragrrrr kgrr kughrr
Bloem verslikt zich bijna van het lachen.
Wat heeft Bonkje in retrospectief een saaie babytijd gehad – met alleen maar een papa en mama om op een hele verantwoorde en gezapige manier kiekeboe mee te kunnen spelen. Gelukkig had ze Zoeff nog om naar te kijken – en om stiekem rozijntjes aan te voeren toen ze iets groter was.

Bloem zit op schoot, Bonkje op een bureaustoel die kan draaien voor haar neus.
En draaien doet ze – de stoel valt nog net niet om.
– Leuk hè, Bloem? (draai) Dat vind jij leuk he? (draai) Leuk als je grote (draai) zus zo doet hè? (draai)
– krgighigrhigriii gri kgrrie
– Ja hè Bloem? (draai)
Bloems kleine lijfje schudt op en neer van de pret terwijl Bonkje steeds onstuimiger wordt.

Bonkje en Bloem zitten achterin de auto.
– APFOEOEH!
– ghr krgi
– APFOEOEH!
– ughri krgigrigri
– APFOEOEOEOEOEH!!!
– ughr ieieieie
– APFOEOEOEOEOEOEOEOEH!!!
– Bonkje! Niet zo hard! – krgighigrhigr aagragrrrr kgrr kughrr
– APFOEOEOEOEOEOEOEOEOEOEOEOEH!!!
– Bonkje! – krgighigrhigr aagragrrrr kgrr kughrriiii
Tja, als je zo’n succes hebt bij je kleine zusje, dan valt het ook niet mee om te luisteren naar dat gezeur van je ouders….en Bloem vindt het toch heel leuk? Dus waarom is het nou weer niet goed?!!! Tsssk!

Bloem zit in haar wipstoeltje.
– Ik vind haar zo schattig – ik zou haar het liefst helemaal willen platknuffelen, maar dat doe ik niet, want ze is nog veel te klein.
– Heel goed lieverd.
– Hallo Bloem! Hier is je grote zus! Je grote zus gaat jou een kusje geven!
Bonkje zet haar handen op de wipstoel die meteen flink naar beneden buigt, geeft Bloem een kusje en laat de wipstoel weer los, waarna Bloem bijna gelanceerd wordt – ware het niet dat ze goed vast zit.
– krgighigrhigr aagragrrrr kgrr ie
– Bonkje! Niet zo hard leunen! Kijk nou!
– Ik leun helemaal niet hard!
– Jawel, dat kan ik toch zien.
Boos loopt Bonkje de kamer uit.

Het valt niet mee om grote zus te zijn.
Maar ook niet om ouder te zijn. Het is soms zoeken naar de grens – wat kan je nog toelaten en wanneer moet je ingrijpen voordat er echt een keer ongelukken gebeuren?
Of voordat je echt doof wordt.

Gelukkig is de lucht snel weer geklaard.
Bloem begint te stralen als haar grote zus de kamer weer in komt.
– ie ie ie
Verwachtingsvol trappelt ze met haar beentjes…

Het moet niet gekker worden

Toen ik op de lagere school zat was er geen WK-voetbal. Of misschien was het er wel, maar ik kan me niet herinneren dat daar op school aandacht aan werd besteed. Ik kan me alleen nog de eeuwige strijd tussen de Ajax- en Feyenoordfans op school herinneren. Die strijd bleef redelijk onschuldig overigens en bestond vooral uit het zingen van het liedje ‘Feyenoord, op de plee, doortrekken en weg ermee!’ Of: ‘Ajax, op de plee, doortrekken en weg ermee!’ – al naargelang het kamp waarin je thuishoorde.

Vorige week kregen we per e-mail een brief:

Het zal u waarschijnlijk niet ontgaan zijn dat zeer binnenkort het wereldkampioenschap voetbal in Zuid-Afrika start. Evenals veel ouders hebben ook wij gemerkt dat dit op school bij veel kinderen erg leeft. In samenwerking met een aantal zeer enthousiaste ouders van onze school willen we maandag 14 juni dan ook een Oranje-dag houden. 14 juni is de eerste speeldag voor Oranje op het WK. ‘Onze jongens’ spelen hun eerste wedstrijd ’s middags om half 2. Dat willen we niet onopgemerkt voorbij laten gaan. We willen deze wedstrijd met alle kinderen gaan bekijken.

Hè? Ik lees de laatste alinea nog een keer. Met alle kinderen naar de voetbalwedstrijd kijken onder schooltijd? Ja, het staat er echt. Ik vind het ook leuk om naar wedstrijden van het Nederlands elftal te kijken, maar vind dit toch wel wat ver gaan. Hoezo, voetbalgekte?

We vragen alle kinderen (en ouders die willen komen kijken), zich helemaal in het Oranje uit te dossen. Hoe gekker hoe mooier zullen we maar zeggen. Voor de mooist uitgedoste supporter is er een prijs te winnen. Deze wordt in de pauze van de wedstrijd uitgereikt, hopelijk door een oud international en voormalig bondscoach. Wie dat is verklappen we nog niet! Tevens willen we in de komende dagen alle kinderen het Wilhelmus aanleren zodat ze mee kunnen zingen en weten wat een volkslied is. Als veel kinderen denken dat ‘Hup Holland hup’ het volkslied is, lijkt ons dat geen overbodige luxe.

Nee, dat vind ik ook wel ernstig.  Het blijkt uiteindelijk alleen om het eerste couplet van het Wilhelmus te gaan, maar ach – ik vraag me af hoeveel Nederlanders het volkslied volledig uit hun hoofd kennen en aan de lipbewegingen te zien hebben sommige voetballers van het Nederlands elftal al moeite met het eerste couplet.

Aangezien er ook een andere kant van het WK is en wij onze leerlingen ook bewust willen maken van de wereld en de maatschappij waarin wij leven, willen we voor de wedstrijd met de groepen 3 t/m 8 ook stilstaan bij de minder ‘glamourous’ kant van het WK. Wij hebben hiervoor een gastspreker uitgenodigd. SOS Kinderdorpen hebben wij uitgenodigd om te praten met de kinderen over hoe het is om als kind in Zuid-Afrika te leven, te wonen en op te groeien. Tevens zullen zij in Zuid-Afrika een project gaan doen samen met de KNVB om Afrikaanse jongens opleiden tot voetbalcoaches. We zijn blij dat zij hebben toegezegd dit te komen doen. De kinderen zullen het zendingsgeld van komende week doneren aan SOS Kinderdorpen.

Dat is dan wel weer mooi, maar ik blijf er een beetje dubbel gevoel bij houden. Nou ja, het is zoals het is, dus op vrijdag ga ik met Bonkje op zoek naar oranje accessoires. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan, want hoewel Bonkje zich thuis graag verkleedt, wil ze in het openbaar vooral niet voor gek lopen.

Dit jaar ging ze voor het eerst verkleed mee om naar de carnavalsoptocht kijken, maar ja – dat was dan ook wel in een hele mooie prinsessenjurk. Het mag dus oranje zijn, maar wel móói oranje. We hebben geluk en vinden een oranje-wit zonnehemdje dat ze ook op andere momenten nog kan dragen. Heel wat beter dan een veel te groot en veel te duur oranje zweetshirt met nummer 10 erop. Een oranje fluitje heeft ze al, want daar heeft een jongetje afgelopen week op getrakteerd.

Tijdens het weekend verheugt ze zich enorm op de oranjedag en maandag is het dan eindelijk zo ver. Ik mag zowaar twee oranje ‘beessies‘ in haar haren vlechten en op haar armen – niet op haar gezicht, want dan ‘ziet iedereen het’ – wil ze graag twee ‘roodwitblauwehartjestattoos’. Het grote oranje beessie doet dienst als boa en het fluitje hangt om haar nek. Ik hoop voor de juffen en meesters dat ze oordopjes in hebben gedaan, maar voel me niet echt schuldig: het is tenslotte geen vuvuzela en de oranjedag was ook niet mijn idee.

 

Overdag luister ik met een aantal collega’s eerst via de radio en later via internet naar het verslag van de wedstrijd. Het is een vreemde wedstrijd met een bal ‘die niet daalt’ en waar spelers ‘in gaan’. En met een treffer in eigen doel van de Denen. De internetverbinding is een beetje traag, dus een paar tellen voor ik via internet hoor dat er een tweede doelpunt is gevallen, hoor ik al gejuich op straat en in een kamer even verderop. Dit keer is het Kuijt die heeft gescoord.

’s Avonds vraag ik aan Bonkje hoe het was.
‘Het was heel erg leuk. Maar aan het eind vond ik het wel een beetje saai worden.’
En hadden er meer kinderen een fluitje bij zich?
‘Ja, heel veel. En ook een heleboel toeters. Maar we mochten alleen fluiten als er een doelpunt was gevallen.’
Dan vraag ik wie het eerste doelpunt heeft gescoord.
Met een zucht antwoordt ze:
‘Nederland natuurlijk!’
Ze zegt er gelukkig nog net geen ‘dûh’ achteraan.
‘Was het een Nederlander die scoorde?’
‘Ja!’
Als manlief en ik iets zeggen over Denen die per ongeluk in eigen doel schieten, wordt ze een beetje boos.
Manlief en ik geven elkaar een knipoog. We zullen de buitenspelregel maar niet meer ter sprake brengen.