Nieuw

Ieder jaar gaan we een lang weekend weg met een groep vrienden die ooit begon als groep van vijf studenten in een jaarclub, daarna uitbreidde naar studenten-met-aanhang en inmiddels bestaat uit vijf getrouwde stellen en elf kinderen in de leeftijd van 0 tot 10 jaar.

De weekenden zien er inmiddels iets anders uit dan in het begin maar het inpakken vóór het weekend begint is gebleven. Bij dat inpakken moet er goed worden opgelet. Vorig jaar bleek namelijk, toen we op de plaats van bestemming waren gearriveerd, dat we de tas met Bonkjes pyama, schone kleren, bedknuffel en laarzen thuis hadden laten staan. Waarna we – zodra de winkels de volgende dag open waren – maar een nieuwe garderobe voor haar hebben aangeschaft.

Tot haar grote geluk kreeg ze toen we terug kwamen bij het vakantiehuis bovendien nog een set met zeven Hello-Kitty-onderbroeken van onze vrienden, voor het geval wij geen kledingwinkel hadden kunnen vinden.

Hoewel Bonkje het leuk vond om nieuwe kleren te krijgen, is ze toch een beetje bezorgd of het dit jaar wel goed zal gaan. Als alle bagage beneden in de hal staat, hoor ik haar tegen manlief zeggen dat we niet moeten vergeten om Bloem mee te nemen, die nog in haar bedje ligt.

‘Nee hoor,’ zegt manlief, ‘we vergeten jou toch ook niet?’
‘Ja, maar Bloem is nog nieuw’ antwoordt Bonkje.
Ik moet er stilletjes om lachen.
‘We vergeten haar niet – we zijn jou, óók toen je zo klein was als Bloem nu is, nog nooit vergeten.’

Bonkje is gerustgesteld – een nieuw babyzusje kan je tenslotte niet kopen.

Shit Kitty

Als Bonkje haar nachtpon heeft aangetrokken leest ze de tekst die erop staat.

Hello Kitty en Mimmy! – Kitty ken ik wel. Goed van mij hè, dat ik het kan lezen?’
‘Heel goed!’ zeg ik.

‘Ik ben toch bij Shit Kitty geweest mama?’
‘Wát zeg je?’
De radartjes in mijn hoofd draaien op volle toeren. Heb ik me recent zo hard gestoten dat ik hardop heb gevloekt waar Bonkje bij was? Nee, volgens mij niet. Misschien toen ik voor de zoveelste keer iets belangrijks vergeten was dan? Dat is waarschijnlijker, want ik heb de laatste tijd een vergiethoofd. Tijdens mijn zwangerschap was mijn geheugen een stuk beter dan nu – toen was het slechts een zeef – en dat wil wat zeggen.

‘Shit Kitty’ herhaalt Bonkje nog een keer, daar ben ik toch geweest?’
‘Ooooh, je bedoelt waar je wel eens met De Ronde Tafel bent geweest?’
‘Ja!’
‘Dat is KidZcity ‘ in gedachten maak ik een sprongetje van vreugde. Hoera, ik hoef het mezelf niet aan te rekenen!
‘KidZ betekent kinderen en city betekent stad. Kinder-stad. Kids-city.’
KidZcity!’
‘Ja.’
Bonkje heeft niet in de gaten wat ze eerst heeft gezegd en ik besluit het maar zo te laten, anders moet ik het het volgende kwartier zeker nog een keer of tien horen. Niets zo leuk als grapjes over poep.

Saskia en de nətwag

We zijn met zijn allen op zolder. Manlief zit achter zijn bureau na te kijken, Bloem ligt op het logeerbed te pruttelen onder de ‘babygym’ en Bonkje staat zichzelf voor de spiegel te bewonderen. Ze heeft haar prinsessenverkleedjurk aan en heeft een roze sjaal om haar schouders gedrapeerd. In haar handen houdt ze een zojuist zelfgeknutselde toverstaf.

Plotseling zegt ze: ‘Zo zagen we Saskia ook. Zo zag Saskia er ongeveer uit, maar dan met een bloem.’
Ik ken een paar Saskia’s, maar het is zeker een maand geleden dat we één van hen hebben gezien.
‘Saskia? Welke Saskia?’ vraag ik.
‘Van Rembrandt van Rijn.’
Ah, nu snap ik het.

Rembrandt - Saskia als Flora
Rembrandt – Saskia als Flora

Manlief neemt Bonkje op schoot en zoekt met haar een afbeelding op van het schilderij dat ze bedoelt.
‘Ja, dat is het!’ roept Bonkje enthousiast.

Sinds een paar weken krijgen we soms opeens een college kunstgeschiedenis van onze ‘groep-3-dochter’.
Daarbij heeft ze het steevast over Rembrandt van Rijn. We zouden tenslotte zomaar kunnen denken dat ze een andere Rembrandt bedoelde.

‘Rembrandt van Rijn was een beroemde schilder. Wij hebben ook schilderijen gemaakt. Sommige groepjes schilderden licht maar ons groepje schilderde donker want zo schilderde Rembrandt van Rijn ook.’
Ik pak een boek over schilderkunst uit de kast.
‘Kijk, weet je wie dat is?’
‘Ja, dat is de jonge Rembrandt van Rijn.’
Bonkje bladert zelf verder.
‘Hier schilderde hij hoe iemand er van binnen uitziet. En dàt is de Nachtwacht! Kijk, er staat ook een meisje op. De Nachtwacht was heel donker geworden door de rook maar toen is het schoongemaakt. En wij gaan naar de Nachtwacht toe!’
‘Oh? In het Rijksmuseum? Wat leuk!
‘Ja, in het Rijksmuseum.’
En weet je ook wie dit geschilderd heeft?
‘Ja, Vincent van Gogh, want soms werken we ook een beetje over Vincent van Gogh.
‘Welke schilderijen vind jij mooier, die van Rembrandt of die van Van Gogh?’
‘Deze,’ Bonkje wijst het schilderij van Van Gogh aan – één van zijn bonter gekleurde werken – ‘want hij schilderde licht. Of oh nee, toch van Rembrandt van Rijn want hij schilderde licht èn donker. En ik vind de mensen leuk.’

Donderdag is het zover – dan gaan ze met de hele klas naar Amsterdam. Bonkje verheugt zich er enorm op. Tijdens het avondeten telt ze de nachten alvast af.
‘Nog twee nachten slapen en dan gaan we naar het Rijksmuseum!’
Ik ben benieuwd naar het volgende college.

*****
Update 5 februari 2010
Ziehier Bonkjes verslag van de excursie. Met tekening van Rembrandt.

Bonkjes Rembrandt
Bonkjes Rembrandt

ik vont (vond) de
rontlijding (rondleiding)
was luek (leuk)
de nətwag (Nachtwacht)
von (vond) ik het
lukstu (leukst)
dag

Ons vertelt ze nog over de gemene meneer die De Nachtwacht met een mes te lijf is gegaan. Maar Rembrandt zelf was ook wel een beetje gemeen, want hij had zichzelf er stiekem ook op geschilderd.

Naast schilderijen van Rembrandt heeft ze in het museum ook een poppenhuis gezien dat veel indruk op haar heeft gemaakt.
‘Wat voor poppenhuis was dat dan?’ vraag ik
‘Een huis waar rijke mensen in woonden’ zegt Bonkje.’Het had negen kamers’.
‘Woonde Rembrandt ook in zo’n huis?’
Dat weet Bonkje niet.
‘En was het mooier dan jouw poppenhuis?’ vraagt manlief.
Bonkje denkt even na.
‘Ja, wel een beetje, want alle mensen hadden hele mooie kleren aan.’
Maar het intrigerendst vindt Bonkje toch wel dat die mensen nog geen toilet hadden. Haar ogen beginnen te fonkelen als ze erover vertelt:
‘En ze moesten gewoon poepen en plassen in een pot. En dat gooiden ze dan in de sloot ofzo, want ze hadden geen prullenbak. Ik heb in het poppenhuis ècht geen prullenbak gezien!’

De colleges van een zesjarige bevatten smeuïge details waar een regulier college kunstgeschiedenis niet aan kan tippen. Ik snap opeens waar de uitdrukking ‘ergens in geuren en kleuren over vertellen’ vandaan komt.

Dochters

(…)
Oh, wat gaat de tijd toch snel
gisteren nog zag ik haar
voor het eerst
lag ze hier in mijn armen
wat is ze mooi
en wat staat de tijd haar goed
ik knipper mijn ogen
en zie hoe ze steeds weer
een beetje veranderd is

maar hoe groot ze ook mag zijn
in mijn ogen blijft ze altijd klein
(…)

Uit: ‘Dochters’, muziek en tekst: John Ewbank; zang: Marco Borsato. Wat een gouden combinatie trouwens, John Ewbank & Marco Borsato. Het doet me denken aan Lennaert Nijgh en Boudewijn de Groot.

Ik was een maand of zeven in verwachting van Bloem en zat in de auto, op weg naar mijn werk, toen ik voor het eerst het nummer ‘Dochters’ hoorde. Het raakte me zó dat de tranen binnen een mum van tijd over mijn wangen rolden. Lang voor het nummer afgelopen was moest ik zelfs een andere radiozender kiezen, want door het waas voor mijn ogen werd ik echt een gevaar op de weg.

Waarom deed het nummer me zo veel? Ik denk dat het kwam doordat ik onbeschrijfelijk gelukkig was omdat we, net toen ik de hoop eigenlijk al had opgegeven, toch nog een tweede kindje zouden krijgen. Een kindje waarvan we op dat moment overigens nog niet wisten of het een jongen of meisje was. Bloem was toen nog Blubje (m/v). En ik moest denken aan alle mijlpalen die we al met Bonkje zijn gepasseerd. Mijlpalen die telkens nieuwe fases inluiden. Dat is vaak heel leuk, maar soms is het ook even slikken; dan kost het me echt moeite om afscheid nemen van de periode ervoor.

Zo herinner ik me nog als de dag van gisteren dat ik Bonkjes eerste babykleertjes moest opbergen. Met Bonkje in de kinderwagen liep ik op een pad met aan weerszijden hoge bomen. Het was fris, de lucht was helderblauw en Zoeff holde met een tennisbal van en naar de wagen. Ik had de kap van de wagen een stukje omlaag gedaan en Bonkje lag vol verwondering naar de kruinen van de bomen te kijken. Ik keek naar haar en dacht terug aan haar geboorte en aan de dagen en weken die daarop volgden. En hoewel Bonkje nog steeds veel huilde, ik nog steeds heel onzeker was of we alles wel goed deden èn ik nog steeds bekaf was van het twee, drie keer per nacht op moeten staan, had ik het toch te kwaad nu ze te groot werd voor maatje 50/56. Zo klein als ze was bij haar geboorte – zo klein zou ze nooit meer zijn… Ik veegde mijn tranen weg en keek met Bonkje mee omhoog, naar de toppen die zachtjes wiegden op de wind. En ook ik verwonderde me. Door haar blik had ik opeens weer oog voor dingen die ik van tevoren als vanzelfsprekend was gaan beschouwen.

De overgang van het kinderdagverblijf naar basisschool. Vooral toen de officiële brief van het ministerie op de mat viel kreeg ik het benauwd. Bonkje zou nooit meer zo fijn zorgeloos mogen spelen! Vanaf nu zou ze de rest van haar leven alleen maar moeten leren leren leren en heel hard moeten werken!

Bij het afscheid van haar groep op het kinderdagverblijf mocht Bonkje bootjes met doosjes rozijntjes erin uitdelen: ‘Vaarwel – ik ga na de vakantie naar school!’. Ik zie haar stralende gezichtje weer voor me. Bovenop de tafel mocht ze staan, terwijl de andere kindertjes, de leidster en ik voor haar zongen. Herstel: de leidster en ik, want die dag waren er voornamelijk kleintjes en die zeiden niet veel – laat staan dat ze zongen. Het maakte Bonkje allemaal niets uit. Ze had haar mooiste feestjurk aan en in had twee ministaartjes in haar haar. Eindelijk mocht zíj ook naar de grote school, net als haar twee grote crèchevriendinnen een paar maanden daarvoor – wat een feest! En maar stralen. En de leidster en ik maar op onze lippen bijten.

Nu is Bloem alweer drie maanden oud. Ik heb maatje 62 tevoorschijn gehaald. Na volgende week loopt mijn verlof ten einde en moet ik weer aan het werk. En Bloem naar het kinderdagverblijf.

Vandaag gaat ze er voor de derde keer alvast een paar uur naar toe, zodat ze kan wennen. Zodat ik kan wennen.

Ze huilt als ik haar achterlaat. Logisch, want ze heeft honger. Thuis laten we haar heus ook wel eens huilen – veel makkelijker dan Bonkje destijds. Zeker als we weten dat ze gedronken heeft, verschoond is en al ‘gespeeld’ heeft en geknuffeld is. Toch kan ik het nu niet droog houden. Ik wéét dat ze zo een flesje gekolfde melk krijgt en de leidster lijkt me heel zorgzaam, maar dat helpt niets. Het liefst zou ik Bloem uit de armen van de leidster rukken, dicht tegen me aan drukken en zo snel als ik kan met haar naar buiten rennen.

(…)
en soms
wanneer ik mijn ogen sluit
lopen we samen op het strand
haar handje in de mijne
en dan
zet ze de tijd even stil
is het weer even net als toen
en heeft ze mij weer nodig

ik hou haar vast
zoals ze was
ik hou haar vast
(…)

Het hoort bij het moeder-zijn denk ik. Het onvoorwaardelijk houden van. Het het liefst je kinderen altijd dichtbij je willen houden, ze altijd zo willen blijven verzorgen, liefkozen, beschermen; alles voor ze oplossen.
En ze dan toch loslaten, want eens zullen ze onbezwaard uit moeten kunnen vliegen. Maar gelukkig liggen er nog heel wat jaren voor ons voor het zover is.

Stapje voor stapje.
Ondertussen is Bonkje er goed van doordrongen dat we haar weliswaar niet altijd lief vinden, maar áltijd van haar houden. En ik ben ook maar alvast met Bloems lessen begonnen. Baadt het (nog) niet, dan schaadt het in ieder geval ook niet.
‘Tot straks lieverdje. Papa of mama komt je áltijd weer ophalen!’

*****
Marco Borsato ‘Dochters’ (officiële videoclip)
Marco Borsato ‘Dochters’ live in Gelredome (officiële videoclip)

Bloemstelen

Het is zondag, vroeg in de ochtend. Ik zit Bloem te voeden in haar kamertje. Bonkje is wakker geworden en is er bij komen zitten. Ze zit op een kleuterstoeltje dat Bloem van mijn schoonouders gekregen heeft. Ze heeft het zo dicht mogelijk naast mijn stoel geschoven.

“Dit stoeltje zit niet zo lekker. Het is ook een beetje te klein voor mij. Mijn zitzak zit veel lekkerder.”
Inwendig moet ik een beetje lachen. In de huiskamer staan drie stoeltjes van hetzelfde formaat waar Bonkje nog dagelijks zonder problemen op zit. Maar de – roze – zitzak die ze van Sinterklaas heeft gekregen voor in haar nieuwe kamer is inderdaad een stuk groter.
“Jullie mogen ook op mijn zitzak zitten.”
“Dat vind ik wel fijn.”
“En dat doe je ook hè, als je voorleest?”
“Ja.”

Ze kijkt naar Bloem, die nog steeds ligt te drinken en wil haar een kusje geven, maar bedenkt zich dan, want ze weet dat ik dat niet goed vind tijdens het voeden.
Dan geeft ze mij een zoen.
“Jij houdt altijd van mij, ook als je boos bent.”
“Ja, ik hou altijd van jou. Ik vind je niet altijd lief, maar ik hou altijd van jou.”
“Jij bent de allerliefste mama van de hele wereld en Bloem is de allerliefste baby en papa de allerliefste papa. En ik ben zelf ook de allerliefste. Vind jij ons ook de allerliefste?”
“Jullie zijn mijn schatten.”

Bonkje knikt tevreden. Ze loopt de kamer uit om even later al sluipend terug te komen. Ze schijnt nog steeds te denken dat ze dat heel onopvallend kan.
Ik ben behoorlijk moe en heb geen puf om het spelletje mee te spelen, dus komt ze al snel weer naast me zitten.

“Als Bloem groot is, krijgt ze dan ook een nieuwe kamer?”
“We hebben geen nieuwe kamer meer.”
“Maar ze krijgt wel een nieuw bed? En dat komt hier?”
“Ja, als ze groter wordt dan krijgt ze een ledikantje. In deze kamer.”
“Ja, dat weet ik. Dan krijgt ze een bed met stelen hè?”
“Met spijlen.”
“Ik hoef geen bed met stelen meer, want ik ben al een groot kind. Ik ben zes jaar ouder dan Bloem.”
“Ja, jij bent al groot.”
“En als Bloem één jaar wordt, dan…” – Bonkje moet even rekenen – “… ben ik al zeven! En hoe oud ben ik als Bloem zeven is?”
“Dan ben jij zeven plus zes jaar. Want jij blijft altijd zes jaar ouder.”
Weer is het even stil.
Bonkje telt op haar vingers en roept dan verrukt: “dan ben ik al dértien! Dan ben ik echt héél groot!”

Bloem laat de borst los.
Bonkje hangt meteen boven haar om haar te overladen met kusjes en streeltjes. De streeltjes zijn een beetje onstuimig.
Bloem begint te huilen.
“Stil maar, Bloem, stil maar, ik ben het, je grote zus! Dat vind je leuk hè, als je mijn stem hoort?”
En warempel, het lijkt te werken. In ieder geval voor even.

Ruilhandel

Het belangrijkste nieuws bij ons thuis in de laatste twee weken van november en de eerste week van december, wordt gebracht door het Sinterklaasjournaal. Elk jaar gaat er van alles mis en proberen de zwarte pieten alles op te lossen zonder dat Sinterklaas er lucht van krijgt. Vaak is de hulp van de kinderen in het land daarbij onmisbaar.

Ook dit jaar is het spannend of het allemaal wel in orde zal komen voor het pakjesavond is.
De stoomboot is onderweg naar Nederland in zwaar weer terecht gekomen, waardoor een heleboel pakjes overboord zijn gewaaid. Gelukkig hebben de zwarte pieten alle pakjes weten te redden door er in roeibootjes achteraan te gaan, maar doordat ze nat waren geworden zagen de papiertjes die om de pakjes heen zaten er niet meer uit. Daarom hebben de pieten de papiertjes er allemaal afgescheurd, maar ja – toen hadden ze geen pakpapier meer. Gelukkig kreeg de hoofdpiet een geweldig idee. Hij vroeg alle kinderen om zélf pakpapiertjes te maken met hun eigen naam erop en die in hun schoen te stoppen, zodat de pieten die papiertjes konden gebruiken om de cadeautjes in te doen. Ook Bonkje ging ijverig aan de slag met stiften en stempels en toverde het ene pakpapiertje na het andere tevoorschijn.

Eind goed al goed? Nee, want het is nog geen pakjesavond en traditiegetrouw móest er dus wel een nieuw probleem ontstaan.
En ja hoor. Samen met Bonkje keek ik naar het Sinterklaasjournaal terwijl Bloem aan mijn borst lag te drinken. In de pakjeskamer waren de pieten druk bezig met het opnieuw inpakken van cadeautjes in prachtige papiertjes. Maar o jee, plotseling waren de cadeautjes op. In de hele pakjeskamer was geen cadeautje meer te bekennen. Alle kinderen hadden zoveel pakpapier gemaakt, dat de pieten teveel cadeautjes in de schoenen hadden gedaan.

‘O oh, hoe moet dat nou?’ – vroeg ik aan Bonkje. ‘Zou je nu helemaal geen cadeautjes meer krijgen op pakjesavond?’
Bonkje keek me even nadenkend aan en zei toen zelfverzekerd:
‘Jawel! Ik ga de hoofdpiet een brief schrijven want ik heb een oplossing bedacht. Ik stop gewoon iets in mijn schoen dat ik niet meer nodig heb en dan geef ik dat aan de zwarte pieten.’
‘Zodat die weer cadeautjes hebben?’
‘Ja!’

Vanavond mocht Bonkje haar schoen weer zetten en voegde ze de daad bij het woord.

beste hof
piet (hoofdpiet) ik
hep (heb) en (een) opl
osin. (oplossing)
vor (voor) de kaado
otes (cadeautjes) as (als) ne (nu?)
nou iedure
en. (iedereen)
die kinderdingunn (kinderdingen)
die zu (ze) niet
mir (meer)

Op dit punt ging het schrijven van de brief wel erg lang duren en moest ze van ons echt naar bed, dus heeft ze het laatste deel aan manlief gedicteerd:

‘… nodig hebben, bijvoorbeeld een schaar, (…)
dan doe je die in je schoen en geef je hem aan de zwarte pieten.’

Ze heeft een potlood waar je een knoop in kunt leggen – en waar nog nooit een punt aan geslepen is – naast het briefje gelegd.

Zie ook: Teloorgang van de roe (Sinterklaas 2008)
Nieuwsgierig hoe de naam Bonkje is ontstaan? Lees dan het eerste Bonkje verhaal

Pril geluk

maandag 9 november 2009

Een samenvatting

Dag 1: 07.00 – 08.00 – 11.00 – 14.00 – 17.00 – 20.00 – 23.00.
Dag 2: 03.30 – 06.00 – 09.00 – 12.00 – 15.00 – 17.30 – 21.00 -23.00 – 24.00.
Dag 3: 02.00 – 06.00 – 09.00 – 12.00 – 16.00 – 18.30 – 21.00 – 24.00.
Dag 4: 03.00 – 06.00 – 07.00 – 10.00 – 13.00 – 16.00 – 20.00 – 23.30.
Dag 5: 03.00 – 06.00 – 09.30 – 13.30 – 16.30 – 18.30 – 21.00 – 22.00.
Dag 6: 01.00 – 04.00 – 08.30 – 12.00 – 15.00 – 17.30 – 19.30 – 22.30.
Dag 7: 02.00 – 05.00 – 08.30 – 11.30 – 15.30 – 18.30 – 20.30 – 23.00.
Dag 8: 02.00 – 06.30 – 09.30 – 12.00 – 15.30 – 18.30 – 21.00 – 22.30.
Dag 9: 02.00 – 05.00 – 08.30 – 12.00 – 13.00 – 16.00 – 20.00 – 21.00 – 22.00.
Dag 10: 01.30 – 05.30 – 09.00 – 12.00 – 15.00 – 18.30 – 20.00 – 21.00 – 24.00.
Dag 11: 04.10 – 08.15 – 11.15 – 13.15 – 14.15 – 17.00 – 20.45 – 22.45.
Dag 12: 01:00 – 05.45 – 09.15 – 12.15 – 16.15 – 19.05 – 23.25.
Dag 13: 03.50 – 08.15 – 11.30 – 15.15 – 18.45 – 23.15.
Dag 14: 03.30 – 07.30 – 09.45 – 12.45 – 15.30 – 17.35 – 20.25 – 22.22.
Dag 15: 01.30 – 03.00 – 04.30 – 08.45 – 13.00 – 16.40 – 20.10 – 23.45.
Dag 16: 03.45 – 06.45 – 08.30 – 11.15 – 13.00 – 16.00 – 19.45 – 23.25.
Dag 17: 02.15 – 05.40 – 09.20 – 11.45 – 15.30 – 17.30 – 20.00 –

Wallen onder onze ogen. Maar wat een rijkdom, wat een geluk.
Bonkje heeft een zusje!

Grotemensentand

‘Mama! Mama!’ hoor ik van boven roepen als ik rond half negen thuiskom.
‘Mama! vcnsakcka;acuwnx!’ – mmm, daar heb ik weinig van verstaan, maar het klinkt urgent.

Ik zie af van mijn plan om eerst te kijken wat manlief heeft gekookt (ik bof maar met zo’n echtgenoot), zet mijn tas neer, trek mijn jas uit en loop meteen naar boven.
‘Mama, mijn wiebeltand is eruit gegaan!’ roept Bonkje verrukt zodra ik de deur van haar kamer opendoe.
Ze zit rechtop in haar bed en het lijkt erop dat ze al die tijd klaarwakker heeft liggen wachten om dit nog te kunnen vertellen.
‘Oh, dat wil ik zien, ik doe even het grote licht aan!’
Ik schuif de prinsessenklamboe opzij en kijk naar het rijtje voortanden waar er nu één van ontbreekt.
‘Wow! Nou, als ik nog niet wist dat je echt al een heel groot kind bent, dan wist ik het nu wel!’

Ik denk terug aan een bezoek aan het consultatiebureau, ongeveer zes jaar geleden.
Bonkje zat op schoot en de verpleegkundige tegenover ons hield een hele verhandeling over het belang van tandenpoetsen. Toen ze uitgepraat was zeiden we ‘Oh. En als ze nog geen tanden heeft?’
De verpleegkundige was verbijsterd. Die mogelijkheid was niet eens in haar hoofd opgekomen – waarschijnlijk viel Bonkje daarvoor te ver buiten alle consultatiebureaugrafieken. Ze kreeg haar eerste tand een maand nadat ze één geworden was.

‘Heb je mijn tandendoosje al gezien?’ vraagt Bonkje.
Nee – maar dat mag ze morgen laten zien.
Het tandendoosje blijkt een zwart kokertje te zijn waar een fotorolletje in heeft gezeten. Op het doosje heeft ze een papiertje geplakt, waar ze zelf – met wat hulp van haar papa, die de letters heeft gespeld – met een gele glitterpen ‘tandendoosje’ op heeft geschreven.

Wat wordt ze al groot! Soms word ik daar een beetje weemoedig van, maar vaak is het ook heel leuk om haar te zien groeien. We geven elkaar een kus en dikke knuffel en dan gaat ze weer liggen. Ze lacht me toe. Op één plek in haar mond zit een gat.

‘Welterusten mama!’
‘Welterusten, slaap lekker!’

*****
Bij Bonkjes (Lunes) zusje Bloem ging het 6 jaar later net iets anders:

Wiebeltand

 

It’s my party

Bonkje is naar een feestje. Gelukkig duurt het nog ruim vier maanden voor wij zelf weer de klos zijn. Ik kan me namelijk nog levendig voor de geest halen hoe haar eerstje verjaardagspartijtje verliep…

*****
Maanden van tevoren is Bonkje er al vol van: als ze vijf wordt mag ze een feestje geven! Eindelijk is het moment daar.

Zodra alle prinsesjes binnen zijn, snijden we de prinsessentaart aan. Ik haal het boekje van prinsesje Annabel tevoorschijn. Een boekje dat ik speciaal voor dit moment heb gekocht. Voordat ik vijf regels heb gelezen, vertellen twee prinsesjes enthousiast met me mee. Bonkjes gezicht betrekt. Zij kent het verhaaltje nog niet en kan niet meedoen. Grote fout van mama. Manlief verdwijnt met een protesterende en hevig snikkende Bonkje naar de gang. “Wel zielig voor Bonkje”, zegt één van de prinsesjes. “Heeft ze niet zo goed geslapen? Want dan moet je soms een beetje huilen”. Ik lees het verhaaltje uit. Na een poosje is Bonkje – met rode randjes om haar ogen – ook weer van de partij. Van nu af aan is het koffiedik kijken. Het ene moment is Bonkje door het dolle heen, het volgende moment kan het zomaar weer mis zijn. Na huilbui acht raken we de tel kwijt.

Gelukkig vermaken de andere zes prinsesjes zich wel. Op een paar kleine akkefietjes na (uiteraard willen alle prinsesjes precies tegelijk met één van de twee roze stiften kleuren) zie ik vooral blije gezichtjes.

Omdat we het voor Bonkje ook nog een beetje leuk willen houden, laten we haar onder het motto “de jarige job mag beginnen” bij een paar spelletjes schandalig voordringen. De andere prinsesjes slikken het als zoete koek.

Na het zoveelste drama bij het aardappelpoepen, houden we onze adem in als Bonkje met een rauw ei op een lepel de tuin doorkruist… maar het gaat goed! Stralend huppelt ze terug naar de anderen. We prijzen haar en de andere prinsesjes uitbundig. Ze hebben hun prinsessendiploma’s echt verdiend.

Als het feestje na tweeënhalf uur is afgelopen, zwaaien we zes tevreden prinsesjes – in zelf ingekleurd prinsessent-shirt – uit.

Nadat we de deur dicht hebben gedaan vallen manlief en ik uitgeteld naast elkaar op de bank.

Spiderman

Spiderman

Om een huwelijk te mogen aangaan moeten een man en een vrouw de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt – art. 31 lid 1 BW1

Gelukkig maar. Bonkje vindt het namelijk nog een beetje moeilijk om te kiezen. Diverse huwelijkskandidaten – waaronder haar papa, haar grote nichtje en haar kleine neefje – zijn de revue al gepasseerd. Een poosje geleden kwam daar ook een jongetje uit haar klas bij. Bonkje vindt veel jongetjes een beetje vervelend. Sem bijvoorbeeld. Die pakt haar altijd als ze jongens kussen doen. maar Cas is wel lief. Met Cas wil ze ook wel trouwen.

Als ik rond vijf uur richting Epkes huis fiets, om Bonkje op te halen, hoor ik mijn naam. Het is Epkes vader, die met beide dametjes naar buiten is geweest. Gezamenlijk lopen we het laatste stukje naar Epkes huis, want daar ligt Bonkjes rugzak nog. Als we binnen zijn, haalt Bonkje een uitnodiging uit haar tas. Op de voorkant prijkt Spiderman.
“Zo, dat is een mooie uitnodiging”, zeg ik.
“Nee, het is een stomme uitnodiging!” roept Bonkje.
“Van wie is de uitnodiging?”
“Van Cas.”
“Maar je vindt Cas toch wel aardig?” zegt de vader van Epke.
“Nee!” roept Bonkje weer.
“O, dan hoef je er ook niet naar toe” zegt Epke opgewekt. Zo simpel is het.

Wat zich precies heeft afgespeeld, weet ik niet. Ik kan me verschillende scenario’s voorstellen. In alle scenario’s spelen echter twee componenten een grote rol: jaloezie en schaamte. En dat al in groep 2.

Bonkje is in de poppenhoek aan het spelen met haar vriendinnetjes.
Cas loopt op Bonkje af en geeft haar zijn uitnodiging.
Haar vriendinnetjes kijken verwachtingsvol toe, maar helaas, voor hen is er geen uitnodiging.
“Wat een stomme kaart” zegt een van de vriendinnetjes.
“Ja”, zegt de ander, “er staan helemaal geen prinsessen op”.
Of misschien wel:
“Sem is lekker toch veel leuker dan Cas!”
Niet goed wetend wat ze met de situatie aan moet, moffelt Bonkje de uitnodiging snel weg in haar tas.

“Ik vind dat jij heel onaardig doet over Cas” zeg ik tegen Bonkje. “Het is toch leuk dat Cas je heeft uitgenodigd? Bovendien vertelde je me laatst nog dat je Cas aardig vond.”
Als we thuis zijn, praat ik nog een tijdje op Bonkje in.
“Ik vind het echt heel vervelend als je zulke nare dingen zegt. Als andere kindjes zeggen dat ze het stom vinden, dan zijn ze misschien een beetje jaloers omdat zij niet zijn uitgenodigd. Je gaat gewoon naar Cas’ feestje. Jij zou het ook niet leuk vinden als iemand die jij had uitgenodigd, niet wilde komen.”
Nee, dat is Bonkje wel met me eens.
“Dan moeten we alleen nog wel bedenken wat we Cas kunnen geven. Weet jij iets?”
“Een brandweerauto van lego!”
“O ja, dat vind ik een heel goed idee van jou. We zullen Cas zelf ook nog vragen wat hij wil hebben; maar als hij niets weet, kunnen we dat doen.”

De volgende ochtend lopen we naar Cas toe. Cas is een beetje verlegen en zegt niet zo veel, maar zijn moeder heeft wel een paar ideeën. Bonkje zegt ook niet zo veel. Cas’ moeder legt haar hand op Bonkjes schouder.
“Je bent niet het enige meisje hoor, Bonkje; Lisa komt ook. Cas wilde jou graag uitnodigen en toen heb ik gezegd: dat mag, maar dan moet je ook nog een ander meisje uitnodigen, anders is het niet leuk voor Bonkje.”
Ik zie aan Bonkje dat er een last van haar schouders valt en wissel een blik van verstandhouding met de moeder van Cas. Als ik even later naar huis ga, komt Bonkje me al huppelend nog een kus geven. Zoals gewoonlijk krijg ik ook weer strikte instructies van haar om te zwaaien voor alle ramen.

Een paar dagen later komt Bonkje thuis met een papieren vliegtuig dat Cas voor haar heeft geknutseld.
“Cas is verliefd op mij”, zegt ze.
“O, hoe weet je dat?” vraag ik.
“Dat heeft hij tegen me gezegd.”
“En wat zei jij toen?”
“Ik zei niets. Ik ben niet verliefd maar dat durfde ik niet te zeggen.”
“Maar wil je dan nog wel met Cas trouwen?”
Daar moet Bonkje even diep over nadenken.
“Ja, ik wil nog wel met hem trouwen.”

Cas’ feestje is inmiddels alweer twee weken geleden.
Bonkje was helemaal lyrisch toen ik haar ophaalde bij Cas. Ze hadden een heleboel lekkers gegeten en allemaal leuke spelletjes gedaan.

Voor zover ik weet heeft Bonkje haar trouwplannen op dit moment even van de baan geschoven. Ze wist niet goed wie ze moest kiezen en was erg opgelucht toen ik haar verzekerde dat ze echt nog niet hoeft te weten met wie ze wil later misschien wil trouwen. Maar de Spidermanuitnodiging heeft ze in een schriftje geplakt waar ze van alles in schrijft en tekent. En dat ze overal met zich meedraagt.

Nieuwsgierig hoe de naam Bonkje is ontstaan? Lees dan het eerste Bonkje-verhaal