Toetje

Vandaag maak ik Risotto met kipfilet, courgette en champignons. Dat zal Bonkje me waarschijnlijk niet in dank afnemen. Tant pis. Ik hou vaak genoeg rekening met haar voorkeuren en manlief schotelt haar bijna nooit iets voor dat ze niet lust.

Als Bonkje beneden komt, loopt ze verwachtingsvol de keuken in.
“Wat gaan we eten?”
Nog voor ik kan antwoorden heeft ze al een blik in de pan geworpen – en ze heeft meteen haar oordeel klaar.
“Dat lust ik niet!”
“Niet altijd meteen roepen dat je iets niet lust. Kom nu eerst maar eens aan tafel.”
Gelukkig waardeert manlief het wel. “Lekker!” zegt hij.

Bonkje zit met hangend hoofd aan tafel en raakt haar eten niet aan. Af en toe werpt ze me een hele donkere blik toe. Met haar lepel schuift ze één minihoopje eten naar de rand van het bord.
“Nee”, zegt manlief, terwijl hij haar eten in twee helften verdeelt, “je moet minstens de helft opeten, als je een toetje wil”.
“Maar ik lust het niet!”
“Je hebt het nog niet eens geproefd.”
“Jawel!” roept Bonkje boos. “Ik heb al een stukje kip gehad!”
“Als je een toetje wilt, zul je toch nog wat meer moeten eten. Wat lijkt je het minst lekker? De groene stukjes? Vooruit, dan haal ik nog één groen stukje weg.”
Bonkje boft maar met haar papa. Hij had haar ook al de kleinste helft gegeven.

Na een tijdje neemt Bonkje toch een hapje. Soms besluit ze dan opeens dat ze het toch-eigenlijk-best-wel-lekker vindt, maar vanavond niet.
“Ik vind het ècht niet lekker”
“Je hoeft het niet op te eten, maar dan krijg je ook geen toetje.”
Er biggelt een traan over Bonkjes wang. In het weekend nemen we na het eten altijd een toetje. Een toetje dat vaak door Bonkje zelf is uitgezocht.
Maar na drie happen weigert ze nog één hap te nemen.
Ze begint hoorbaar te snikken.
Écht te snikken.

Au. Nepdrama is tot daar aan toe, maar dit snijdt dwars door mijn moederhart.
Dat Bonkje haar verdriet met een paar happen makkelijk zou kunnen oplossen, doet daar niets aan af.

Ik denk plotseling aan de eerste keer dat we Bonkje hadden ingebakerd. Ze was toen ze een week of zes oud. Ingebakerd en al moesten we haar in haar bedje leggen.
Terwijl Bonkje lag te brullen in haar kamertje, zaten manlief en ik met gekromde tenen op de bank. Al snel vloeiden mijn tranen ook rijkelijk over mijn wangen. Pas als ze langer dan een half uur aan één stuk zou huilen, mochten we haar troosten. Maar zelfs als ze héél even stil was tussendoor, en daarna opnieuw begon te huilen, moesten wij ook opnieuw beginnen met tellen. Een half uur heeft nog nooit zo lang geduurd. Maar het hielp wel, uiteindelijk.

“Wil je echt niets meer?”
Bonkje staart wezenloos voor zich uit terwijl haar tranen naar beneden blijven druppelen.
“Dan breng ik je naar bed,” zegt manlief. “Kom maar, dan til ik je.”
Op zijn schouder barst Bonkjes verdriet in alle hevigheid los.
Ik luister naar Bonkjes hartverscheurende gesnik en manliefs voetstappen op de trap.
Zijn rustige stem als ze in de badkamer zijn.
Bonkje die plotseling roept “Ik wil wél een verhaaltje!”

Vijf minuten later loop ik de trap op.
“Je gezicht is helemaal rood met witte vlekken,” hoor ik manlief zeggen, “net als mama wanneer ze boos is of hard heeft gehold.”
Bonkje lacht. Gelukkig. Manlief is erin geslaagd de stemming te keren.
Ik loop door naar zolder, waar Bonkje me nog een nachtkus en een dikke knuffel komt geven.
“Zo, gaat papa je toch nog een verhaaltje voorlezen?”
“Ja. Kom jij ook nog één minuutje bij me zitten?”
“Nee, papa gaat je voorlezen, kruip maar lekker dicht tegen hem aan.”
Bonkje knikt. Ik geef haar en kus en kijk hoe ze de trap afloopt.

Als Bonkje in bed ligt, nemen manlief en ik een toetje. Een beetje schuldig voelen we ons wel.
Maar eerlijk is eerlijk: wíj hadden onze borden netjes leeggegeten.

Nieuwsgierig hoe de naam Bonkje is ontstaan? Lees dan het eerste Bonkje verhaal

Piratenschip

Bonkjes tekenrepertoire bestaat vooral uit poppetjes, prinsessen (herkenbaar aan de kroontjes op hun hoofd), hartjes, hartjespoppetjes, bloemen, zonnen, vlaggetjes en huizen. Bij de tekeningen schrijft ze vaak ook namen en kleine zinnetjes. Zinnetjes die ze een half jaar geleden heeft overgeschreven uit een leesboekje voor beginners en die ze inmiddels uit haar hoofd kent. Inclusief de drukwijze uit het boekje. Een a is geen simpele a, maar krijgt een boogje aan de bovenkant. En het blijft meestal niet bij één tekening. Nee, er moeten meerdere tekeningen worden gemaakt en die worden dan vakkundig aan elkaar geplakt of geniet tot boekjes.

Op de voorpagina van het boekje dat ze vandaag op school in elkaar heeft geknutseld, prijkt haar naam – in hoofdletters – met een ferme streep eronder. In de rechterbovenhoek heeft ze een zon getekend.

Op de eerste bladzijde – Bonkje doet niet aan voor- en titelbladen, dus de eerste bladzijde is de achterkant van de voorpagina – een paar zinnetjes, met strepen eronder. Bonkje zorgt voor haar eigen lijntjes.
de PoP in de wieg
de STER tekening van een hartje erachter

omA en gevolgd door twee hartjes
BONKJE gevolgd door twee hartjes
één heel groot hart eronder

Op bladzijde twee, gecentreerd bovenaan op de pagina het woord iK
Daaronder heeft Bonkje een blauwe lucht getekend, een gele zon en een lachend poppetje (roze ogen, roze mond, paars haar, blauw jurkje, gele armen en roze/gele laarzen met een hak).

Op bladzijde drie bovenaan in grote letters BONKJE. Daaronder een blauwe lucht, een gele zon en een familieportret: papa, mama en Bonkje.
Manlief en ik snappen niet helemaal waarom papa een hoge zwarte hoed op heeft. Dat moeten we morgen toch maar eens aan Bonkje vragen.

Bladzijde vier:
de roos in de ?
dag roos gevolgd door twee hartjes
de pop in de ?
en een tekening van een vlinder met allemaal gekleurde hartjes op haar (want dit moet wel een vrouwelijke vlinder zijn) vleugels eronder.

Bladzijde vijf:
de STER gevolgd door een hartje
Daaronder wederom een blauwe lucht, gele zon en ditmaal een poppetje met een hartjeshoofd en wolkachtige handen.

Op de laatste bladzijde (de achterkant van het boekje heeft Bonkje dit keer leeg gelaten) een tekening van een heel groot hart met ogen en een hartjesmond.

Het beeld is duidelijk, denk ik.
Des te grappiger vond ik het dan ook toen…

“Kijk mama!”
“Zo, wat heb je daar voor moois getekend?”
“Een piratenschip.”
“Een piratenschip?! En wat is dat?”
“Dat is een trappetje. Kijk, één piraat is langs het trappetje omhoog geklommen”.
“Ja, ik zie het. En wat zie ik daar – zijn dat doodshoofden?”
“Ja. Ik ga ze nog even met rood inkleuren dan zien ze er nog enger uit.”
Bonkje voegt de daad bij het woord.
“O ja, nu zien ze er inderdaad nóg enger uit, brrr! En wat is dat?”
“Dat zie je toch, dat is het stuur!”

Tja, wanneer de dagelijkse gesprekken vaker over prinsessenkastelen gaan dan over piratenschepen, dan kan het zo maar gebeuren dat zo’n ding een stuur ‘heet’ in plaats van een roer.

Hoe Bonkje opeens op het idee is gekomen om een piratenschip te tekenen, blijft een raadsel. De Kleine Kapitein hebben we alweer een tijdje uit en bij mijn weten is het ook alweer een tijdje geleden dat ze de dvd van Pippi Langkous en de piraten gezien heeft.

Vriendenboekjes

Het ging een tijdje goed. Tot gisteren.
Blij haalde Bonkje een boekje uit haar rugzak.

Een vriendenboekje.

Als ik ergens een vreselijke hekel aan heb dan is het wel aan vriendenboekjes.
Vriendenboekjes voor kinderen die nog niet kunnen lezen en schrijven zouden verboden moeten worden.
Mensen die op het onzalige idee komen om andermans peuters en kleuters te verblijden met een vriendenboekje, zouden door de ouders van dat kroost meteen teruggestuurd moeten worden naar de winkel. Winkels die geen leeftijdsaanduiding (minimaal 8+) bij het vriendenboekjesschap hebben geplaatst, zouden op hun vingers moeten worden getikt door een of andere overheidsinstantie.

Over ouders die hun peuters en kleuters zelf zo’n verschrikkelijk vriendenboekje cadeau doen wil ik het eigenlijk niet eens hebben.
Waarom beste mensen?
Wat hebben wij, de ouders van de crèche- en klasgenootjes van jullie kinderen, misdaan?

En dan heb ik het nog niet eens over de stompzinnige vragen in die boekjes.
Vragen die de peuters en kleuters geen enkele ruimte laat om zélf een verhaal te vertellen. Ze worden gereduceerd tot lievelingseten, lievelingsdier, lievelingsvak, lievelingsgroep, lievelingssport, lievelingsberoep, lievelingskleur en lievelingswens. Hoezo fantasie? Allemaal netjes tussen de lijntjes en in de hokjes. Mars, twee, drie, vier!

Samen met Bonkje heb ik me zojuist door vriendenboekje zoveel heengeslagen.
Ik meende me vaag te herinneren dat we voor dit vriendinnetje al eerder een vriendenboekje hadden ingevuld. Helaas wist ik het niet zeker.
Misschien moet ik het bij gaan houden, zodat ik in toekomstige twijfelgevallen doublures kan weigeren.

Bonkje schreef en versierde zelf haar naam. Toen één van de versiersels mislukte, heeft ze het blaadje niet verscheurd en in de prullenbak gegooid, maar hebben we er een glimstickertje overheen geplakt. Oef! Hindernis één zonder kleerscheuren gepasseerd. Daarna las ik de vragen aan haar voor en noteerde ik haar antwoorden in losse, kleine letters op een blaadje, waarna zij ze in het boekje kon schrijven. Letter voor letter vulde Bonkje de aan haar toegekende dubbele pagina. Ergens vergat ze een r, maar die kon ze gelukkig zonder problemen nog een plek geven tussen de andere letters in. Snel een pasfoto – van vorig jaar, want we hadden geen recentere – erbij en… klaar.
“Stop het boekje maar snel in je tas, dan kunnen we het niet kwijtraken en kan je het morgen teruggeven”.
En hoef ik het niet meer te zien.

Het is dat ik het Bonkje (die het liefst zelf ook een vriendenboekje zou hebben, maar ik heb haar al verteld dat ze dat niet krijgt voor ze goed kan lezen en schrijven – en haar klasgenootjes dus ook) en haar kleutervriendinnen niet aan wil doen, maar anders zou ik alle vriendenboekjes die hier de drempel over kwamen linea recta in de prullenbak laten verdwijnen.

Sorry. Ik ben nog steeds een boos.

Update:
Maar als je dan hoort dat er een vliegtuig is gecrasht, en dat er doden en gewonden zijn; dan vraag je je af waar je je in vredesnaam druk over hebt gemaakt…

Hallo, daar ben ik weer!

Op speciaal verzoek hierbij “Flips” verslagje van zijn tweede logeerpartij bij Bonkje, in november 2008. Waar ik me tijdens zijn eerste bezoek nog in heb weten te houden, kon ik het dit keer echt niet langer aanzien: één van zijn truitjes was zo vervilt en groezelig, dat moest de vuilnisbak in. Maar zomaar de kleren van een logé weggooien kan natuurlijk niet. Dus daar heb ik iets op bedacht (driewerf hoera voor de afdeling babykleertjes van Zeeman). Lees maar wat Flip erover vertelde in zijn berendagboek.

Hallo daar ben ik weer! Ik ben Flip de beer.
Ik mocht dit weekend weer eens bij Bonkje logeren.

Bonkje had haar papa en mama al vaak gevraagd wanneer ik weer bij haar kwam logeren en nu mocht ik met haar mee! Dus Bonkje was héél blij en ik ook!
Het was alleen wel jammer dat Zoeff de hond er niet meer was, want die was dood.

Zaterdag ben ik mee geweest naar de stad en daar heeft Bonkje nieuwe kleren voor mij uitgezocht, in een échte winkel! Ik kreeg twee mooie Bear-club shirts met knoopjes, een stoere Bear-club broek èn blauwe schoenen! Bear-club is Engels en het betekent beren-club. Grappig hè?

Nu ik een paar nieuwe kleren heb heeft Bonkjes mama één vestje weggegooid. Dat vond ik helemaal niet erg, want dat was toch oud en lelijk en ik droeg het bijna nooit meer. Gelukkig vond Bonkje dat haar mama verder niets weg mocht doen, want aan mijn andere kleren ben ik best wel gehecht.

Van Bonkje kreeg ik ook nog een poppetje. Hij ziet er een beetje gek uit – helemaal groen met een hele grote neus. Haha! Ik word er helemaal vrolijk van.

En weet je waar ik ook heel vrolijk van werd? Bonkje mocht haar schoen zetten en ìk de mijne, want ik heb nu óók schoenen! Hoera! Bonkje had twee tekeningen gemaakt voor Sinterklaas, ook één voor mij, want ik kan niet zo goed tekenen. En ze heeft heel mooi gezongen. Zie ginds komt de stoomboot en Zwarte Piet ging uit fietsen. En vanochtend lag de letter F in pepernoten naast mijn schoen, net als bij het Sinterklaasjournaal. En ik kreeg ook nog een mandarijn! Poeh hé, het is wel feest dit weekend!

Vandaag mocht ik bij Bonkje op de fiets mee naar het zwembad. Jammer genoeg hagelde het, dus toen moest mijn hoofd in de tas en zag ik niets meer. In het zwembad was het ook een beetje saai. Ik hoorde wel een hoop geplons en gespetter vanuit het kluisje, maar ik mocht niet mee zwemmen. Toen heb ik maar een paar berenliedjes gezongen. Wel héél zachtjes hoor.

Nu mag ik nog één nachtje bij Bonkje slapen en dan gaan we weer naar school. Spannend! Want het was heel gezellig en ik ben hartstikke blij met mijn nieuwe kleren, maar ik ben ook altijd heel nieuwsgierig met wie ik de volgende keer mee naar huis mag.

Dag lieve Bonkje, dank je wel voor het logeren!

Nieuwsgierig hoe de naam Bonkje is ontstaan? Lees dan het eerste Bonkje verhaal

Niet zo lekker

Bonkje zou met haar vier jaar oudere nichtje (haar grote heldin) en haar twee jaar jongere neefje (waar ze mee gaat trouwen) twee nachtjes bij mijn schoonouders gaan logeren. Manlief en ik zouden daarvan profiteren door vandaag weer eens heerlijk samen uit eten gaan en naar een theatervoorstelling. Even géén papa en mama, maar man en vrouw.

“Mama, ik voel me niet zo lekker”.
“Dan kun je misschien beter nog even gaan slapen”.

Bonkje zegt zo vaak dat ze zich niet zo lekker voelt, dat wij het niet erg serieus meer nemen. Vooral in het weekend – als we van onszelf niet om 07:00 uur op hoeven te staan, komt Bonkje vaak vragen “Gaan we nu eindelijk ontbijten? Ik wil zo graag ontbijten want ik heb zo’n honger!” Om er, als dat niet het gewenste resultaat heeft, aan toe te voegen dat ze zich niet zo lekker voelt.

Maar op het moment dat ik opmerk dat we dan beter níets kunnen eten, heeft ze plotseling nergens meer last van. Zo ook gisteren.

“Nee, dat hoeft niet, het is alweer over!”

Nadat Bonkje is aangekleed – leuk, schoon wollen jurkje aan en staartjes met elastiekjes in een bijpassende kleur in haar haar – zoeken we haar logeerspulletjes bij elkaar.
Bonkje pakt ook de pop die ze mee wil nemen.

“Kind is wel een beetje ziek, ze heeft al een paar keer gespuugd, hè kind? Dat is wel zielig voor kind hè?”
“Ja, dat is wel zielig.”
“Maar in de trein dan zeg ik gewoon tegen haar dat ze het moet ophouden en dan kan ze dat ook!”
“Wat knap van haar!”

Wat later dan gepland zwaai ik manlief en Bonkje uit.
“Veel plezier! Zal je heel lief zijn en goed luisteren?”

Bonkje knikt en ik krijg behalve een dikke kus ook nog een knutsel- en schrijfwerkje van haar.

Als manlief aan het eind van de middag weer thuiskomt, blijkt dat Bonkje zich dit keer écht niet zo lekker moet hebben gevoeld. De trein is al een aardig eind op weg, als Bonkje plotseling zegt:
“Papa, ik moet spugen!”
Hand in hand snellen manlief en Bonkje naar het dichtsbijzijnde toilet. Bonkje doet heel erg haar best om het op te houden, maar net voor de deur van het toilet gaat het mis. Alles wat ze die morgen heeft gegeten en gedronken, braakt ze weer uit. Over de vloer, over haar laarzen en over haar mouwen. Manlief dept met wc-papiertjes zo veel mogelijk vieze smurrie op, maar komt er niet aan toe om alles op te ruimen voor de trein stopt bij het station waar ze over moeten stappen. Bij een conducteur verontschuldigt hij zich voor de troep die ze achterlaten.

In één van de toiletruimtes van het station helpt manlief Bonkje opfrissen. Ze is onder de indruk van wat er net gebeurd is en is erg stilletjes. Gelukkig voelt ze iets beter als ze weer schone kleren aanheeft. Ook is het fijn dat ze haar mond kan spoelen en wat water kan drinken. Wat nu? Bonkje voelt ze zich niet meer zo ellendig en van omkeren wil ze niets weten. Ze heeft zich zó verheugd op deze logeerpartij… Dus gaat de reis even later toch weer verder – en dit keer zonder onaangename verrassingen.

Gropa en groma vinden het goed dat Bonkje blijft. Manlief spreekt met ze af dat ze zullen bellen als hij haar weer op moet komen halen en ook Bonkje drukt hij op het hart dat ze mag bellen als ze toch liever naar huis wil.

We voelen ons schuldig dat we Bonkje niet geloofden en vragen ons af hoe het nu is.

Na het eten kan ik mijn knagende gevoel niet langer negeren – ik móet Bonkjes stem even horen. De telefoon is pas één keer over gegaan als ik groot nichtje aan de lijn krijg. Ze is heel enthousiast en geeft de telefoon aan Bonkje, die ook erg vrolijk klinkt. Nee hoor, ze voelt zich niet naar meer en ja hoor, ze heeft lekker gegeten. Penne met kaas, bloemkool, een beetje vlees en een toetje. Én zij mag samen met groot nichtje in de kamer van groma slapen. Wat een feest! Het lijkt weer goed te gaan allemaal. Fijn, nu kan ik tenminste rustig genieten van onze kostbare tijd met zijn tweeën. Althans, dat is de bedoeling.

Rond 01:00 uur schrik ik wakker. Ik kan nog net op tijd naar de badkamer sprinten.
Een sprintje dat ik nog een keer of tien mag herhalen.
Ik zit op het toilet met een emmer op mijn schoot. Mijn lijf ziet kans om uit alle openingen tegelijk leeg te stromen.
“Ik voel me niet zo lekker…” denk ik.

Ons avondje uit zal helaas nog even moeten wachten. Mijn romantische diner bestaat – heel gewaagd – uit thee, beschuit en een appel.

Voetbalplaatjes

Geachte dames en heren supermarktmanagers.
Elke keer slaak ik een zucht van verlichting als uw zoveelste klantonvriendelijke kinderlokactie is afgelopen. Helaas komt u telkens weer met een nieuwe actie op de proppen, die een nieuwe stoet kinderen voor de deur van de supermarkt inhoudt en nog meer troep in huis. Wilt u daar als-tu-blieft mee stoppen?

Misschien ben ik onverdraagzaam of heb ik een te kort lontje. Hoe het ook zij: ik erger me groen en geel aan de hordes kinderen waar ik over struikel als ik de supermarkt uitloop. Het ligt niet aan hun taalgebruik. Over het algemeen vragen ze het netjes. Mevrouw, heeft u voetbalplaatjes – knikkers – smurfen – flippo’s – wuppies – welpies – beesies – stickers – zwartepietjes – sjoelstenen – disco’s – voetbalknikkers – mini’s – superdierenplaatjes – Go Go’s – handjes? De gedachte daar direct achteraan zweeft tastbaar in de lucht.

Waar het wel aan ligt? Nadat ik heb afgerekend wil ik snel naar huis en heb ik geen zin om me tegen drommen kinderen te moeten verantwoorden over het al dan niet in bezit zijn – en vooral: het al dan niet uitdelen – van voetbalplaatjes. Als ik ze heb, dan is dat meestal doordat ik er niet langer om heen kan. Omdat alle kleuters in de klas van mijn dochtertje inmiddels voetbalplaatjes sparen en zij ze van de weeromstuit óók wil sparen. Dus neem ik de voetbalplaatjes knarsetandend aan, zodat mijn dochtertje op speelgoeddag net als haar klasgenootjes met haar eigen voetbalplaatjes kan pronken.

Dames en heren supermarktmanagers.
Als u mij als klant graag aan uw winkel wilt binden, kunt u zich er beter van vergewissen dat u kwalitatief goede producten verkoopt en dat ik niet voor lege schappen kom te staan. Het geld dat u nu aan een veel te duur marketingteam besteedt en aan gadgets die ik zo snel mogelijk weggooi, zou u wellicht in prijsverlagingen van die kwaliteitsproducten kunnen stoppen. Daar heb ik geen enkel bezwaar tegen. Bovendien hoef ik mijn dochtertje als zij iets ouder is dan niet – als enige uit haar klas – te verbieden om te gaan bedelen voor de deur van uw supermarkt.

Rekenen

We zitten aan tafel en eten allebei een mandarijn. Het gesprek komt op Pippi Langkous. Op twee boeven die bang zijn voor meneer Nilsson – Pippi’s aapje – en die besluiten dat het veiliger is om ‘s nachts terugkomen om bij Pippi in te breken. Maar bij Pippi kun je beter helemaal niet inbreken. Pippi gooit één van de twee boeven hopla op de kast. Bonkje zou nóóóóit inbreken bij Pippi. Want Pippi is heel sterk. Maar Pippi gaat niet naar school. Bonkje wel. Bonkje zit al in groep 2.

“Ik vind Pippi de allerdomste op de wereld”, zegt Bonkje.
“Hoezo?” vraag ik.
“Omdat ze niet kan rekenen en niet kan schrijven. En omdat ze denkt dat ze een aapje mee mag nemen naar het kinderhuis. En een paard.”
“Mag dat niet?”
“Nee, dat mag toch helemaal niet!”
“Maar mama kan ook niet zo goed rekenen. Vind je mama dan ook de allerdomste van de hele wereld?”
“Nee, want jij kan wél schrijven! En ik kan je best wel leren rekenen hoor, want ik weet al heel goed hoe dat moet.”

Bonkje steekt één voor één vier vingers van haar ene en dan vier vingers van haar andere handje omhoog.

“Eén, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht. Kijk, vier plus vier is acht!”

“Ja, ik zie het.”

Dan steekt ze van beide handjes drie vingers in de lucht.
Ze kijkt me verwachtingsvol aan en vraagt: “En drie plus drie is?”
Als ik niet meteen iets zeg, verklapt ze me fluisterend het antwoord: “Vijf!”
“Drie plus drie is vijf? Volgens mij klopt dat niet helemaal” zeg ik.

Bonkje telt het na op haar vingers.
“O nee, drie plus drie is zés!”

Frietjes en patatjes

Bonkje ziet het al als we nog in de tuin staan.
“Papa heeft frietjes en patatjes!”
Ze doet de deur open en rent op papa af. Krijgt hij een zoen? Is er tijd om papa te begroeten? Nee. Bonkje komt meteen terzake.
“Papa, waarom heb jij frietjes en patatjes? Ik wil ook frietjes en patatjes, anders vind ik het niet eerlijk!”
Bonkje uitleggen dat papa zo als een haas weer terug moet naar zijn werk en daarom snel iets te eten heeft gehaald bij de snackbar, is zinloos. Dan is ze alleen maar verontwaardigd dat ze niet met papa mee mag. Zij kan ook heel hard werken!
“Mag ik ook frietjes en patatjes?”
“Vraag maar aan je moeder.”
“Mama, mag ik ook frietjes en patatjes?”
Ik denk aan het gezonde menu dat ik in gedachten had. Maar ook ik vind het erg aanlokkelijk ruiken en van de gedachte niet te hoeven koken ben ik ook niet vies.
“Zullen wij dan ook maar patat halen?”
“Jaaaaaa!”

Als we weer op de fiets zitten, merkt Bonkje plotseling op:
“We eten wel vaak slechte dingen hè?”
“O ja?” antwoord ik. “Dan moeten we maar snel weer naar huis gaan!”
“Nee, want het is AU!-dag vandaag.”
“Au-dag?”
“Ja – ik was toch heel hard op mijn hoofd gevallen?”

O, bedoelt ze dat. Als je alleen zou afgaan op het aantal au’s dat je hier op een dag voorbij hoort komen, zou je denken dat Bonkjes armen en benen, net als de ledematen van een versleten knuffel, alleen nog met een paar dunne draadjes aan haar lijf hangen. Maar af en toe maakt ze ècht een lelijke smak. Zo’n smak waarbij je als ouder ook denkt: AU! Nadat ze een keer heel ongelukkig terecht was gekomen, hebben we ‘s avonds patat gehaald. Een soort alternatieve pleister op de wonde.

Ergens in mijn hoofd gaat een alarmbelletje rinkelen. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat ze nu denkt dat dit een gewoonte wordt: pijn = patat! Stel je voor dat ze op het idee komt om het lot een handje te helpen. AU! Ik moet er niet aan denken.

“Dat is zo,” zeg ik snel, “je bent heel hard gevallen, maar we gaan niet altijd patat eten als je je pijn hebt gedaan!”
“Neeeh!” – Bonkje moet er om lachen. Hoofdzaak is dat mama zich nú niet meer bedenkt. Over eventuele toekomstige teleurstellingen maakt ze zich nog geen zorgen.

Klein, klein kleutertje

Bonkje stroopt haar maillot naar beneden.
“Wat doe jij nou?”
Ze wijst op een wondje op haar knie.
“Ik ben vanmiddag gevallen!”
“O jee! Kun je al door je knie heen kijken?”
“Neeeee!” Bonkje lacht. Fijn, zo’n welwillend publiek.
Ik geef haar een kus.
“Het is nu even vervelend, maar het geneest vanzelf.”

Na het eten moet ook manlief eraan geloven.
“Kijk papa, ik heb me pijn gedaan!”
“Op school?”
“Nee, bij De Ronde Tafel.
“En moest je huilen?”
“Nee, ik hoefde niet te huilen.”
“Flink hoor.”
“Ik ben ook een flinke meid, ik ben al van groep 2!”

Ik denk terug aan vorige week, het weekend van 10 januari.

Bonkje vindt mijn medailles van de Kortenhoefse Plassentocht erg mooi.
“Mag ik ze even om?”
“Ja, dat mag.”
“Mag ik ze mee naar school nemen?”
“Nee.”
Soms ben ik best een wrede mama.
“Andere kinderen hebben wel een medaille.”
“O ja?”
“Ja, van wintersport”
“Een medaille is pas echt leuk als je hem zelf verdiend hebt,” zegt papa.
Daar moet Bonkje even over nadenken.
“Als ik zelf een medaille heb, mag ik die dan wel meenemen naar school?”
“Ja. Als jij een keer zelf een medaille hebt, dan mag dat.”
Ha, dat biedt perspectief.
“Ik wil ook een medaille winnen!”

Dat weekend staat er nog een hele reeks, door de KNSB goedgekeurde toertochten op de agenda. We vinden er één waar je al een medaille kan verdienen met een rondje van 5 km: de Zwartemeer-Kadoelen Rondetocht. Vijf kilometer lijkt ons ook echt het maximum haalbare met een kleuter die net drie keer op het ijs heeft gestaan. We denken dat het net moet kunnen als we haar af en toe een eindje op sleeptouw nemen.

Dus stappen we zaterdagochtend dik aangekleed en rijkelijk voorzien van onze eigen koek en zopie – want ik heb geleerd van mijn fout – in onze speciaal voor deze gelegenheid gehuurde auto. De rit door de polder is prachtig. De zon schijnt, de lucht is blauw en alles is met een laagje rijp bedekt.

“Papa, ik heb het zo warm.”
“Je mag je vest wel even uit.”
“Ik heb het nog steeds warm.”
“Wil je je laarzen ook even uit?”
Ja, dat wil Bonkje. Al die laagjes, pffft!

We bereiken het weiland waar we mogen parkeren zonder oponthoud – de grote drukte komt duidelijk van de andere kant – en even later stappen we uit de auto. Manlief en ik wisselen ons gewone schoeisel om voor onze rubberlaarzen, die we tenminste met gerust hart aan de kant achter durven te laten. Bonkje is op de bijrijdersstoel geklommen en trekt daar haar laarzen weer aan. Hebben we alles? Ja, we kunnen gaan.

We moeten de weg oversteken en van daar af is het nog een eindje lopen naar het meer. Eerst langs het gebouwtje van de plaatselijke ijsclub die de tocht organiseert, om toerkaarten te kopen. Daarna volgen we een spoor door een weiland naar de rand van het meer. Het spoor is bedekt met een verraderlijke ijslaag, dus lopen we er zoveel mogelijk naast.

 

Voor we het ijs opgaan, wil ik echter nog even naar het toilet. Het mobiele toilet wel te verstaan.

HCC kan diverse soorten mobiele toiletten leveren, die geschikt zijn voor bouwplaatsen, particulieren en voor diverse evenementen. De toiletten zijn zeer gebruiksvriendelijk en overal gemakkelijk te plaatsen en er is geen riool- en wateraansluiting nodig.
Elk mobiel toilet is voorzien van een urinoir en een closetpot. Deze laatste wordt afgesloten van het opvangreservoir. De toiletten zijn voorzien van een ventilatiepijp, een dak met lichtkoepel, een deursluiting, jashaken en een dubbele toiletrolhouder. De toiletten worden op vaste tijden geleegd.

Geloof me, dat klinkt een stuk mooier en vooral minder smerig dan het in werkelijkheid is. Maar met een volle blaas schaatsen is ook niet prettig. Dus sluit ik aan in de rij, gevolgd door manlief. Bonkje staat noodgedwongen naast ons te wachten.
“Ik heb het koud, ik heb het zo koud!”
“Ja lieverd, het is even niet anders. Probeer maar een beetje te springen, dan krijg je het wat warmer.”
Het huilen staat Bonkje nader dan het lachen. Ze wil niet springen. Ze wil helemaal niets. Ze heeft het alleen maar koud. Manlief tilt haar op.
“Zo, dan krijg je iets minder koude voeten”
“Ik heb nog stééds koude voeten” snift Bonkje.
“Weet je wat,” zeg ik tegen haar, “als papa zo naar de wc is geweest gaan jullie alvast jullie schaatsen aantrekken.”

Na mijn toiletbezoek loop ik het ijs op. Ik moet even zoeken, maar dan zie ik manlief en Bonkje op één van de gymnastiekbanken zitten die voor de schaatsers op het ijs gezet zijn. Bonkje heeft haar schaatsen al aan. Manlief is nog aan het worstelen met zijn noren. Na de eerste keer op het ijs vorige week heeft hij besloten dikke sokken aan te trekken in zijn schaatsen, al krijgt hij ze dan bijna niet meer aan. Ik zoek een plekje in de buurt en trek mijn eigen schaatsen aan.

Samen met Bonkje schaats ik naar het stempelhokje om te vragen waar de 5 km tocht begint.
Dat wil zeggen: ík schaats.
Bonkje snottert.
Ze heeft het koud.
Haar voeten doen pijn.
Ze vindt het “helemaal niet leuk meer!”
“Kom lieverd, probeer maar een beetje te bewegen. Als je beweegt krijg je het weer warm.”
Maar Bonkje wil me niet geloven.
Kan me misschien niet geloven.

Dan voegt ook manlief zich bij ons. Het eerste stuk van het 5 km rondje begint op hetzelfde punt als het 10 km rondje, halverwege is er een splitsing. Even doorzetten maar.

Maar Bonkje wil niet.
“Ik heb het zo kou-oud.”
Snot en tranen vliegen alle kanten op.

Omdat het in dit soort situaties meestal niet zo goed werkt om er met zijn tweeën bovenop te blijven staan, schaats ik vooruit terwijl manlief bij Bonkje blijft.

Ik schaats een stukje, kijk even om, schaats weer een stukje. Het is prachtig ijs.
Zijn ze al in beweging? Nee, zo te zien zit er nog niet echt schot in. Ik schaats een stukje terug. Andere ouders en andere kleuters schaatsen en krabbelen langs me heen. Kleuters die het zo te zien wel naar hun zin hebben.

Zal ik verder schaatsen? Een klein stukje dan, maar niet te ver. Ik heb al een tocht kunnen schaatsen, manlief niet. Ik zal hem aflossen als ze er zijn. Dan kan hij eerst zelf een rondje schaatsen.

Langs de kant van de slingerende route die de baanveger heeft uitgezet staat een klein rood stoeltje. Wie het stoeltje daar heeft achtergelaten, weet ik niet. Er is niemand in de buurt.

Klein rood stoeltje op het ijs.
Het is net een schilderij.

Ik kijk om. Ze komen nog steeds niet dichterbij. Sterker nog – ze keren om. Mijn opgetogen en optimistische gevoel maakt plaats voor bange voorgevoelens als ik terugschaats naar het begin. Daar tref ik een volkomen ontredderde Bonkje en een enigszins zuurkijkende papa aan.
“We gaan naar huis” zegt hij. “Het gaat niet. Ze heeft het echt geprobeerd, maar als je haar ooit nog het ijs op wil krijgen moeten we nu gaan.”
Bonkje snift zachtjes.
“Ga jij anders nog even schaatsen”, zeg ik tegen hem, “ik heb deze week al geschaatst. Dan ga ik wel een eindje rijden met haar en dan pikken we je over twee uur wel weer op.”
Maar nee, voor manlief is de lol er ook wel vanaf.
Zwijgend zoeken we onze laarzen op en ontdoen we ons van onze schaatsen.

Ik ben boos. Ik wil helemaal niet naar huis. Stom kind. Straks moeten we nog eens twaalf jaar wachten voor we weer zo’n kans krijgen.
Maar ik ben ook mama.
En ik weet hoe pijnlijk koude voeten kunnen zijn.
En misschien begon het met aanstellen, maar inmiddels is ze echt aandoenlijk.
En we deden dit omdat we dachten dat het leuk zou zijn, omdat we dachten dat we ook Bonkje er een groot plezier mee zouden doen.

Als we naar de auto teruglopen – voorzichtig de bevroren plassen op het weiland ontwijkend – hoor ik van manlief dat Bonkje hem, terwijl ze uit alle macht probeerde haar tranen in te slikken, had gevraagd:
“Maar papa, als ik nou ècht bang ben, wat dan?”
Het idee van een medaille was heel aanlokkelijk, maar met ijskoude voeten ziet de wereld er opeens heel anders uit. En dan zo’n immense, bevroren vlakte – en een route waarvan je het eind niet kunt zien – dat is wel even iets anders dan de overzichtelijke vaart om de hoek.

Bonkje is zo uitgeput van alle emoties dat ze in de auto al snel in slaap valt – iets dat normaal gesproken niet snel gebeurt.

Manlief legt zijn hand op mijn knie. Hij heeft het wel te verduren met twee vrouwen zoals wij. Na een sniffende Bonkje heeft hij nu ook nog een van frustratie sniffende echtgenote.
“Is het echt zo erg?”
Nee. Het is belachelijk. Ik stel me aan. Bovendien mag ik nog fijn even autorijden door het mooie winterse landschap.

Voor ik de auto terugbreng naar het verhuurbedrijf, kan ik nog heel even schaatsen op het Naardermeer. Bonkje wil mee.
“Dat had je gedroomd! Vanmiddag wilde je niet meer – nu blijf je maar mooi thuis.”

Terwijl ik de ondergaande zon op het ijs zie weerspiegelen probeer ik mijn teleurstelling over de mislukte toertocht te vergeten. Dit is toch schitterend? Zonde om dat te laten bederven door dingen waar ik toch al niets meer aan kan veranderen.

En ja, Bonkje is nog maar een kleuter.
Meestal is ze een grote, flinke kleuter. Ze is tenslotte ”al van groep 2″. Maar soms, heel soms, is ze weer even een heel klein kleutertje. Een heel klein kleutertje met kleine, koude kleutervoetjes.

Zie Bonkje on ice voor Bonkjes eerste schaatsavontuur ooit.
Nieuwsgierig hoe de naam Bonkje is ontstaan? Lees dan het eerste Bonkje verhaal

Bonkje on ice

De beklimming van de Mount Everest is er niets bij.

Het beste is om te schaatsen op een kunstijsbaan. Als u op natuurlijk ijs wilt schaatsen zorg ervoor dat het toegestaan is. Controleer of het ijs al dik genoeg is zodat u er niet doorheen zakt. Waarschuw ook (uw) kinderen en anderen hiervoor. (…) Ga nooit op afgelegen plekken schaatsen. Neem in ieder geval een gsm mee die u verpakt in plastic, een stuk touw om uit het wak getrokken te kunnen worden en een stok van 1,5 meter om over een wak te kunnen leggen en uzelf uit het water te trekken. Neem altijd een ijspriem mee en draag deze om uw nek.

Uit: Schaatsen – instructies voor het gebruik schaats/ gevaren tijdens het schaatsen. HEMA B.V.

Er ligt ijs op de vaart. IJs dat sterk genoeg is om mensen te dragen. Het duurt even voor het echt tot ons doordringt – we zijn er inmiddels zo aan gewend geraakt dat het nooit meer lang genoeg vriest om te kunnen schaatsen. Maar nu dus wel en doordat manlief net de zolder een beetje heeft opgeruimd, weten we zelfs waar onze schaatsen ongeveer liggen.

Bonkje heeft nog geen schaatsen. Dus gaan we niet alleen op vuurpijlen uit, maar ook op schaatsen. Het zit mee: bij HEMA vinden we nog een paar schaatsen in de juiste maat. Ze zijn wel duurder dan de bedoeling was, maar ze hebben als pluspunt dat ze ook als inline skates te gebruiken zijn. En ze hebben precies de juiste kleur: wit met roze.

Bonkje is hoogst verbaasd.
“Waarom gaan jullie schaatsen kopen? Gaan jullie schaatsen kopen voor míj?”.
Zij heeft de link van “er ligt ijs” naar “het ijs is dik genoeg” naar “we kunnen schaatsen!” duidelijk nog niet gelegd.
Manlief voert een ernstig gesprek met haar.
“Lijkt het je leuk om met papa en mama te gaan schaatsen?”
Ja, dat lijkt Bonkje wel wat.
“Het is best moeilijk hoor, je zult wel moeten oefenen voor je het een beetje kan. En je zult ook wel eens vallen.
Lijkt het je dan nog steeds leuk?”
Dat geeft allemaal niets, natúúrlijk lijkt het haar nog steeds leuk! Bovendien kàn ze al schaatsen!
“Op school schaats ik wel eens, op één been – en dan zet ik af met het andere. En bij De Ronde Tafel ook!”

Beelden van dubbele ijzertjes, Friese doorlopers en gewone rolschaatsen dringen zich aan me op. Maar de twijfel of we zo snel nog ergens anders schaatsen op de kop kunnen tikken overheerst. Vooruit dan maar.

In de bus naar huis wordt Bonkje steeds drukker van het vooruitzicht te gaan rolschaatsen – uh, oh nee, scháátsen. Haar vriendinnetjes gaan vast niet schaatsen en die kunnen het vast ook niet hè?
Ssst, niet zo gillen – en blijf eens zitten!
We vertellen haar nog maar een keer dat het ècht niet zo makkelijk is en dat het net is als met fietsen zonder zijwieltjes – dat ging ook niet in één keer goed.
O ja, dat is ook zo. Maar zij kan het echt hoor!

Eenmaal thuis gekomen blijkt dat we nog even geduld moeten hebben voor we ons op het ijs kunnen begeven. Eerst zullen de inlineskates nog moeten worden omgetoverd tot schaatsen.
Na de drie uur die ik samen met Bonkje bezig ben geweest met het in elkaar zetten van het Playmobilhuis dat ze “van Sinterklaas” had gekregen, laat ik deze klus graag aan manlief over. Gelukkig is hij er zelf van overtuigd dat dit een typische papa-taak is. En dat het een mooi kliksysteem is.

Maar de plaatjes in de handleiding zijn zo klein dat je er weinig aan hebt en het mooie kliksysteem blijkt toch niet zo klikkerig te zijn. Het bestaat vooral uit moeren, schroeven en klinknagels.
Terwijl Bonkje op één inlineskate de huiskamer onveilig maakt en steeds enthousiaster wordt, bespeur ik bij haar papa juist een snel opkomende chagrijnigheid.
“Kom”, zeg ik tegen Bonkje, “wij kunnen ondertussen mooi even boodschappen doen.”
Bonkje protesteert hevig, maar is haar verontwaardiging snel weer vergeten als ze mag helpen bedenken wat we die avond zullen eten. Bovendien gaan we tot haar grote geluk ook nog naar de bakker om de oliebollen te kopen. Toch nog op tijd! Ze maakte zich al zorgen of we het niet zouden vergeten.

“Zou papa al aan het schaatsen zijn?” vraagt ze zich af als we weer voor de schuttingdeur staan. Maar nee. Vanuit de tuin kunnen we hem zien zitten. Zo te zien is hij nog steeds bezig.

Als we op een glibberig steigertje eindelijk onze schaatsen aantrekken,
duim ik dat Bonkje er niet na drie minuten al zo schoon genoeg van heeft dat ze vervolgens nooit meer het ijs op wil.
Maar mijn angst – en die van manlief, die de inlineskates-slash-schaatsen het afgelopen uur het liefst de vuilnisbak had ingeknikkerd – blijkt ongegrond.

Oei, wat is dat ijs glad!
Bonkje hangt aan haar papa’s benen en zwabbert als een tekenfilmfiguurtje alle kanten op. Het is erg komisch, al maak ik me bij tekenfilmfiguren wel een stuk minder zorgen over eventuele builen.

Mmm, zo had Bonkje het niet helemaal voor zich gezien.
Maar ze blijft lachen. Bovendien ziet ze een jongetje van haar leeftijd dat zich alleen al redelijk weet te redden op het ijs. Dat wil zij ook!
Na een tijdje glibberen en met aanwijzingen van manlief krijgt ze een beetje door hoe ze rechtop kan blijven staan. Horde één is genomen.

Zelf sta ik ook wat onwennig op het ijs.
Ik ben nooit een schaatskampioen geweest – tot mijn frustratie is het me bijvoorbeeld nooit gelukt om “pootje over” onder de knie te krijgen en ik heb ook nooit op noren gereden – maar na een pauze van twaalf jaar is het beetje techniek dat ik had wel erg roestig geworden.
Ik moet mezelf echt overwinnen voor ik mijn schaatsen van het ijs durf te tillen. Gaandeweg komt mijn vertrouwen in mijn eigen kunnen weer terug en durf ik manlief af te lossen.
Een beetje beweging is hem zeer welkom, want in zijn noren hebben zijn tenen het vriespunt inmiddels wel bereikt. Daar heb ik met mijn kunststof schaatsen in ieder geval geen last van.

Na een klein uur kan Bonkje zelfstandig een beetje vooruitkomen.
Ze valt vaak, maar het lukt haar uiteindelijk om in ieder geval het achterover vallen te beperken en vaker vóórover en minder hard op het ijs te landen.
“Kijk mama! Goed ben ik voorover gevallen hè?”
“Ik vind het hardstikke knap van je!”
We mogen haar ook niet meer overeind helpen of meer instructies geven.
“Nee, ik wil dat niet, ik wil het op mijn éigen manier!

Voor haar eerste schaatsavontuur alsnog in een drama kan eindigen, gaan we naar huis. Na de belofte dat we morgen nog een keer gaan schaatsen kan zelfs Bonkje zich daar in vinden. Als Bonkje ’s nachts haar oma aan de lijn heeft om haar een gelukkig nieuwjaar te wensen vertelt ze vol vuur over haar belevenissen.
“We gingen schaatsen en ik kon al heel goed zelf schaatsen en ik viel wel maar eerst viel ik achterover en toen ging ik leren voorover te vallen en toen deed het niet zo’n pijn en toen gingen we een oliebol eten en morgen gaan we weer schaatsen!”

Gek genoeg zijn we niemand tegengekomen met een kluwen touw om zijn schouder, een stok van 1,5 meter op zijn rug en een ijspriem om zijn nek. Misschien kwam het doordat we niet op een afgelegen plek hebben geschaatst.
Het lijkt mij echter waarschijnlijker dat de schaatsers die wij tegenkwamen schaatsen net als wij niet associëren met levensgevaarlijke bezigheden, maar met woorden als “ijspret”, “erwtensoep” en “warme chocolademelk”.

Overigens was het pas echt levensgevaarlijk geweest om Bonkje een ijspriem om haar nek te laten dragen.

Lees hier hoe de naam “Bonkje” is ontstaan

*****
Speciaal voor de mensen die schaatsen willen kopen bij de HEMA en in hun zoektocht hier zijn blijven hangen: website HEMA – meisjes skate/schaats. In de winkel was overigens ook een “jongensvariant” verkrijgbaar.

En voor de mensen die graag de ongerepte schaatsvlaktes verkennen en op zoek zijn naar een ijspriem: via (bijvoorbeeld) de site van de Stichting Veilig Natuurijsverkeer kunt u een veiligheidsset kopen.