Lampionnetje

Eigenlijk zouden we dit jaar niet gaan. Maar ja, Bloem had dit jaar maar liefst twéé hele mooie (bijna) zelfgeknutselde lampionnetjes – nog één van het kinderdagverblijf èn een van de eerste week op school. Uiteindelijk hebben we dus toch maar een klein rondje gemaakt. En het liedje ‘lampionnetje’ dat we vorig jaar hadden ingestudeerd was nog steeds een succes.

Bonkje & Bloem zingen ‘Lampionnetje’
Lampionnetje, lampionnetje
schijn maar in de donk’re nacht
als een sterretje
als een zonnetje
licht heeft veel geluk gebracht.

Dat het maar een klein rondjes was, was overigens niet te zien aan de hoeveelheid snoep die de dames hadden opgehaald – bijna overal ‘mochten ze nog wel wat pakken’. Gelukkig telde ik ook nog een paar mandarijnen.

Toen ik Bloem voorstelde dat ze misschien ook opa en oma, die op dinsdag altijd komen, ook iets uit haar snoeptrommeltje kon geven, keek ze een beetje bedrukt. Haar gezichtje klaarde echter op toen ze zich de mandarijntjes herinnerde: die mochten opa en oma wel hebben. Delen valt niet mee.

Naar school

‘Ik zal mijn vriendjes van het kinderdagverblijf wel missen.’
‘Ja, maar we kunnen heus nog wel eens afspreken hoor.’
‘Nu moet ik aan die kindjes vragen of ze mijn vriendje willen worden. Maar dan zeggen sommige kinderen nee en misschien zeggen ze allemaal nee.’
‘Dat zal wel meevallen,’ zeg ik iets stelliger dan ik me voel, ‘je leert ze snel genoeg kennen. En dan merk je vanzelf wie je aardig vind – en wie het leuk vindt om met jou te spelen.’

De avond voor ze voor het eerst gaat wennen op school, heeft ze buikpijn en kan ze niet slapen. We nemen haar uiteindelijk maar een tijd bij ons in bed. Ik aai zachtjes over haar buikje, haar wang en haar haar en denk terug aan hoe ze naast me lag toen ze pasgeboren was.

De volgende ochtend ga ik met haar mee naar school. De juf verwelkomt ons en laat zien dat er aan de kapstok al een luizenzak klaarhangt met Bloems naam erop en een stickertje erbij. En in de kring staat een stoeltje – ook met haar naam en met een stickertje met hetzelfde plaatje. Ik ga zitten op Bloems stoeltje en lees een verhaaltje voor – totdat de juf begint. Ik vraag Bloem of ze nog even op schoot wil zitten, of dat ik nog even op een tafel net buiten de kring zal gaan zitten. Maar nee, ik moet helemaal weg, want de juf gaat beginnen en alle andere ouders lopen ook het lokaal uit! Dus sta ik onverwacht snel buiten. Door het raam zwaai ik nog even naar haar. Ze zwaait vrolijk terug. Uh – nou – dan ga ik maar aan het werk.

Als ik haar aan het eind van de ochtend ophaal, rent ze stralend op me af. ‘Kijk, ik heb een sticker verdiend! En ik heb met een meisje gespeeld!’ Hoewel ik er ergens wel vertrouwen in had dat het goed zo komen, valt er toch een pak van mijn hart. Maar leuk vind ik het nog steeds niet. Vanochtend had ik een laatste oudergesprek met één van Bloems vaste leidsters van het kinderdagverblijf en ik kon een paar tranen niet onderdrukken. We hebben enorm geboft met Bloems leidsters – ze is dol op ze en wij stiekem ook. We lieten haar altijd met gerust hart achter. Ze was in goede handen en kon er naar hartelust spelen èn zich ontwikkelen.

Nu wordt onze peuter een kleuter. Ik weet dat ze bij de kleuters heus ook nog wel spelen, maar toch voelt het beklemmend, als het begin van ‘het moeten’, dat nooit meer ophoudt. Wat zou ik graag willen dat ze nog een jaartje drie bleef. Dat ze nog niet aan kleuter-citotoetsen wordt onderworpen (we leven in doorgeslagen maatschappij als je het mij vraagt). Dat ze nog wat langer zo heerlijk onbezorgd bleef.

Maar ja, aan de andere kant is ze er misschien ook wel aan toe een stapje verder te gaan. Ze wijst enthousiast letters aan op straat en afgezien van de keer dat ze riep dat ze geen huiswerk wilde, niet naar school wilde, niet wilde studeren en niet wilde werken (tja, dat heb je als je je grote zus met tegenzin huiswerk ziet maken) – afgezien van die keer kan ze nu eigenlijk niet meer wachten om ‘helemaal’ naar school te gaan. Zeker niet nu ze voor haar verjaardag een mooie schoolrugzak, broodtrommel en drinkbeker heeft mogen uitkiezen.

Morgen gaat ze nog één dagje naar haar vertrouwde groep en dan moeten we er toch echt aan geloven. Ik neem nog maar een glas wijn. Loslaten valt niet mee.

Dag van de leidster

Soms is het een beetje druk en voel ik me net een jongleur die vijf ballen in de lucht probeert te houden. Gelukkig zijn het geen echte ballen, want dan lukt het me zelfs niet met drie. Maar bij meer dan drie imaginaire ballen, is de kans dat ik er één laat vallen bijna net zo groot.

Er kleeft een geeltje op mijn toetsenbord. ‘Bloemen maken voor de leidsters’. Dus daar zitten we, Bloem en ik. We zijn er extra vroeg voor opgestaan. Eerder deze week lukte het niet door verjaardagen, traktatie, de deadline van een zelfgemaakt familietijdschrift voor mijn oma en meer van dat soort dingen.
‘Wat voor bloemen zullen we maken?’ vraag ik haar en we bekijken een aantal plaatjes.
Rozen, vindt Bloem. Rode rozen.
Met een groen kaartje eraan.
Zij aan zij zitten we aan mijn bureau. Uit groen papier knippen we drie kaarten, waarop we haar handje omtrekken. Daarna mag Bloem ze verder versieren.
Ondertussen volg ik de instructies van een video op YouTube, waar iemand de moeite heeft genomen om stap voor stap te laten zien hoe je een eenvoudige origami-roos kunt vouwen. Lang leve internet.
‘Kijk mama, ik maak grote en kleine stippen want we hebben het over groot en klein.’
‘Ja, ik zie het, leuk hoor.’
‘Stippen in allemaal kleuren, dan is het extra feestelijk.’
‘Dat is het zeker.’
Ik vouw en ik vouw. Het begin is simpel, het kost alleen tijd – zeker als je alles drie keer moet doen; maar ja – Bloem heeft nu eenmaal drie vaste leidsters. Maar dan komt er een stukje dat er op de video heel anders uitziet dan bij mij. Hè? Hoe krijgt hij dat nu voor elkaar?! Ik ben bang dat ik bij ‘only one tricky part’ uit de toelichting bij de video ben aangeland. Ik kijk het stukje nog een keer, vouw mijn blaadje weer open en probeer het opnieuw.
Origami Rose (Jo Nakashima) – YouTube

En eindelijk – ik snap nog steeds niet precies hoe – heb ik iets in handen dat vagelijk op het voorbeeld in de video begint te lijken. Dat is één. Nu de volgende twee. Ik begin een beetje gestrest te raken, want het duurt een stuk langer dan ik dacht. Als ik nu gewoon een paar gekleurde papiertjes had uitgeknipt en Bloem die op een blaadje had laten plakken, waren we een stuk sneller klaar geweest. Maar ja, ik ben nu al zover dat ik dat een beetje zonde vind van de tijd die er al in zit. Gelukkig zijn de stelen sneller klaar, al heb ik er weinig vertrouwen in dat ze goed zullen blijven zitten, dus doe ik iets dat natuurlijk helemaal niet hoort in een origami-vouwwerkje: ik plak alles met plakband stevig aan elkaar vast. Het zal me niet gebeuren dat we nu nog de helft verliezen! We maken Bloems kaartjes met een mooi lintje aan de steeltjes vast en vertrekken dan eindelijk – veel te laat – naar het kinderdagverblijf.

Als ik mijn fiets in het rek zet, bedenk ik plotseling dat het wel vreemd is dat we niets hebben hoeven maken voor Lunes leidsters van de buitenschoolse opvang…. of…. voor wie moesten we eigenlijk bloemen knutselen?! We stappen het kantoortje in om de bloemen af te leveren, waar inderdaad blijkt dat ik me heb vergist; in de e-mail die we van de oudercommissie kregen stond helemaal onderaan dat de bloemen voor de leidsters van de BSO waren. Aaaaargh! Ik was nog wel zo tevreden dat ik het tussen de enorme berg e-mails had gezien èn onthouden. En nu heeft Lune, die allang op school zit, vanmiddag helemaal niets.

Nou ja, eerst Bloem maar naar haar groep brengen – met haar rozen. Trots en blij geeft ze de leidster die het dichtst bij de deur staat, een roos. ‘Kijk, dit zijn allemaal feestelijk stippen!’. De leidster kijkt en luistert aandachtig en bedankt haar uitvoerig. Dat is een verrassing! Bloem en ik geven elkaar een kus, zwaaien naar elkaar door het raampje en dan vlieg ik ervandoor.

Het zit me toch niet lekker dat Lune nu niets heeft – maar samen nog iets knutselen is geen optie meer. Dan maar improviseren. Ik besluit vanmiddag langs de bloemenwinkel te fietsen; voor de leidsters van Lune een klein boeketje te kopen met een kaartje erbij. Als ik ervoor zorg dat ik om 15:00 uur bij school sta, kan ik dat aan Lune meegeven en kan zij nog iets op de kaartjes schrijven. Gelukkig werk ik thuis vandaag – al ben ik de reistijdwinst die ik op dat soort dagen normaal gesproken heb inmiddels wel kwijt. Maar Bloem en Lune staan in ieder geval niet als enige kinderen met lege handen op de dag van de leidster en dat maakt een hoop goed. Dan is het zelfs niet zo erg om vanavond nog wat tijd in te halen.

Vlucht KL1622

Vlak voor de afslag naar Aeroporto Internazionale di Napoli (Capodichino), passeren we drie tankstations, maar ze liggen allemaal aan de verkeerde kant van de vangrails. Eerst maar richting Autonoleggio Aeroporto di Napoli dan. Misschien komen we vlak daarvoor nog een tankstation tegen. Helaas. Het goede nieuws is dat we het terrein van de autoverhuurbedrijven snel terugvinden, maar zonder volle tank kunnen we ons Fiat Pandaatje niet inleveren.

“Driving in Naples? Don’t”
Gelukkig hebben we ruim de tijd uitgetrokken voor deze fase van de terugreis, zodat we, als we opnieuw op de snelweg zitten en na een paar afslagen en verbindingslussen het spoor volkomen bijster zijn, in ieder geval niet bang hoeven te zijn onze vlucht te missen. Op miraculeuze wijze komen we uiteindelijk weer op de goede weg, kunnen we de tank bijvullen en weten we het verhuurbedrijf te bereiken zonder per ongeluk in het centrum van Napels te belanden. Na de hectiek van het verkeer in Salerno aan den lijve te hebben ondervonden en de waarschuwing over autorijden in Napels uit de Lonely Planet laat ik dat liever aan koelere hoofden over:

There can be no greater test of courage than driving your own vehicle in Naples. As a means of locomotion, it’s of limited value. The weight of the anarchic traffic means that cars rarely travel faster than walking pace and parking is an absolute nightmare. A scooter is quicker and easier to park but is even more nerve-wracking to ride. Car and bike theft is also a major problem.
If you’re determined to drive, there are some simple guidelines to consider: get used to tail-gaters; worry about what’s in front of you not behind; watch out for scooters; give way to pedestrians no matter where they appear from; approach all junctions and traffic lights with extreme caution, and keep cool.

Bron: http://www.lonelyplanet.com/italy/campania/naples/transport/getting-there-around#ixzz2b832i68v

Rara wat ben ik?
Ruim op tijd zijn we op het vliegveld voor onze vlucht naar Milaan. Bij het inchecken krijgen we ook meteen instapkaarten voor de volgende vlucht, van Milaan naar Amsterdam, en onze bagage zal rechtstreeks van het eerste naar het volgende vliegtuig worden gebracht. Nadat we door de douane zijn, eten en drinken we wat en nemen we een kijkje in de winkeltjes, maar dat zijn er niet veel. Manlief heeft echter nog een troef achter de hand om Bloem bezig te houden: het spelletje ‘Rara wat ben ik?’. Eigenlijk is het voor iets oudere kinderen, maar dat houdt het ook voor Lune* leuker als die meespeelt. Bovendien is manlief meester in het onopgemerkt sturen van het spelletje zodat Bloem steeds beter snapt wat de bedoeling is en weet hij het moment waarop hij raadt wat hij zelf is, eindeloos uit te stellen. Als het tijd is om de boel op te bergen, heeft Bloem er nog lang geen genoeg van.

Zuid-Italië 2013
Zuid-Italië 2013

Ondanks de krappe overstap is er in Milaan voldoende tijd om het spel nog een keer te spelen. Verschillende mensen om ons heen – we zaten bijna de hele vakantie vrijwel alleen tussen de Italianen, maar nu is het gros van de mensen om ons heen weer Nederlands – hebben er ook zichtbaar plezier in. Vooral de volwassenen, die het ‘dubbele’ spel meekrijgen. Lune heeft niet meer zo’n zin in het spel en kijkt samen met mij hoe alle koffers en tassen in het bagageruim worden geladen. Op het één-na-laatste karretje zien we ook onze eigen bagage, die door het oranje koffertje van Lune goed te herkennen is. Maar voordat die aan de beurt is, worden er plotseling weer tassen en koffers uit het ruim gegooid. Lune is hoogstverontwaardigd (en een tikje benauwd) en zint hardop op een list om zelf het vliegveld op te kunnen stormen om de boel te redden en de mannen de les te lezen. Wat denken ze wel!

Vlucht KL1622: Milaan (LIN) – Amsterdam (AMS) – KLM/ Alitalia
Tien minuten eerder dan gepland, om 18:50 uur, mogen we het vliegtuig in. Voor de zekerheid melden we onze zorgen aan een stewardess, die ons geruststelt. Er zijn meer mensen die hun bagage weer van boord hebben zien gaan, maar blijkbaar heeft dat met de balans van het toestel te maken. Er wordt nu een luik helemaal voorin het vliegtuig geopend voor alles wat nog – of weer – buiten ligt. Mooi.

Het vliegtuig zit helemaal vol. Wij zitten twee aan twee achter elkaar op de middelste stoel en de stoel aan het gangpad. Het meisje (23) dat naast Bloem en mij zit, vraagt of Bloem aan het raam wil zitten, maar dat wil ze niet. De moeder van het meisje zit in de rij voor ons. Lune en Bloem hebben allebei een klein zakje snoepjes mogen uitzoeken voor de start en de landing, en kiezen alvast een snoepje voor als het vliegtuig opstijgt. Maar hoewel we eerder dan gepland zijn ingestapt, verstrijkt onze aangegeven vertrektijd (19:40 uur) zonder dat er iets gebeurt. We bekijken het vliegtuigtijdschrift.

‘Ik zie een schildpad!’ roept Bloem enthousiast. Ik moet de schildpad ook bewonderen voor ze doorbladert tot een pagina waarop de vliegmaatschappijlogo’s en vliegtuigtypes staan afgebeeld.
‘Daar vlogen we mee, hè mama?’ zegt Bloem, terwijl ze naar het Alitalia-logo wijst.
‘Ja, dat klopt’.
‘En nu?’
‘Nu zitten we in een KLM-toestel, kijk, zo één, met wit en blauw en een kroontje’.

Vastgeslurfd
Dan klinkt er wat gekraak uit de luidsprekertjes en legt de gezagvoerder ons uit waarom we nog steeds aan de grond staan. Het lukt niet om de slurf van de passagiersbrug los te koppelen van het vliegtuig. Er is een technicus opgeroepen, maar de piloot verwacht dat het op zijn Italiaans zeker nog wel een kwartier zal duren voor die ter plekke is. Ondertussen is het verzoek om zoveel mogelijk te blijven zitten. Het bericht zorgt voor enige hilariteit en er worden om ons heen diverse sms’jes en What’s-Appjes naar Nederland gestuurd.

Lune mag een spelletje spelen op haar Nintendo. Als ze ergens echt niet uitkomt mag manlief soms even helpen, maar wel onder een doorlopende stroom aanwijzingen van dochterlief. Voor Bloem, die dol is op auto’s, hebben we nog een nieuw boekje over allerlei voertuigen. Als we dat ook gelezen hebben beginnen we aan Barbapapa. We krijgen te horen dat er ‘extra catering’ besteld is omdat het zo lang duurt. Bloems snoepje wordt steeds smoezeliger en haar handje steeds kleveriger, dus laat ik het haar opeten. De rest van de snoepjes laten we nog wel even in het zakje zitten. Op het gangpad wordt het steeds drukker en mensen die ver van elkaar vandaan zitten gaan maar eens bij elkaar buurten. Een jongetje roept dat de slurf los is, maar er zit nog steeds geen enkele beweging in het toestel. Wij knopen een gesprekje aan met het meisje en haar moeder, die de volgende dag jarig blijkt te zijn. Ze hebben net samen een yogaweek achter de rug in Puglia. Er zijn mensen die vanuit Brindisi naar Milaan zijn gevlogen, mensen die in Sicilië op vakantie zijn geweest en uit Catania of Palermo komen en er is een man die er al 21 uur vliegen op heeft zitten. Amsterdam is zijn eindbestemming.

De wet van Murphy
Dan is er weer nieuws uit de cockpit. De slurf is los, maar nu is de deur kapot. Volgens de piloot omdat het grondpersoneel niet met de bemanning heeft overlegd. Dat past wel in de lijn, want de zwartepiet wordt vanaf het begin zoveel mogelijk toegespeeld naar andere partijen. Ik probeer me ondertussen voor te stellen hoe het gegaan is. ‘De slurf zit helemaal klem’. ‘Nessun problema, gewoon even hard rukken, dan is ‘ie zo weer los. En in het ergste geval hebben we altijd nog de heggenschaar.’
Gelukkig is de extra catering – voor iedereen een glaasje water – inmiddels gearriveerd, want het is erg warm en benauwd in het toestel. Thuisblijvers worden ingelicht dat het nog wel even kan gaan duren. De moeder van het meisje vertelt dat ze haar verjaardag dit jaar voor het eerst weer eens wat grootser wilde vieren en dat er familie en vrienden komen uit alle hoeken van het land. Het begint er echter naar uit te zien dat die misschien wel afgebeld moeten worden. Ondanks alles proberen ze het zen-gevoel echter nog even vast te houden. ‘En anders drinken we gewoon een glas champagne op de hotelkamer’ zegt haar dochter.

Flight KL1622, Milaan (LIN) - Amsterdam (AMS), scheduled departure 20130803 19:40hrs
Flight KL1622, Milaan (LIN) – Amsterdam (AMS), scheduled departure 20130803 19:40hrs

Ik ben vergeten te vragen of het nog gelukt is om champagne te bestellen – ik ben bang van niet – maar wat de rest betreft had het meisje een vooruitziende blik, want een uur nadat we zouden vertrekken wordt ons medegedeeld dat we met dit toestel helaas niet meer kunnen vliegen. Non si può più far niente. Het grondpersoneel op de luchthaven zal ons opvangen en vertellen hoe het verder gaat.

Si può tenere informati, per favore?
Grondpersoneel? Welk grondpersoneel? Informatie? Communicatie? Wat volgt is chaos. Niemand weet waar we naar toe moeten. Of en waar we onze bagage moeten ophalen. Uiteindelijk weet een medepassagier die goed Italiaans spreekt – en die zich ontpopt tot soort vaderfiguur-tolk-reisleider – iemand van de luchthaven te pakken te krijgen. We moeten met onze bagage naar boven, waar balies 1 tot en met 8 geopend zouden zijn om ons verder te helpen. Eenmaal boven blijkt die informatie niet helemaal te kloppen – er zijn uiteindelijk maar twee balies – met hele andere nummers – waar een paar mensen zich met ons ongeveer 200-koppige-probleem bezighouden.

Je zou zeggen dat ze op vliegvelden wel vaker met gestrande reizigers te maken hebben en een draaiboek klaar hebben liggen voor dit soort situaties, maar als dat al het geval is, dan blijkt dat hier nergens uit. Het begint al met het totale gebrek aan communicatie. Voor iemand van het personeel ons als groep toespreekt – op aandringen van enkele passagiers, zelf waren ze blijkbaar nog niet op dat idee gekomen – zijn we alweer een uur verder. En als dat toespreken dan nog gebeurt door een mevrouw met een heel zacht stemmetje, door een microfoontje dat net zo goed niet gebruikt had kunnen worden omdat het totaal geen bereik heeft, dan schiet het nog niet erg op. Om nog maar te zwijgen over het matige Engels dat ze spreekt. Op een luchthaven, zelfs een Italiaanse, zou ik beter verwachten. Maar goed – je zou ook kunnen zeggen dat mensen die op vakantie gaan naar het buitenland zelf meer moeite kunnen doen om de plaatselijke taal te leren.

Uiteindelijk bereikt de boodschap golfsgewijs alsnog ook diegenen die het verst weg staan: we moeten ons allemaal melden bij de balies, dan worden onze namen genoteerd en wordt er gekeken hoeveel hotelkamers er nodig zijn. Oh? Ja, vliegen zit er deze avond niet meer in. Mensen die contact hebben gehad met familieleden en vrienden in Nederland hadden allang gehoord dat we waarschijnlijk pas morgen zouden vertrekken – maar ja, je moet toch afwachten of die informatie inderdaad klopt en bent afhankelijk van wat je uiteindelijk ter plekke te horen krijgt.

Lijstjes
Een passagierslijst, om de boel iets efficiënter te laten verlopen, hebben ze blijkbaar niet. Kennelijk hebben ze ook niet zo’n goede band met de Amerikanen dat ze de gegevens even uit PRISM kunnen halen. Dat het best een ingewikkelde klus is om ’s avonds last-minute voor 200 mensen bussen en een hotelkamer te regelen, snap ik best. Maar hoe moeilijk is het, om zelfs zonder passagierslijst een nieuwe lijst op te stellen en groepjes te maken. Dat hoeft toch niet zo lang te duren? Ondanks het lange wachten en het totale gebrek aan communicatievaardigheid en organisatietalent op de vloer, blijft de sfeer echter redelijk. Ik heb niet zo’n positief beeld van ons volk en vreesde veel agressief en onbeschoft gedrag, maar dat blijft uit. Iedereen baalt natuurlijk wel, maar de meeste mensen zijn wat gelaten en velen proberen met wat humor de moed erin te houden. Ook alle kinderen zijn lief en zorgen niet voor overlast. Op een bepaald moment vraag ik me zelfs af of we ze niet beter hadden kunnen opstoken om het vlak voor de balies op een krijsen te zetten – misschien had dat de boel nog wat kunnen versnellen.

Wachten...
Wachtend op het vliegveld van Milaan

We zijn echter nog geen Engelsen, want van nette rijen is inmiddels geen sprake meer. Iedereen is moe, hongerig en dorstig, wil graag weten waar ‘ie aan toe is en stroomt van alle kanten naar voren. Bloem ziet steeds witter van vermoeidheid en probeert bovenop de bagage een goede slaaphouding te vinden, maar tevergeefs. Na een hele tijd begint ze zachtjes een beetje te snikken: ‘Mama, waarom is de deur van het vliegtuig stuk? Ik wil naar huis!’ Ook Lune, die laat opblijven toch hoog in het vaandel heeft staan en vaak probeert of ze alsjeblieft nog éven op mag blijven, zou nu het liefste naar bed willen, maar zeurt niet. Ze wordt beloond voor haar flinkheid doordat ze met een jongetje mee mag kijken naar filmpjes van Tom & Jerry op een iPad.

Als onze namen eindelijk op een lijstje staan, wordt ons gewezen waar we moeten wachten. Dat het niet zo handig is om mensen aan twee uiteinden van een grote hal te laten wachten als je er niet bij vertelt waarom je ze een andere kant opstuurt, is wel duidelijk als er plotseling aan één kant namen worden opgelezen van inmiddels deels samengevoegde lijstjes. Dankzij enkele medepassagier-boodschappers snel ik naar de andere kant zodat we onze namen in ieder geval niet missen. Maar nee, wij staan hier niet bij. Sommige andere mensen die ook aan ‘onze kant’ stonden te wachten, wel. Even later zien we de eerste groep naar een bus vertrekken.

Om 23:55 uur belanden wij in de derde en laatste bus. Er was nog de nodige verwarring door de lijstjes; toen één lijstje werd verfrummeld, kon iemand nog net roepen: ‘ho, onze namen staan op dat lijstje, maar niet op de nieuwe lijst!’

‘È un autre mama’
Hoewel we blij zijn eindelijk het vliegveld te kunnen verlaten – Bloem is inmiddels, volledig uitgeput, op manliefs schouder in slaap gevallen – zakt de moed ons in de schoenen als we aankomen bij het hotel en daar nog een grote groep mensen in de hal zien staan uit de tweede bus. Paspoorten worden gekopieerd, sleutels moeten worden geprogrammeerd… Ik heb er nu ook wel genoeg van – als we met zijn tweeën waren zou het nog anders zijn, maar ik wil mijn peuterdochter nu echt snel in een bed kunnen leggen. Gelukkig schiet de vaderfiguur-tolk-reisleider ons te hulp en dankzij hem en vele begripvolle andere medereizigers mogen we voorgaan (è un autre mama, ha i bambini!) en kunnen we om 01:00 uur onze oververmoeide driejarige en hele flinke negenjarige in bed te leggen (De laatste mensen bleken pas om 03:00 uur een kamer te hebben gekregen…). Omdat we de hele avond nog niets gegeten hebben en alleen een bekertje water hebben gehad, hebben ze echter ook honger en dorst; dus kijken we wat de minibar op de kamers te bieden heeft. Nooit gedacht Bloem en Lune nog eens te zien dineren op een zakje salt-and-vinegar-chips. Gelukkig is er ook gewoon water, dat is toch net iets kindvriendelijker.

Saluta il giorno con un sorriso
Er is ons verteld dat we ’s ochtends om acht uur bij de balie van het hotel moeten verzamelen, dan horen we meer. Omdat we geen idee hebben of we daarna misschien halsoverkop het hotel moeten verlaten, besluiten we toch ook Bloem en Lune maar op tijd te wekken – dat valt nog niet mee, want Bloem is half in coma – zodat we in ieder geval voor die tijd ontbeten hebben. Gelukkig is het wel een goed hotel waar ze ons gedropt hebben. Prettig om even lekker te kunnen douchen en schone kleren aan te kunnen trekken. Ik voel me meteen een stuk meer mens. Ook het ontbijtbuffet is prima. Het is zeer uitgebreid en Lunes ogen zijn groter dan haar maag; maar ja, er is ook zoveel lekkers uitgestald.

Na het ontbijt blijkt dat we de dametjes rustig nog een tijdje hadden kunnen laten liggen, want om acht uur is er bij de balie niemand te bekennen en hebben we nog steeds geen idee of we vandaag wel zullen vliegen en zo ja, hoe laat dan.

Tartarughe
Gelukkig is het nog steeds prachtig weer en blijken er in de vijver van het aangrenzende parkje naast een paar eenden en zwanen, karpers en schildpadden te zwemmen. Vooral Bloem is verrukt over deze onverwachte ontdekking – helemaal als ze samen met Lune wat brood mag voeren. Niet dat de schildpadden daar veel van krijgen, want de karpers komen er massaal op af en zwemmen daarbij dwars over de schildpadden heen en als de schildpadden onverhoopt toch nog in de weg zitten, happen ze agressief naar alles dat ze te pakken kunnen krijgen. De eenden jagen ze met hun gedrag zelfs helemaal weg – die durven na één poging niet meer in de buurt te komen. Het is jammer dat de zwanen dan weer uit beeld zijn verdwenen, want ik had wel eens willen zien of die zich ook hadden laten wegjagen, of dat dan toch de karpers aan het kortste eind hadden getrokken.

Tartarughe (schildpadden)
Tartarughe (schildpadden)

Ook de andere kinderen hebben de schildpadden ontdekt en al snel zie ik niet alleen stukjes brood in de gulzige karperbekken verdwijnen, maar ook stukjes cake, een hele plak ham en zelfs een ei. Ik vraag me af of karpermagen dat allemaal wel kunnen verdragen, maar vrees dat ik me er niet echt druk over maak – ik vind het maar nare beesten. Als Bloem genoeg heeft van de schildpadden, halen we ‘Rara wat ben ik’ nog maar een keer tevoorschijn.

Rond 11:00 uur arriveert er een bus bij het hotel. Er blijkt weer een lijstje namen te zijn – dit keer getypt – van mensen die mee mogen. Wij staan daar niet bij, maar even later komt de buschauffeur de hal weer ingelopen om te zeggen dat er nog tien plaatsen zijn. De hal is inmiddels een stuk leger en we hebben geruchten gehoord dat er om 13:00 uur een vliegtuig naar Amsterdam vertrekt, dus laten we in vredesnaam zorgen dat we dan in ieder geval weer op het vliegveld zijn: ja, wij gaan graag mee. (Wat zeg je Bloem? Moet je naar de wc? Dan moet je het nu echt even o ophouden lieverd, zometeen, als we op het vliegveld zijn!)

Iene, miene mutte
Op het vliegveld mogen we weer aansluiten in de rijen voor de inmiddels bekende balies. Sommige mensen worden weggestuurd, die krijgen te horen dat ze over een paar uur maar terug moeten komen omdat ze pas laat in de middag vliegen – over Frankfurt of over Londen. Maar we zien ook mensen voorbijkomen met een instapkaart voor het vliegtuig dat, met hetzelfde vluchtnummer als gisteren, helemaal bovenaan alle informatieborden staat, met vertrektijd 13:00 uur. We vragen ons af of het soms een ander, maar kleiner toestel is dat onder hetzelfde vluchtnummer zal vliegen, want waarom is het anders nodig ons op te splitsen? Ook is volkomen onduidelijk op basis van welke criteria wie voor welke vlucht geselecteerd is. Iene miene mutte? We kunnen alleen maar hopen dat wij tot de groep gelukkigen horen die rechtstreeks zullen vliegen. Al beginnen we ons ook daar wel wat zorgen over te maken, want het is inmiddels al bijna 13:00 uur. Ze zullen nu toch wel wachten totdat de vlucht vol zit voor ze vertrekken?

Wc’s met een eigen wil
Omdat het totaal niet opschiet, kan ik terwijl manlief in de rij blijft staan in ieder geval nog wel naar de wc met Bloem en Lune. Lune wil het liefst alleen naar de wc gaan en alleen teruglopen, maar dat vind ik niet goed – zeker niet als blijkt dat we niet naar het dichtstbijzijnde toilet kunnen omdat ze daar net aan het schoonmaken zijn. Ik moet er toch niet aan denken nu ook nog een kind kwijt te raken op het vliegveld. Lune vindt het maar onzin en is een beetje boos op haar stomme, overbezorgde moeder; maar als ze bij het teruglopen bijna de verkeerde kant oploopt vindt ze het toch wel prettig dat we samen zijn.

Bloem heeft hele andere dingen aan haar hoofd dan haar grote zus. Hoewel ze er in het hotel nog heilig van overtuigd was dat ze heel nodig naar de wc moest, durft ze nu niet meer, omdat het toilet terwijl ze erop zit telkens automatisch doortrekt (de andere toiletten ook, dus het heeft geen zin een ander hokje op te zoeken). Het is dus reuzegezellig op de wc: met een brullend kind dat me bijna in haar paniek bijna wurgt half op de wc en half om mijn nek en pas na een hele boze uitval van mij eindelijk een miniplasje doet; en een oudste die ‘buiten’ zuchtend op ons staat te wachten. Mijn eigen humeur wordt er ook niet beter op, maar gelukkig mag ik zelf ook nog even naar de wc en bieden de koude-continu-doortrek-spetters op mijn billen de broodnodige afkoeling. Misschien is het daar wel voor bedoeld: het in toom houden van oververhitte reizigers.

Il premi premio
Als we aan de beurt zijn, voelen we ons net alsof we de loterij hebben gewonnen: wij mogen mee met de rechtstreekse vlucht, hoera! We krijgen nieuwe instapkaarten – op de ene kant staat de nieuwe datum en de nieuwe vertrektijd, op de kant die we overhouden nadat de rest is afgescheurd staan de oude gegevens, van de oorspronkelijke vlucht.

Instapkaarten KL1622 - KLM/ Alitalia - curieus....
Instapkaarten KL1622 – KLM/ Alitalia – curieus….

Inderdaad wordt er nu wel op iedereen gewacht – tenminste, op iedereen die op de ‘gouden’ lijst stond. Nu wordt eindelijk ook duidelijk waarom niet alle passagiers op deze vlucht zijn geboekt. Het heeft te maken met veiligheidsmaatregelen. Het is hetzelfde toestel als de dag ervoor, met dezelfde bemanning. De deur is inmiddels dusdanig gerepareerd dat dit geen gevaar meer op zou moeten leveren tijdens de vlucht. Maar bij een eventuele evacuatie mag de deur niet gebruikt worden en daarom mogen er minder mensen mee.

Iedereen is opgelucht dat wij tot de gelukkigen behoren die niet nog langer hoeven te wachten en dan ook nog via allerlei omwegen hoeven te reizen, dus de bereidheid te geloven dat het geen gevaar oplevert is groot. Wel is iedereen bijzonder alert bij het standaardpraatje over zuurstofmaskers en vluchtwegen en het leidt tot grote hilariteit als de steward zich bij het aanwijzen van de vluchtwegen vergist en net als anders ook de linker-voordeur aanwijst. Gelukkig ziet de bemanning er zelf ook wel de humor van in. Verder proberen ze echt het ons extra naar de zin te maken – dit keer bestaat de extra catering naast een Italiaanse sandwich, iets fris en een chocolaatje uit een wijntje of biertje – en biedt de captain zijn excuses aan voor hoe het allemaal is gelopen. Hij belooft ook een rapport te zullen schrijven over wat er allemaal mis is gegaan. Wat niet wegneemt dat er door een paar passagiers nog wel het initiatief wordt genomen om namen en e-mailadressen van iedereen te verzamelen die mee wil doen bij het indienen van een gezamenlijke klacht. Ik ben daar wel blij om; had zelf niet de puf meer gehad om zoiets nog te organiseren, maar hier zijn in mijn ogen wel kwalijk veel fouten gemaakt.

Polderbaan
Na een voorspoedige vlucht landen we, onder applaus voor de piloten, op – hoe kan het ook anders – de Polderbaan. Het kan me niets schelen. Een kwartiertje taxiën kan er ook nog wel bij. Het belangrijkste is dat we veilig zijn geland en dat wij zo in ieder geval naar huis kunnen, terwijl er pechvogels zijn die nu nog steeds in Milaan zitten! Bovendien is het best gezellig met onze medepassagiers, want dit soort dingen verbroedert wel: iedereen praat met elkaar. Ik zit naast een moeder en haar zoon, uit het zuiden van het land. Zij zijn met hun gezin o.a. naar Agrigento op Sicilië geweest. Leuk om te horen hoe dat was, want dat staat nog op ons vakantieverlanglijstje.

Murphy zou Murphy echter niet zijn als er niet nog één ding mis ging. Dus nadat vrijwel iedereen zijn bagage heeft opgehaald en weg is, staan wij nog tevergeefs te wachten op ons laatste bagagestuk: een grote rugzak, met al Bloems kleren, al mijn kleren, alle toiletspullen, opladers voor fototoestel en telefoon en misschien nog wel het belangrijkste: een paar van Bloems autootjes en haar pop.

Wel staan achter de ruiten onze (schoon)-ouders ons op te wachten, waardoor we Bloem en Lune – die dolenthousiast zijn hun grootouders te zien – alvast vooruit kunnen sturen terwijl wij nog even plaatsnemen bij de eerstehulp-bij-zoekgeraakte-bagage-post, waar blijkt dat we in Milaan bij het opnieuw inchecken geen nieuwe bagage-claim-kaartjes of -stickers hebben gekregen. Dan maar op omschrijving alleen. Best lastig – was ‘ie nu blauw of grijs? En wat was het merk ook alweer? De volgende keer maak ik voordat we vertrekken heel duidelijke foto’s van alle bagage – en van de bagage-etiketten. Gelukkig weten we wel zeker dat we er twee adreskaartjes aan hebben gehangen (waarvan één met het logo van een reisorganisatie waar we twee jaar geleden een reis bij hebben geboekt – nu maar hopen dat dat niet voor nog meer verwarring gaat zorgen). Om 17:00 uur kunnen wij de bagagehal gelukkig ook verlaten.

Opgelucht dat we op Nederlandse bodem staan – en misschien enigszins uitgelaten door het wijntje dat ik in het vliegtuig gedronken heb, ga ik ervan uit dat het nog wel goed zal komen met de rugzak. Voor Lune is de vermoeidheid en nu deze ontwikkeling echter net iets te veel. Ze wilde ook nog niet eerder met onze ouders mee om alvast iets te drinken, maar heeft met haar oranje koffertje continu gespannen voor de deuren op ons staan wachten. De tranen biggelen over haar wangen. Wat dat betreft is het maar goed dat Bloem nog een stuk kleiner is – die rent uitgelaten heen en weer en trekt gekke gezichten met oma. ’s Avonds bij het naar bed gaan vraagt ze wel:
‘Waar is pop?’
– want hoewel ze verder niet veel met pop speelt, ligt pop ’s nachts de laatste tijd vaak wel stevig vastgeklemd in haar armen.
‘Pop is nog even op reis’ antwoord ik, ondertussen een schietgebedje doend dat het inderdaad maar even zal zijn – en niet heel lang – of voor eeuwig.

“Please accept our apologies…” indeed
De volgende dag krijgen we in de loop van de morgen een berichtje van klm-courier:
KLM has found your lost luggage (2 bags). We will deliver it 5-8 between 12-16 hrs at …. (postcode). With kind regards, Besseling Koeriersdienst’

Twee tassen? Zou Murphy’s invloed nog niet uitgewerkt zijn? Maar ergens tussen het berichtje en de aflevering is er toch iets goed gaan, want er wordt maar één rugzak bezorgd – en het is inderdaad de onze. Hèhè…

KLM apologies
*Nieuwe blognaam voor Bonkje, die haar peuterblognaam inmiddels een beetje ontgroeid was.

*****
Uiteindelijk hebben we, nadat we ene klacht hadden ingediend, het grootste deel van de kosten van onze tickets van KLM teruggekregen – daar waren we heel blij mee. We hebben het geld opzij gelegd voor de volgende vakantie.

We hopen alleen wel dat vliegtuigmaatschappijen niet te vaak met dit soort stroppen te maken hebben, want dan kunnen we in de toekomst nooit meer vliegen omdat alle maatschappijen failliet zijn.

Hun kind

Nadat ze heerlijk in de tuin hadden gespeeld (badje, trampoline) met hun achterneefje en achternichtje; taart, chips, toastjes, een broodje en meloen hadden gegeten; hun kleinste, in mei geboren achterneefje vast hadden mogen houden en een watergevecht hadden gehouden; ging ik bijna met een kind minder naar huis. Bloem (heel enthousiast): ‘Mama, ik wil hun kind zijn’. Toen ik vervolgens heel zielig keek, wilde ze nog wel een concessie doen. ‘Dan blijf ik zes dagen en dan kom ik weer bij jullie.’

Als de man van huis is

Als puber en in het begin van mijn studietijd kon ik me nogal opwinden over stereotype rolverdelingen tussen mannen en vrouwen. Zo verhuisde een vriendin van de ene naar de andere studentenkamer, waarbij onder andere haar vader kwam helpen. Toen we een kast of een bed van haar in elkaar wilden zetten, nam haar vader het meteen van ons over omdat dat natuurlijk helemaal niets zou worden anders. Het ergste vond ik dat het helemaal niet neerbuigend bedoeld was – nee, het werd gewoon gebracht als vanzelfsprekend feit. En mijn vriendin merkte het niet eens – of misschien kon het haar niet schelen. Bij veel ouders van vrienden om me heen zou de moeder ook nooit een fietsband plakken. Dat de vader een baan had, was normaal. Dat de moeder dat in veel gevallen niet had, ook. Bij sommige moeders bekroop me zelfs het gevoel dat ze als een soort spartelende visjes op het droge achterbleven als hun echtgenoot voor zijn werk een paar dagen van huis was.

Het zal mede gekomen zijn doordat ik jarenlang samen met mijn moeder ben opgegroeid. Bij ons geen vader die schijnbaar vastgeroeste deksels met veel aplomb opendraaide. Wij moesten het zelf oplossen. En dat deden we ook. Meestal. En als ik zo’n andere moeder hulpeloos naar lucht zag happen, was ik heimelijk trots op mijn moeder. Mijn moeder kwam overal waar ze wilde. Daar had ze niemands hulp bij nodig. En zo hoorde het ook, vond ik. En zelfs als je getrouwd was, dan mocht dat in mijn ogen niet ten koste gaan van je zelfstandigheid.

Dit jaar in oktober ben ik alweer negentien jaar samen met manlief. Daarvan zijn we er bijna – over twee dagen – tien getrouwd. Ik geloof dat het met de stereotype rolverdeling bij ons wel meevalt. Wel is in de loop der jaren geleidelijk een bepaalde taakverdeling ontstaan. Vanzelf. Meestal omdat de één iets al net iets vaker deed dan de ander. Omdat de één iets leuker vindt om te doen dan de ander*, of net iets minder erg. Omdat de één zich net iets eerder aan iets stoort dan de ander. Of simpelweg omdat de één iets beter kan dan de ander. Vaak hebben we daar ook wel vrede mee – al is het soms moeilijk de balans te vinden. Want het is natuurlijk wel makkelijk als de ander veel doet (en ik heb een man die heel veel doet), maar het moet wel eerlijk verdeeld blijven.

Enfin. Manlief is een paar dagen naar Duitsland voor zijn werk. En hoewel ik mezelf toch echt niet als hulpeloos visje zie, moet ik wel toegeven dat het vandaag niet allemaal vlekkeloos verliep.
Zoals beloofd mocht Bonkje** bij me in het grote bed slapen – op voorwaarde dat ze stil zou liggen en echt goed zou proberen te slapen. Voor de zekerheid zette ik niet alleen mijn eigen wekker, maar ook die van manlief. Een half uur eerder dan normaal.
Volkomen overbodig, want een uur voor die tijd jammert Bloem me al uit mijn slaap. Nou, vooruit, zij mag er ook even bij. Helaas is ze nog niet zo getraind in het stil liggen als haar zus, dus een paar kleine, zich om me heen klemmende armpjes ten spijt, breng ik haar een half uur later toch maar terug naar haar eigen bedje. Even was het heel knus, maar als ik te lang uit mijn slaap gehouden word krijgt mijn nachtchagrijn c.q. ochtendhumeur toch echt de overhand. Gelukkig is er geen explosie nodig: als ik haar heb ingestopt, het spooklampje weer aan heb gedaan, Pips muziekkoordje heb uitgetrokken, haar een kus en een aai over haar bol heb gegeven, zegt ze ‘welterusten mama! slaap lekker! tot ziens!’.

Pfffff… denk ik wel, als ik weer in bed kruip. Die wekker van manlief zet ik maar uit. Anders wordt Bonkje ook weer meteen wakker.
En een half uur eerder opstaan dan normaal – is dat nou echt wel nodig? Kom, ik zet mijn wekker gewoon op het normale tijdstip.
Hèhè.
Bonkje keert zich naar me toe en schenkt me een slaperige glimlach. Haar zusje is best lief, maar wat een drukte was dat zeg. Nog even samen genieten van de rust. Ze valt weer in slaap.
Ik streel haar hand. Hij ligt ontspannen in de mijne.
Herinner me plotseling hoe ze tussen ons in sliep de nacht na haar geboorte. Op het aankleedkussen, omdat we bang waren dat we haar zouden pletten. Hoe diezelfde hand toen nog een piepklein vuistje was, waarmee ze mijn pink stevig omklemde.

Tussen waken en slapen.
Vaag voel ik dat er iets niet klopt. Zou die wekker niet allang?
Ik schrik, kijk op de klok en schiet overeind. Aaargh!
Als ik mijn horloge omdoe zie ik dat het stil staat. Ook dat nog. Snel zet ik ‘m weer goed.
Gelukkig is Bonkje heel behulpzaam. Waar we normaal gesproken ’s ochtends snel in de ’schiet-nou-toch-op/ jaa-haa-ik-kom-al’-modus schieten, stelt ze nu voor of zij alvast brood zal gaan smeren voor zichzelf en voor Bloem.
‘Da’s heel lief van je, maar zorg eerst maar voor je zelf.’
Snel Bloem uit bed halen, aankleden, tas controleren, naar beneden brengen, brood smeren, drinken inschenken, lunchpakketje voor Bonkje maken, afwasmachine uitruimen, vuilniszak verwisselen, legeflessentas in de gang zetten om mee te nemen, Bonkjes haar kammen – ze wil een knotje met lint want er is vandaag en prinsen-en-prinsessenbal op school – groenbak op straat zetten, erbij geleende groenbak van de buren ook op straat zetten, tussendoor zelf nog snel even iets naar binnen werken ….. en dan ergens in die chaos ontdekken dat…?

Ik kijk op mijn horloge. Kijk op de klok van de stereo. Loopt die nu ook al verkeerd?
Ik loop naar boven. Kijk op mijn wekker. Kijk op de wekker van manlief.
Volgens de wekker van manlief is het een stuk vroeger dan volgens de mijne.
Ik heb het wekalarm niet vooruitgezet, maar de klok.
En vervolgens mijn horloge.
En bijna de klok van de stereo-installatie.

Toch nog met gepoetste tanden stappen we even later de auto in. Fijn, want het regent. Minder fijn als ik mijn voet een beetje voel glibberen over het gaspedaal. En de rem. Maar we hebben niet zoveel tijdwinst geboekt dat ik daar nu iets aan kan doen. Ik meen ook al iets te ruiken. Draai ondanks de regen toch het raampje open.
Als ik Bonkje even later heb afgezet ‘je hoeft niet helemaal mee te lopen hoor mama, ga jij dat maar doen’, schraap ik de zool van mijn laars schoon aan wat gras en haal ik met een paar zakdoekjes zo goed mogelijk de hondenpoep van de pedalen af. Jakkes.
Nadat ik Bloem ook heb weggebracht, kan ik naar mijn werk. Onderweg maak ik nog wel een kleine tussenstop. Om Glorixdoekjes te kopen. Om het nog iets beter schoon te kunnen maken. Want degene die meestal de klos is als het om hondenpoep verwijderen gaat, is in Duitsland.

*******
* Misschien werd de vader van mijn vriendin wel supergelukkig als hij een kast of bed in elkaar mocht zetten.
**Bonkje wordt inmiddels zo groot dat ik al langer vind dat ze eigenlijk een nieuwe blognaam nodig heeft. Eén die haar meer eer aandoet. Want ze is niet meer dat kleutertje van eerst, met die ministaartjes. Haar roze balletpakje met fladdermouwtjes heeft plaatsgemaakt voor een zwart pakje met los rokje en ze heeft inmiddels lang haar. Ze is heus nog wel eens hyper maar kan zich ook heel sierlijk bewegen. Tot nu toe heb ik nog niets kunnen bedenken waar ik echt blij mee ben. En dat liefst ook nog een beetje past bij de blognaam die ik haar zusje heb gegeven (Bloem), zonder te zoetsappig te worden Iemand een goed idee?

Twee Sinten en een baby’tje

Als peuter van drie is het soms best hard hollen met je kleine beentjes om je grote zus van negen bij te benen. Vooral aan het eind van het jaar gaat het in een rap tempo.
Eerst heb je op het kinderdagverblijf een mooi egeltje geknutseld. Een lampionnetje. Voor ‘Sint Maarten’ – wat of wie dat dan ook moge zijn. Je grote zus heeft dit jaar op school voor het eerst géén lampion gemaakt maar wil dit feest eigenlijk echt niet missen. Zeker als je thuis niet zo vaak snoep krijgt, is het natuurlijk walhalla. Mama denkt terug aan haar eigen kindertijd, strijkt dan met haar hand over haar hart. Vooruit dan maar, ze wil wel met jullie langs de deuren als het Sint Maarten is. Voorwaarde is dat je grote zus dan nog wel zélf een mooie lampion maakt. Een beetje moeite mag je er wel voor doen. Je zus zoekt mooi paars karton uit, een sjabloon met hondjes en verschillende kleuren vliegerpapier. Samen met mama drukt ze de patronen van de hondjes en hondenpootjes uit het karton (een naald en een opgevouwen handdoek onder het karton dienen als alternatief priksetje). Mama vindt het ook niet leuk als jullie alleen de geijkte liedjes kennen, dus leren jullie nog een ander liedje: ‘Lampionnetje’. Een oude mevrouw is helemaal ontroerd – zo’n kleintje heeft ze nog niet aan de deur gehad – en zo’n mooi liedje heeft ze ook nog niet eerder gehoord.

Bonkje & Bloem zingen ‘Lampionnetje'(.wma)’

Sint Maarten is nog maar nauwelijks achter de rug als Sinterklaas aankomt in Nederland. Samen met je zus mag je soms naar het Sinterklaasjournaal kijken. En je schoen zetten! De eerste avond zing je Sint-Maartenliedjes bij je schoen. Gelukkig helpt je grote zus je bij het leren van Sinterklaasliedjes (In januari zing je nog heel vaak Sinterklaasliedjes, die je nu eindelijk – net iets te laat – goed kent).

En alsof dat nog niet genoeg geweest is allemaal, vieren we ook nog de geboorte van ‘baby’tje-s-Jezus’. Dat vind je wel heel mooi. ‘Baby’tje-s-Jezus is op aard hè?’. Op een dag sta je al helemaal klaar om de deur uit te gaan, om een cadeautje te kopen. Want als er een baby’tje is geboren, ga je op kraamvisite. En daar hoort een cadeautje bij.

Negen jaar

Nog een uur puffen en persen. Nog een uur en twee minuten om precies te zijn. Négen jaar geleden alweer. Alle bloed en inspanning was niet voor niets, want daar was ze dan – ons kleine grote wonder.

Ingewikkeld in een doek lag ze op mijn buik. Haar piepkleine neusje met gele stipjes. Haar piepkleine handjes.

En het leek net alsof de wereld even stilstond, even ophield te bestaan. Mijn hoofd voor één keer vrij van gedachten. Simpelweg zíjn in volmaakte stilte. Samen. Samen met ons kleine grote wonder.

Ik weet niet hoe lang het duurde, hoe lang we zo verstild hebben gelegen voor manlief aan de verloskundige vroeg ‘Mag ik even kijken?’. Natuurlijk mocht dat – en hij keek, heel voorzichtig: ‘Een meisje! Het is een meisje!’. We keken naar haar en proefden haar naam op onze lippen. Onze dochter. Onze eerstgeborene.


Zie ook: ‘It’s my party’

Eetbuistoornis

Dit blogje heb ik ‘met terugwerkende kracht’ geschreven. Toen ik er middenin zat, was het te heftig om over te schrijven. Ook daarna heb ik lang geaarzeld of ik er over zou schrijven, want het voelt erg naakt. Ik heb nu (anderhalf jaar verder) besloten het toch te doen, omdat ik hoop dat het misschien ooit – als is het maar één ander iemand – troost kan bieden. Of kan helpen de stap te zetten om (professionele) hulp te zoeken.

Wat vond ik het frustrerend en beschamend als ik weer veel te zwaar was. Hoe verdrietig en boos was ik als ik alle kilo’s waar ik na een lange periode van strijd eindelijk van verlost was, er in een mum van tijd weer aan zag vliegen. Wat vond ik het gênant dat het me in mijn eentje niet lukte om af te vallen, dat ik een stok achter de deur van -bijvoorbeeld – Weight Watchers nodig had om weer enigszins ‘in het gareel’ te komen.

Dat was echter allemaal niet half zo pijnlijk als het moment waarop ik moest toegeven dat ik niet in een lijndip zat, maar in een eetbuistoornis* verzeild was geraakt. Het voelde als een ultiem falen dat ik, in een wereld waar zoveel ‘echt’ leed is, niet in staat was om dit luxeprobleem – want zo voelde het – op te lossen. Niet in staat was om mezelf te beheersen.

Ik walg van mezelf als ik aan een eetbui toegeef
Voel me een mislukking
een slappeling
zielig
minderwaardig

Ik walg van mijn lichaam als ik het in de spiegel zie,
vooral de achterkant, dat is een soort vormeloos blubbergeheel
vieze vetrollen
ik schaam me dood

ik haat die mensen die zeggen dat het toch best meevalt
en dat ik helemaal niet zo dik ben, want dat zijn altijd slanke mensen die dat zeggen – die eerder een BMI van 20 hebben dan van meer!
ik geloof het ook niet, lekker makkelijk praten – maar als ze er zelf zo uit zouden zien zouden ze wel anders piepen

durf voorlopig echt niet meer naar de sauna –
daar voelde ik me de laatste keer al erg slecht op mijn gemak
zag allemaal vrouwen met van die perfecte lichamen –
dacht ook dat ze achter mijn rug wel minimaal met hun ogen zouden rollen

zou wel makkelijk zijn als ik mijn vinger in mijn keel durfde te steken, dan kon ik lekker alles eten wat ik wilde en dan werd ik nooit meer moddervet
maar ik weet ook wel dat dat een hele foute gedachte is
en dat het een zegen is dat ik dat niet kan
en dat ik dan nog verder van huis zou zijn

ik kan helemaal geen leuke kleren meer aan, alles staat stom en zit veel te strak of het is zo’n vormeloos tentgeval waar je nooit slanke mensen in zal zien lopen

(- Fragmenten uit een negatieve-gedachtenopdracht tijdens mijn behandeling. Je moest bewijzen vóór en bewijzen tégen die gedachten opschrijven en alternatieve, positieve gedachten  formuleren.)

Obsessie
Het grootste deel van de dag draaide het in mijn hoofd alleen nog maar om eten. Het was een obsessie geworden. Eén die me bezighield van het moment dat ik ’s ochtends wakker werd tot het moment dat ik ’s avonds weer in slaap viel.
Eén die me steeds verder terugdreef in een klein hoekje ergens in mijn hoofd dat ik steeds hermetischer dicht probeerde te timmeren in de hoop dat niemand het zou zien. Alsof het niet opvalt als je in een mum van tijd kilo’s aankomt…
Eén die ervoor zorgde dat ik met een soort Google-maps van ’slecht’ eten in mijn hoofd rondliep. En deze kaart-met-ingebouwd-alarm draaide continu, ook zonder wifi of mobiele-internetverbinding.

Hoe ik het ook probeerde – het lukte me niet meer om hem uit te zetten. Continu dacht ik eraan. En het ingebouwde alarm zorgde ervoor dat ik me er ook doorlopend van bewust was op welke momenten ik aan dat voedsel kon komen zonder dat iemand het zou merken -in theorie in elk geval.
Op welke momenten ik onopvallend even zou kunnen verdwijnen. Alles moest stiekem, niemand mocht het merken. En als zo’n moment dichterbij kwam, werd de gedachte aan de chocola – de spekkoek – het ijs – de drop – de koekjes – de chips – wat het ook was op dat moment – steeds indringender. Om in de analogie van Google maps te blijven was het net alsof er een lampje steeds sneller begon te knipperen en feller begon te branden.

Gevarenzones
Treinstations, benzinestations, winkels, kantines, snoepautomaten – het werden allemaal gevarenzones. En als ik zo’n gevarenzone een keer zonder kleerscheuren door was gekomen, was het daarmee niet afgelopen. Want het lampje in mijn hoofd bleef knipperen, mijn gedachten bleven gefixeerd op eten.

Het werd zo erg dat ik tijdens de treinreis van mijn werk richting huis op een tussenliggend station kon uitstappen om alsnog die grote zak drop en chocoladereep te kopen waar ik vóórdat ik de trein instapte met zoveel moeite met een grote boog omheen gelopen was. Toegeven was de enige manier om het lampje -voor even – uit te schakelen.

En áls ik het gedurende mijn reis had volgehouden, dan lonkte thuis de keuken. De keukenkastjes. De koelkast.
En de prullenbak. Waar ik eerder in een moment van relatieve kracht een half pak koekjes of een halve zak chips in had weggegooid.

Zelfs voor wildvreemden probeer ik het te verbergen. Hoe eet je zo onopvallend mogelijk een zak drop leeg in een trein. Als het echt heel druk is dan ben ik continu bezig met ‘als ze het maar niet ruiken’.  Ik ben ook wel bang dat ze het zien, maar dat is iets beter te verbergen. In ieder geval het moment dat je iets in je mond stopt. Achter een boek of een krant of door zogenaamd uit het raam te kijken.

Ik probeer ook wel niet de hele zak leeg te eten, omdat het zo opvalt en ik bang ben voor wat ze denken – of nee, ik denk dat ik wel weet wat ze denken en dat is nooit goed. Ik zou het zelf ook zwak vinden denk ik, als ik iemand anders zoiets zou zien doen. Of erger nog. Ik denk dat ik misschien wel minachting zou voelen – en dat ik mezelf superieur zou voelen – omdat ik wel de controle heb over wat ik eet.

Dat vind ik best erg, best schokkend – dat ik als het omgedraaid was misschien zo zou veroordelen en me er misschien zelfs wel lekkerder bij zou voelen ook nog.

(Fragment uit een schrijfopdracht tijdens mijn behandeling)

Het meest dierbare, dat wilde ik niet verliezen…
Ik begon steeds meer aan te sturen op geheime eetmomenten. Werd erdoor geleefd. Liet liever leuke, fijne dingen met vrienden of mijn gezin schieten als ik daardoor een kans zou missen om me in het geheim vol te kunnen proppen. Ik denk dat dat de reden was waardoor ik uiteindelijk aan mezelf bekende dat ik hulp nodig had – omdat dit alle eerdere grenzen voorbij ging en omdat dit een bedreiging vormde voor dat wat me het meest dierbaar was: mijn relatie met mijn man en mijn kinderen.

Opluchting
De eersten aan wie ik het vertelde waren twee collega’s met wie ik het goed kan vinden. Daarna ben ik met lood in mijn schoenen naar de huisarts gestapt om een verwijzing te vragen voor professionele hulp. Het allermoeilijkste en engste vond ik het om het daarna ook aan mijn man op te biechten. Want deze lelijke, beschamende kant van mezelf, die wilde ik liever niet laten zien. Ik was bang dat hij nooit echt zou begrijpen en geloven dat ik deze vicieuze cirkel alleen niet kon doorbreken. En vooral bang dat ik hem zou verliezen. Hij had moeite met hoe dik ik was – en dat ik alleen nog maar dikker werd. We kregen er ruzie over. Ik snapte dat, want ik walgde zelf ook van mijn spiegelbeeld, maar het deed wel pijn. Zeker omdat hij helemaal niet valt op magere vrouwen – en hij een beetje mollig nooit erg vond.

Ik raakte een beetje in paniek van het idee dat ik de rest van mijn leven nooit meer zwak zou mogen zijn omdat ik hem dan misschien verlies omdat hij daar niet meer tegen kan. En hoewel ik het echt niet van plan ben, kan ik echt niet garanderen dat ik vanaf nu altijd sterk zal zijn – ik denk dat dat niet realistisch is – dus dat vind ik op dit moment heel eng – en ik wil ook niet thuis een façade op hoeven houden – ik vond/ vind het al naar genoeg als ik stiekem zit te (vr)eten – dat alleen al verzwijgen/ geheim houden vind ik heel naar.

(Fragment uit verslag n.a.v. een opdracht tijdens mijn behandeling)

Gelukkig raakte ik hem niet kwijt – en was het een grote opluchting toen ik het eenmaal verteld had. Begrijpen kon hij het niet, maar hij kon zich er wel iets bij voorstellen als hij het vergeleek met hoeveel moeite het hem had gekost om te stoppen met roken. Hij zag ook dat dat slechts deels vergelijkbaar was, omdat je met eten nooit zo rigoureus kunt stoppen als met roken, omdat je nu eenmaal eten nodig hebt. En godzijdank probeerde hij me ondanks dat hij het niet echt snapte en ondanks zijn moeite met mijn gewicht, toch zoveel mogelijk te steunen.

Interapy: online (cognitieve) gedragstherapie
Ik had de huisarts gevraagd om een verwijzing naar Interapy. Ik zag groepstherapie niet zo zitten en zag ook erg op tegen het idee om telkens afspraken met een behandelaar ergens in te moeten plannen. Online therapie leek me wel zo prettig – dat kon ik tenminste doen op momenten waarop het me uitkwam – na mijn werk en als de kinderen in bed lagen. Ik vond het ook erg fijn dat ik er de deur niet voor uit hoefde – en dat het nog een beetje ‘onopvallend’ kon zo. Dat ik het aan een paar mensen had verteld betekende niet dat ik het nu opeens aan iedereen wilde vertellen. Liever niet zelfs.

Voordelen van veranderen:

Niet meer continu hoeven vechten, en als je dat gevecht keer op keer begint te verliezen voel je je ook steeds karakterlozer; steeds meer een slappeling – en bovendien vind ik mezelf ook nog eens steeds lelijker.

Mijn dochters het goede voorbeeld kunnen geven. Ik verberg wel veel, maar ze krijgen ongetwijfeld meer mee dan me lief is.

Niet meer elk moment dat ik alleen ben als kans zien om iets stiekems te gaan doen.
Niet meer dat stiekeme gedrag – ik was zo opgelucht toen ik het aan mijn man had verteld maar merk dat ik nu desondanks toch weer zwijg over mijn eetbuien en dat voelt heel naar – dat er zoiets tussen ons in gaat staan.

Niet meer die schaamte en die walging.
Weer leuke kleren aan kunnen.
Er weer leuk uitzien in leuke kleren.

(Fragment uit schrijfopdracht tijdens mijn behandeling)

Als ik er nu op terugkijk, heb ik veel aan de therapie gehad. Wel denk ik dat voor mij een combinatie van een online behandeling – en eens in de zoveel tijd een face-to-face-gesprek het beste zou zijn geweest. Ik vond het op momenten waarin ik een terugval had erg moeilijk om de draad weer op te pakken – en eens in de zoveel tijd een ‘echte’ afspraak had me misschien net die extra stok achter de deur geboden die ik op die momenten miste.

Als ik er nou voor zorg dat ik altijd iets in huis heb dat ik wél mag nemen en probeer om daar niet van die dingen bij te denken als:
“ja maar, tomaatjes kunnen chocola nooit echt vervangen”
of “die stomme wortels komen me mijn neus uit”,
maar:
“ik heb trek in iets – dit mag ik eten, dan heb ik lekker iets om op te kauwen”
– dan gaat het misschien een stuk beter.

(…)

Als ik gewoon gezond eet – en ook niet te weinig, dan mag ik mezelf af en toe best op iets lekkers trakteren en kan ik daar/ durf ik daar misschien ook weer van te genieten.

Mindful eten
Anderhalf jaar verder ben ik niet opeens prachtig slank. Jammer genoeg niet. Maar dat was ook niet het doel van de therapie. En eten – ongecontroleerd eten – zal altijd wel een valkuil blijven. Ik ben er echter niet meer zo door geobsedeerd als ik was. Na het behandeltraject bij Interapy ben ik gaan lezen over mindful eten en ik probeer met behulp van de inzichten die ik tijdens de therapie heb opgedaan en mindful-eten-oefeningen weer een normale relatie met eten op te bouwen. Dat valt niet altijd mee, maar het heeft al wel voor meerdere verrassende ontdekkingen gezorgd die me helpen de draad weer op te pakken als ik soms weer even terugval in gedachteloos snaaien.

*Een andere naam voor eetbuistoornis is ‘binge eating disorder’ (BED).
Interapy is een erkende tweedelijns ggz-instelling. De online behandelmethode van Interapy is wetenschappelijk onderbouwd. Naar website Interapy.

Rita Zeelenberg heeft voor Psychologie-magazine de online traning Mindful eten ontwikkeld. Deze kan ik aanraden aan iedereen die worstelt met ongecontroleerd – en te veel of juist te weinig eten. Om misverstanden te voorkomen: dit is géén behandeling of therapie en je hebt ook geen behandelaar. Wel kan je als je dat zou willen een ‘coach-schap’ aangaan met een andere deelnemer die de training volgt.

Zie ook: https://dewereldvanims.nl/2014/01/19/mindful-eten/

WC

Ik loop naar binnen, zet mijn tas neer en trek mijn jas uit. Bonkje zit met manlief haar huiswerk te doen. Bloem was aan het spelen, maar rent blij op me af als ze me ziet.
‘Mama! mama!’
‘Dag lieverd, ik ga nu eerst snel even naar de wc, ik kom zo.’
‘Ik ga ook mee.’
‘Nee, blijf jij maar even hier’ – soms is wel het prettig als je even op de wc kan zitten zonder dat er ondertussen een peuter met autootjes over je hoofd rijdt. Zonder peuter die zich ondertussen langs je heen wurmt om belangstellend in de pot te kijken en die vervolgens niet 1x, 2x – nee, wel 10x de inhoud daarvan met je wenst te bespreken.

‘Ik wil ook mee naar binnen!’
‘Nee, ik kom zo – kijk uit voor je vingertjes!’
Het kost wat moeite, maar het is me gelukt, hèhè. Rust.
Relatief tenminste. want Bloem laat zich heus niet kisten door een deurtje meer of minder.
‘Maham, wat doe je?’
‘Ik zit even op de wc. Ga maar naar de kamer.’
‘Nee, dat wil ik niet!’
Broem broem – de wc-deur is een snelweg – en de trap wordt een trommel. BONS BONS BONS.
‘Bloem, kom maar even hier!’ roep Bonkje vanuit de kamer.
‘Nee, dat wil ik niet. Ik moet huilen!’.
Zo gezegd, zo gedaan. Ze heeft een klein aanloopje nodig, maar dan klinkt er een ware nephuil: boehoehoe!
Op de wc moet ik er stilletjes te lachen.
Bloem breekt haar gehuil echter snel af, want ze vindt ons ‘gesprek’ blijkbaar belangrijker.
‘Maham, ben je al klaar?’
….ja, gelukkig wel.