Mijlpalen

Tot ze één was zou ik kolven. Dat was mijn streven. En dat is gelukt.  Na haar eerste verjaardag ben ik ermee gestopt. En ik heb het nog geen moment gemist. Dat gesjouw met die tas. De onderbrekingen van mijn werk. De stress om een kolfplek te vinden als ik een keer elders moest zijn. Het ‘o néé’-gevoel als ik het koelelement vergeten was. Of de borstschilden. Het kille, mechanische geluid van het apparaat.

Tot ze één was wilde ik haar de borst geven. Of één jaar en een maand. Net als bij Bonkje.  Ze is nu één jaar en anderhalve maand. En ik probeer te stoppen. In de weekenden en op mijn vrije dag geef ik haar ’s middags al ‘gewone’ melk. En sinds een paar dagen leg ik haar ook rond etenstijd niet meer aan. Nu de avond-/nachtvoeding en ochtendvoeding nog…

Ze huilt. Manlief slaapt rustig door. Met het gevoel alsof ik een zombie ben wurm ik me uit bed, sleep ik me over de koude vloer naar Bloems kamertje, til haar op en neem haar mee. Voorzichtig leg ik haar neer en  kruip ik naast haar. Ze hoeft nauwelijks te zoeken naar mijn borst en licht hebben allang niet meer nodig. Er zijn tijden dat het pijnlijk is en dat ik klaarwakker lig, opgelucht als ze klaar is. Er zijn momenten waarop haar handjes blijven duwen en knijpen in mijn  borst, mijn wang, mijn neus, mijn ogen. Maar meestal is het heel gemoedelijk en dut ik even weg – totdat we van kant moeten wisselen.

Ik hou haar handje vast. Streel haar over haar donzen haartjes. Dut weer in. Als ze genoeg heeft gedronken breng ik haar weer naar haar bedje. Meestal slaapt ze dan snel weer door. Meestal.

Het is tijd om af te bouwen. Waarom? Verstandelijk vind ik het wel mooi zo. Ik wil eindelijk wel weer eens zonder beha aan kunnen slapen. Wil wel weer eens rustig een wijntje of biertje kunnen drinken. En hoewel ik borstvoeding geven heel mooi vind, zie ik het niet zitten om straks te eindigen met een rondlopende peuter – laat staan een kleuter – die te pas en te onpas even onder mama’s trui duikt voor een slokje. Ook is het  makkelijker haar uit een normale beker te leren drinken als we daar vaker mee kunnen oefenen; slaapt ze hopelijk beter door als ik geen borstvoeding meer geef en hoef ik me nooit meer zorgen te maken of het wel genoeg is. Want hoe lang ik ook al borstvoeding geef – die vraag begint de laatste tijd, nu ik overdag niet meer kolf of voed, toch weer te knagen.

Maar wat vind ik het moeilijk.
Zowel bij Bonkje als bij Bloem wilde ik heel graag borstvoeding geven. Beide keren kostte het de nodige wanhoop en frustratie  – maar ìs het gelukt. De keerzijde is wel dat ik het extra lastig vind om datgene waar ik zo hard voor hebt geknokt, weer los te laten. Om nog maar te zwijgen van een heel bijzonder stukje intimiteit waar ik afscheid van moet nemen. En exclusiviteit.

Stiekem denk ik dat ik het ook moeilijk vind om afscheid te nemen van de periode waarin ik als mama alleen nog maar fantastisch ben. Waarin alles wat ik doe of zeg geweldig is – en nog niet stom of oneerlijk of gemeen. Waarin Bloem nog baby is. Een babytje dat overal mijn hulp bij nodig heeft – en accepteert. En om de een of andere reden koppel ik dat ook aan het borstvoeding geven. Want als ik daar mee stop, tja, dan kan ik er toch eigenlijk ècht niet langer om heen dat ze baby-af is. Dat ze een kleine dreumes is geworden. Een kleine dreumes die steeds meer van de wereld aan het ontdekken is en tot haar grote verbazing ook de grenzen die daarbij horen.
– Nee, Bloem – uh -uh!
– Nee, dat mag niet.
– Bloem! Nee! Afblijven!

Wat vind ik het moeilijk.
Ik heb helemaal geen zin om politie-agent te moeten gaan spelen. Ik wil walhalla. Ik wil alleen maar ’ja!’ roepen en geen nee. Ik wil alleen maar knus en koek en ei en ze leefden nog lang en gelukkig. En de ongezellige plotwendingen die vaak aan dat ‘lang en gelukkig’ vooraf gaan, die sla ik gewoon over.

Afzetten en grenzen verkennen.
Afbakenen en grenzen stellen.
Het hoort er bij.
Ik kan enorm genieten van elk sprongetje.
Maar ik word er ook weemoedig van.

Mijlpalen.
Ze horen erbij.

Ik slik. En ik probeer extra te genieten van de momenten waarop ik haar voed. Even nog, heel even.202

Cocon

Als ik haar voed is het net alsof we in een doorzichtige cocon zitten die licht als een zeepbel door de lucht zweeft. Zij en ik – de tijd staat even stil.

Haar handje voelt en zoekt – mijn borst, het bandje van mijn beha, mijn t-shirt – zoekt en voelt. Als ik haar handje vastpak omklemt ze mijn duim met haar vingertjes. Het is nog maar zo kort geleden dat ze in mijn buik rondbuitelde; dat we elke beweging samen deelden. En telkens als ze op mijn schoot ligt te drinken, dicht tegen me aan, voel ik weer die verbondenheid.

Het was even zoeken in het begin – zoeken naar het wezentje dat ik kende in mijn buik. Kijken. Ruiken. Voelen. Dag kleintje, ben jíj het die in mijn buik zat? Waren het jouw handjes die ik voelde duwen? Jouw voetjes die ik voelde trappelen? Was het jouw hartje dat we hoorden kloppen? In het begin was er wel het koesteren maar nog niet de herkenning. Haar handje zocht al wel, maar haar oogjes maakten nog geen contact. Nu wel. De navelstreng is doorgeknipt, maar we zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Haar handje voelt en zoekt, zoekt en voelt.
Ze maakt zachte geluidjes, drinkt snel – dorst! – verslikt zich een keer, maar laat niet los. Door haar neus haalt ze adem – brommend en knorrend, omdat ze verkouden is.
Ik streel haar zachtjes over haar piepkleine donzen haartjes.
Klok, klok, klok…

Ze laat los, rekt haar armpjes uit en kijkt me aan. Grote, ronde ogen. Er breekt een lach door – een lach die zich verspreidt over haar hele gezichtje. Automatisch beantwoord ik haar lach. Ze maakt een geluidje. Ik boots haar geluidje na en maak nog een paar andere klanken. Aa – oo- ie – oe – uu. Ingespannen kijkt ze naar mijn lippen. Dag lieverd, heb je lekker gedronken? Onze zeepbel schittert.

We gaan even verschonen, zeg ik tegen haar. We, want we doen het samen: ik verwissel haar luier en zij kijkt blij om zich heen. Naar de afbeelding boven de commode, naar haar handje – hé, wat is dat? – naar de muurschildering van Muis. En naar Bonkje, die onze bel binnen is gefladderd en op het krukje voor de commode is geklommen. Ze schenkt ook Bonkje een stralende lach.

‘Dag kleine meis,’ zegt Bonkje en ze geeft Bloem een kusje, ‘krijg jij een schone luier? En mag jij lekker vitamientjes D? Die vind je lekker hè? Nu gaat je grote zus weer weg. Dag mama, ik ga me aankleden!’

Dan is ze weer weg, mijn oudste dochter (!) Het is onvoorstelbaar dat ook zij zo klein begonnen is. Nu is er geen babyvet meer te bekennen. De kleine, mollige kinderhandjes en stevige kinderbeentjes hebben plaatsgemaakt voor slanke grotemeisjeshanden en grotemeisjesbenen. Het is bijna ongemerkt gegaan. Ik knipperde met mijn ogen en poef – plotseling waren ze daar…

Bloem begint een beetje te jammeren. Het gaat haar niet vlug genoeg. Snel trek ik haar haar sokjes weer aan. Even het voedingskussen omdraaien, dan kunnen we weer gaan zitten. Jengel, jengel – mama, schiet nou op! Jaja, rustig maar, je mag nog even aan de andere kant drinken. Zodra ze mijn tepel tegen haar gezichtje voelt, is ze stil. Ze keert haar wijd opengesperde mondje naar mijn borst toe. Ik kijk naar haar en voel haar ademhalen. Voel haar drinken. Eventjes nog, voordat ik als een speer naar mijn werk moet. Eventjes nog in onze cocon, zij en ik.

Zeg ‘ns Aaa

Met enige regelmaat raak ik besmet met het hardnekkige-liedjes-virus oftewel HNLV. HNLV verwekt een doorlopende zangdrift in zijn prooi, houdt minimaal een dag lang stand en drijft zijn prooi langzaam tot waanzin. Het is onbegrijpelijk dat het RIVM nog geen landelijke inentingscampagne is gestart, want het is erg besmettelijk.

Wellicht wil men het virus in stand houden in de hoop dat het een positieve, louterende werking heeft. Eén van de bijverschijnselen van HNLV is namelijk dat het je vaak een prachtige spiegel van je leven voorhoudt.

Zo betrapte ik mezelf er een paar jaar geleden op dat ik midden op straat opeens ‘Een grote banaan uit Afrika’ liep te zingen.

Een grote banaan uit Afrika/ die danste de hele dag/ van je bie ba boe bananana/ en iedereen die hem zag/ zei /’Hé waar komt die banaan vandaan/ Hé waar gaat ‘ie naar toe/ (…)

Verschrikt keek ik om me heen – had iemand het gehoord? Wat was er gebeurd met – ik noem maar iets – Tori Amos? Even kon ik mijn mond houden, maar het virus was meedogenloos en niet veel later was ik weer aan het bie-ba-boe-bananaën. Ik kon er niet langer om heen. Mijn studententijd was echt voorbij. Ik was getrouwd. Had een hond. En een kind. En stiekem, stiekem kon ik niet anders dan toegeven dat ik het woord ‘burgerlijk’ eigenlijk helemaal niet meer zo vervelend vond klinken.

Inmiddels ben ik niet meer bang voor HNLV. Ik heb me erbij neergelegd dat er weinig tegen te doen is en heb ontdekt dat het een stuk beter te verdragen is als je je er volledig aan over geeft. Dus als Bonkje besmet is en de hele dag ‘Ik ben Mega Mindy, Mega Mindy‘ zingt; dan verstop ik mij niet maar zing ik vrolijk mee. Met dat verschil dat Mega Mindy in Bonkjes versie ‘tegen honderd, tegen straat’ vecht en bij mij ‘tegen onrecht, tegen kwaad’.

Ik ben Mega Mindy, Mega Mindy
ik ben een echte superheld
die elke boef op aarde velt
Ik ben Mega Mindy, Mega Mindy
tegen honderd (onrecht), tegen straat (kwaad)
Mega Mindy staat paraat

Het enige waar ik van opkeek, was dat het virus mij afgelopen week plotseling met een melodie opzadelde die ik al heel lang niet meer heb gehoord.

In gedachten keer ik terug naar een zwart-wit-tv met zes ronde drukknopjes, waar ik stiekem – want ik moest al in bed liggen – naar zit te kijken.

‘Zeg ‘ns AAA, zeg ‘ns AAA….
(…)
Zeg ‘ns AAA, zeg ‘ns AAA.
Ik heb vlekken voor mijn ogen,
tepelkloven van het zogen
en ik plas de laatste tijd wel heel erg veel.
(…)
Zeg ‘ns AAA, zeg ‘ns AAA.
Heb ik suiker of is het K?
(…)

Als kind heb ik me altijd afgevraagd wat ‘kaaa’ (K) toch was – maar blijkbaar deerde het me niet, want ik heb het nooit aan iemand gevraagd.

Gelukkig heeft K niets met een spiegel van mijn leven te maken. Dus eigenlijk valt het reuze mee.

Overigens denk ik dat ik als kind óók niet wist wat tepelkloven waren, maar ik kan me niet herinneren dat ik bij dat woord ooit vraagtekens heb geplaatst.

Toch mooi, dat de tune na al die jaren opeens een stuk meer gaat leven. Al heb ik begrepen dat de serie inmiddels nieuw leven ingeblazen is en dat de tekst van de tune is aangepast, omdat die te ouderwets gevonden werd.

Hoezo ouderwets? Zolang er vrouwen zijn die borstvoeding geven, zullen er ook tepelkloven bestaan.