Catharsis

Als ik thuiskom geven Bonkje en Bloem net een dansvoorstelling voor oma, opa en pup Vief – die het liefst mee zou doen maar stevig wordt vastgehouden. Bloem heeft haar Jip-en-Janneke-pyama al aan, klaar om naar bed te gaan, en hupst enthousiast op en neer terwijl ze haar armpjes druk heen en weer zwaait.

‘Mama!’ roept ze lachend, zodra ze me ziet. Op haar mollige beentjes komt ze naar me toegerend, vleit zich even tegen me aan en holt dan snel weer naar haar plaats om door te ‘dansen’.

Bonkje had het blijkbaar warm gekregen en staat alleen nog in haar rokje en hemd te dansen.
‘We waren net aan het dansen mama!’
‘Ik zie het – en mocht de muziek zomaar zo hard aan?’
‘Dat weet ik niet’
‘Eventjes’, zegt oma, ‘alleen voor de voorstelling’.
Ik ga naast oma op de bank zitten. Bonkje danst nog even door, maar dan klimt ze op schoot, terwijl ze over de muziek heen iets probeert te vertellen.
‘Wat zeg je? Zet de muziek eens wat zachter, dan kan ik je verstaan’.
Bonkje zet de muziek een minuscuul beetje zachter.
‘Zet maar even uit’, zegt opa, ‘dan kan ik het ook horen’.

‘We hadden muziekles aan het eind en toen moest de halve klas huilen’.
‘Huilen?’ zeg ik verbaasd. Ik kijk naar oma, die met een twinkeling in haar ogen zit te luisteren. Bonkje heeft zich inmiddels bij haar op schoot genesteld. ‘Maar waarom dan?’
‘Nou, we gingen blije en bange en verdrietige muziek luisteren en toen moest je er iets bij tekenen en toen ging meisje1 opeens heel hard huilen en daarna meisje2 en toen ik en toen moest meisje4 ook heel hard huilen en toen begonnen jongen1 en meisje5 en jongen2 ook!
‘Jullie moesten allemaal huilen?’ zeg ik, terwijl ik begin te lachen. Bloem, die nu ook op schoot is geklauterd en helemaal niet snapt waar het over gaat, lacht hard mee.
‘Ja!’
‘En wat deed de juf toen?’
‘Die zei: we zullen maar snel weer een vrolijk muziekje opzetten!’
Ik zie het helemaal voor me – de juf die een leuke muziekles heeft voorbereid en plotseling met allemaal snikkende kinderen zit.
‘Wat had jij dan getekend; waar moest jij om huilen?’
‘Ik had Zoeff getekend en een kruis en ik moest denken aan hoe ziek ze werd en dat ze toen een prik kreeg en doodging en later Bologna ook. Maar de tekening heb ik niet meer, die heb ik verscheurd.’
‘En waar moesten de andere kinderen om huilen?’
‘Dat weet ik niet precies, want niet iedereen heeft het verteld, maar bij iemand was haar oma dood gegaan en bij anderen ook zoiets.’
Bonkje was met roodomrande ogen en geflankeerd door twee vriendinnen naar buiten gekomen.
‘Ik dacht: wat is er nú toch aan de hand’, zegt oma, die haar uit school kwam halen, ‘en een vader die naast me stond en zijn kind huilend naar buiten zag komen, keek alsof hij het liefst eens even een hartig woordje met de juf wilde wisselen.’
‘En de moeders?’ vraag ik aan oma.
‘Die moesten er wel een beetje om lachen’.
Gelukkig kan Bonkje er inmiddels ook weer om lachen.

Ik vraag me af wat de juf dacht, toen iedereen en masse in tranen uitbarstte. Als ik haar binnenkort zie, ga ik het haar zeker vragen.
Oh, if only I could have been a fly on the wall…

Huilen

 

Terwijl ik haar luier verschoon, ‘leest’ Bloem een boekje van Nijntje.
‘Huiwle! Nijtje huiwle!’ zegt Bloem, terwijl ze naar de voorkant van het boekje wijst. Daar staat inderdaad een tekeningetje op van een huilende Nijntje.
‘Loem huiwle!’
‘Nee, jij hoeft toch niet te huilen?’

Bloem opent het boekje middenin. De bladzijden zijn her en der ietwat verkreukeld, maar gelukkig zitten er nergens flapjes of schuifjes die je op kan tillen of heen en weer kan schuiven. Zelfs de meest robuuste versies van dik karton overleven Bloems geestdrift nooit lang.

‘Nijtje!’
‘Ja, daar is Nijntje. Wat doet Nijntje?’
‘Nijtje huiwle!’
“Ja, Nijntje huilt. Nijntje is verdrietig omdat ze haar beertje kwijt is. Ze zoekt haar beer overal, zie je dat? Kijk, ze zoekt achter de kast. Maar daar is beer niet.’
‘Niet’
‘Nee. Weet jij waar beer wel is?’
‘Bir!’
‘Ja, beer.’
‘Nijtje bir! Jaaaaa!’
‘Ja, dáár is beer weer. Beer lag onder de dekens.’
”llo bir!’
‘Hallo beer!’

Even later kijken we een paar foto’s. Op één ervan heb ik Bloem gefotografeerd op een moment dat ze haar zin niet kreeg.
‘Loem huiwle!’ roept ze lachend.
En als ze zichzelf even later op een andere foto ontdekt, met een traan onder haar oog, wordt ze nog enthousiaster.
‘Loem huiwle!’
‘Nee, daar hoefde je niet te huilen, je hebt wel vaker zomaar een traan op je wang.’
Bloem trekt zich weinig van mijn uitleg aan – als ze die al snapt. Als je een traan hebt huil je en dat is reuze interessant.

’s Avonds wil ze niet gaan slapen. Zelfs nadat we haar slaapzak opnieuw hebben aangetrokken, aap weer in haar bed hebben gelegd, het laken weer hebben rechtgetrokken, nog een tijdje tegen haar aan hebben gepraat en haar muziekknuffel aan hebben gedaan, begint ze weer te brullen zodra we haar kamer uitlopen.

Na een paar minuten stopt het brullen.
‘Huiwle! Huiwle!’ klinkt het plotseling.