Held

 

Hoe komt het toch, dat wanneer iemand wordt uitgeroepen tot held, er meteen mensen zijn die dat heldendom met de bodem gelijk willen maken doordat de held ‘toch eigenlijk geen heldendaad heeft verricht’ en – zo proef je soms tussen de regels door – dat zij in zijn of haar plaats ‘precies hetzelfde zouden hebben gedaan’?

Het viel me al eerder op, in december 2009, toen Jasper Schuringa tijdens een vlucht van Amsterdam naar Detroit een man had overmeesterd die iets in brand had gestoken en een explosie probeerde te veroorzaken in het vliegtuig. Schuringa verbrandde bij deze daad zijn handen. Hij werd meteen tot held uitgeroepen, maar dat leverde direct ook kritiek op van mensen die vonden dat het helemaal niet om het verijdelen van een gevaarlijke aanslag ging en dat er ‘wel vaker brandjes worden geblust’. En hij had ook niet meer hebben gepresteerd dan een ander in zijn schoenen zou hebben gedaan. Toen vervolgens ook nog in het nieuws kwam dat de held alleen nog maar tegen betaling interviews wilde geven, was het hek helemaal van de dam.

Toen ik de reacties las – vaak fel op het agressieve af – vroeg ik me echt af waarom veel mensen het een ander blijkbaar niet gunnen als hij tot held wordt uitgeroepen. En waar al die mensen toch blijven op het moment dat er een held nodig is. Ik ben bang dat ik in ieder geval níet heldhaftig genoeg zou zijn geweest om te doen wat Jasper Schuringa deed. Hij zag zichzelf overigens niet als held, maar dat doet in mijn ogen niets af aan zijn heldendaad, die denk ik maar weinigen hem na hadden gedaan.

Vandaag ging het op mijn werk tijdens de lunch over Johnny Hoogerland.
‘Een held?’ zei een collega ’Hij is gewoon gevallen!’
‘Aangereden, hard gevallen, bloedend en wel de etappe uitgereden en met drieëndertig hechtingen gisteren gewoon weer op de fiets gestapt.’
‘Ja, oké, hij is weer opgestapt; maar dan ben je toch nog geen held?’
In de krant las ik ongeveer eenzelfde reactie.
Ik had niet de indruk dat mijn collega of de persoon in de krant Hoogerland zijn ‘heldendom’ misgunde. Toch vond ik het jammer.

Hoogerland is iemand die echt iets kan. Iets dat niet iedereen kan – en iets waar velen volgens mij in ieder geval al die uren, jaren trainen niet voor over zouden hebben. Ja, de andere renners in de Tour, maar hoeveel zijn dat er nu helemaal? En dan doorzetten nadat je zo hard ten val bent gekomen – dat kunnen er nog minder. Nee, natuurlijk was zijn val niet zelfverkozen (zoals de actie van Schuringa dat wel was), maar hoe hij er daarna mee omging – en omgaat – getuigt van karakter. Vandaag werd hij na afloop van de etappe (de eerste na zijn val, gisteren was een rustdag) geïnterviewd door iemand van De NOS.

‘Ja Johnny, een diepe zucht; je bent er, je staat in de bollen, hoe was het?’
‘Zwaar en mooi tegelijk’
‘Wat voelde je onderweg – had je veel pijn, had je veel last, kon je draaien?’
‘Ja, ‘t ging; maar eh het ging niet vanzelf – maar ik denk – alle mensen die me aanmoedigden aan de weg;  alle renners die naar me toe kwamen, respect voor me hadden en die me gewoon in het begin omhoog duwden, dat gaf me toch wel behoorlijk wat adrenaline.’
Bron: nos.nl

Waarom is het zo erg dat er mensen zijn die hem nu als held zien? Dat is toch mooi! Gun hùn hun held – en hèm het predikaat.

Spiderman

Spiderman

Om een huwelijk te mogen aangaan moeten een man en een vrouw de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt – art. 31 lid 1 BW1

Gelukkig maar. Bonkje vindt het namelijk nog een beetje moeilijk om te kiezen. Diverse huwelijkskandidaten – waaronder haar papa, haar grote nichtje en haar kleine neefje – zijn de revue al gepasseerd. Een poosje geleden kwam daar ook een jongetje uit haar klas bij. Bonkje vindt veel jongetjes een beetje vervelend. Sem bijvoorbeeld. Die pakt haar altijd als ze jongens kussen doen. maar Cas is wel lief. Met Cas wil ze ook wel trouwen.

Als ik rond vijf uur richting Epkes huis fiets, om Bonkje op te halen, hoor ik mijn naam. Het is Epkes vader, die met beide dametjes naar buiten is geweest. Gezamenlijk lopen we het laatste stukje naar Epkes huis, want daar ligt Bonkjes rugzak nog. Als we binnen zijn, haalt Bonkje een uitnodiging uit haar tas. Op de voorkant prijkt Spiderman.
“Zo, dat is een mooie uitnodiging”, zeg ik.
“Nee, het is een stomme uitnodiging!” roept Bonkje.
“Van wie is de uitnodiging?”
“Van Cas.”
“Maar je vindt Cas toch wel aardig?” zegt de vader van Epke.
“Nee!” roept Bonkje weer.
“O, dan hoef je er ook niet naar toe” zegt Epke opgewekt. Zo simpel is het.

Wat zich precies heeft afgespeeld, weet ik niet. Ik kan me verschillende scenario’s voorstellen. In alle scenario’s spelen echter twee componenten een grote rol: jaloezie en schaamte. En dat al in groep 2.

Bonkje is in de poppenhoek aan het spelen met haar vriendinnetjes.
Cas loopt op Bonkje af en geeft haar zijn uitnodiging.
Haar vriendinnetjes kijken verwachtingsvol toe, maar helaas, voor hen is er geen uitnodiging.
“Wat een stomme kaart” zegt een van de vriendinnetjes.
“Ja”, zegt de ander, “er staan helemaal geen prinsessen op”.
Of misschien wel:
“Sem is lekker toch veel leuker dan Cas!”
Niet goed wetend wat ze met de situatie aan moet, moffelt Bonkje de uitnodiging snel weg in haar tas.

“Ik vind dat jij heel onaardig doet over Cas” zeg ik tegen Bonkje. “Het is toch leuk dat Cas je heeft uitgenodigd? Bovendien vertelde je me laatst nog dat je Cas aardig vond.”
Als we thuis zijn, praat ik nog een tijdje op Bonkje in.
“Ik vind het echt heel vervelend als je zulke nare dingen zegt. Als andere kindjes zeggen dat ze het stom vinden, dan zijn ze misschien een beetje jaloers omdat zij niet zijn uitgenodigd. Je gaat gewoon naar Cas’ feestje. Jij zou het ook niet leuk vinden als iemand die jij had uitgenodigd, niet wilde komen.”
Nee, dat is Bonkje wel met me eens.
“Dan moeten we alleen nog wel bedenken wat we Cas kunnen geven. Weet jij iets?”
“Een brandweerauto van lego!”
“O ja, dat vind ik een heel goed idee van jou. We zullen Cas zelf ook nog vragen wat hij wil hebben; maar als hij niets weet, kunnen we dat doen.”

De volgende ochtend lopen we naar Cas toe. Cas is een beetje verlegen en zegt niet zo veel, maar zijn moeder heeft wel een paar ideeën. Bonkje zegt ook niet zo veel. Cas’ moeder legt haar hand op Bonkjes schouder.
“Je bent niet het enige meisje hoor, Bonkje; Lisa komt ook. Cas wilde jou graag uitnodigen en toen heb ik gezegd: dat mag, maar dan moet je ook nog een ander meisje uitnodigen, anders is het niet leuk voor Bonkje.”
Ik zie aan Bonkje dat er een last van haar schouders valt en wissel een blik van verstandhouding met de moeder van Cas. Als ik even later naar huis ga, komt Bonkje me al huppelend nog een kus geven. Zoals gewoonlijk krijg ik ook weer strikte instructies van haar om te zwaaien voor alle ramen.

Een paar dagen later komt Bonkje thuis met een papieren vliegtuig dat Cas voor haar heeft geknutseld.
“Cas is verliefd op mij”, zegt ze.
“O, hoe weet je dat?” vraag ik.
“Dat heeft hij tegen me gezegd.”
“En wat zei jij toen?”
“Ik zei niets. Ik ben niet verliefd maar dat durfde ik niet te zeggen.”
“Maar wil je dan nog wel met Cas trouwen?”
Daar moet Bonkje even diep over nadenken.
“Ja, ik wil nog wel met hem trouwen.”

Cas’ feestje is inmiddels alweer twee weken geleden.
Bonkje was helemaal lyrisch toen ik haar ophaalde bij Cas. Ze hadden een heleboel lekkers gegeten en allemaal leuke spelletjes gedaan.

Voor zover ik weet heeft Bonkje haar trouwplannen op dit moment even van de baan geschoven. Ze wist niet goed wie ze moest kiezen en was erg opgelucht toen ik haar verzekerde dat ze echt nog niet hoeft te weten met wie ze wil later misschien wil trouwen. Maar de Spidermanuitnodiging heeft ze in een schriftje geplakt waar ze van alles in schrijft en tekent. En dat ze overal met zich meedraagt.

Nieuwsgierig hoe de naam Bonkje is ontstaan? Lees dan het eerste Bonkje-verhaal