Twee Sinten en een baby’tje

Als peuter van drie is het soms best hard hollen met je kleine beentjes om je grote zus van negen bij te benen. Vooral aan het eind van het jaar gaat het in een rap tempo.
Eerst heb je op het kinderdagverblijf een mooi egeltje geknutseld. Een lampionnetje. Voor ‘Sint Maarten’ – wat of wie dat dan ook moge zijn. Je grote zus heeft dit jaar op school voor het eerst géén lampion gemaakt maar wil dit feest eigenlijk echt niet missen. Zeker als je thuis niet zo vaak snoep krijgt, is het natuurlijk walhalla. Mama denkt terug aan haar eigen kindertijd, strijkt dan met haar hand over haar hart. Vooruit dan maar, ze wil wel met jullie langs de deuren als het Sint Maarten is. Voorwaarde is dat je grote zus dan nog wel zélf een mooie lampion maakt. Een beetje moeite mag je er wel voor doen. Je zus zoekt mooi paars karton uit, een sjabloon met hondjes en verschillende kleuren vliegerpapier. Samen met mama drukt ze de patronen van de hondjes en hondenpootjes uit het karton (een naald en een opgevouwen handdoek onder het karton dienen als alternatief priksetje). Mama vindt het ook niet leuk als jullie alleen de geijkte liedjes kennen, dus leren jullie nog een ander liedje: ‘Lampionnetje’. Een oude mevrouw is helemaal ontroerd – zo’n kleintje heeft ze nog niet aan de deur gehad – en zo’n mooi liedje heeft ze ook nog niet eerder gehoord.

Bonkje & Bloem zingen ‘Lampionnetje'(.wma)’

Sint Maarten is nog maar nauwelijks achter de rug als Sinterklaas aankomt in Nederland. Samen met je zus mag je soms naar het Sinterklaasjournaal kijken. En je schoen zetten! De eerste avond zing je Sint-Maartenliedjes bij je schoen. Gelukkig helpt je grote zus je bij het leren van Sinterklaasliedjes (In januari zing je nog heel vaak Sinterklaasliedjes, die je nu eindelijk – net iets te laat – goed kent).

En alsof dat nog niet genoeg geweest is allemaal, vieren we ook nog de geboorte van ‘baby’tje-s-Jezus’. Dat vind je wel heel mooi. ‘Baby’tje-s-Jezus is op aard hè?’. Op een dag sta je al helemaal klaar om de deur uit te gaan, om een cadeautje te kopen. Want als er een baby’tje is geboren, ga je op kraamvisite. En daar hoort een cadeautje bij.

Eindejaarsdilemma

Het eindejaarsdilemma is er weer. Het probeert zich al een week of twee aan me op te dringen. Nietsvermoedend pakte ik de krant, waar het zich met de eerste kerstkaart in verscholen bleek te hebben. Met een geniepig zacht plofje landde het op het aanrecht.

Tot nu toe was ik het de baas: ik heb het begraven onder een grote stapel post. Maar er druppelen nu langzamerhand méér kaarten binnen en met elke kaart wordt het sterker en krijgt het meer stem. Nog even en het achtervolgt me de hele dag.

Vorig jaar had ik me stellig voorgenomen het te negeren. Totdat het ervoor zorgde dat ik me vierentwintig uur per dag schuldig voelde. Even nog dacht ik – goed, alléén aan oma dan! Het keek me minachtend aan. Aan oma èn aan dat stel vrienden dat ik eigenlijk al heel lang weer eens van plan was te bellen? Maar er was geen houden aan. Het had geen enkel mededogen. Het was alles – of niets. En wat dat niets betekende wist ik inmiddels maar al te goed. Nooit, nóóit zou het me meer met rust laten. Er was maar één manier om er vanaf te komen.

Ik heb me overgegeven. Ik ben gezwicht. Wat een verademing was dat. Ik had wel kunnen jubelen van vreugde: het is weg, het is weg!

Nu is het er weer. Het eindejaarsdilemma.

Vertwijfeld vraag ik me af of ik dit keer wel kan winnen. Of dat ik maar beter meteen de strijdbijl kan begraven.

“Moe van de kerstpost”, “Hoe signeer ik” en “Kritische kerstkaartenontvanger” vragen advies aan Beatrijs Ritsema