Cocon

Als ik haar voed is het net alsof we in een doorzichtige cocon zitten die licht als een zeepbel door de lucht zweeft. Zij en ik – de tijd staat even stil.

Haar handje voelt en zoekt – mijn borst, het bandje van mijn beha, mijn t-shirt – zoekt en voelt. Als ik haar handje vastpak omklemt ze mijn duim met haar vingertjes. Het is nog maar zo kort geleden dat ze in mijn buik rondbuitelde; dat we elke beweging samen deelden. En telkens als ze op mijn schoot ligt te drinken, dicht tegen me aan, voel ik weer die verbondenheid.

Het was even zoeken in het begin – zoeken naar het wezentje dat ik kende in mijn buik. Kijken. Ruiken. Voelen. Dag kleintje, ben jíj het die in mijn buik zat? Waren het jouw handjes die ik voelde duwen? Jouw voetjes die ik voelde trappelen? Was het jouw hartje dat we hoorden kloppen? In het begin was er wel het koesteren maar nog niet de herkenning. Haar handje zocht al wel, maar haar oogjes maakten nog geen contact. Nu wel. De navelstreng is doorgeknipt, maar we zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Haar handje voelt en zoekt, zoekt en voelt.
Ze maakt zachte geluidjes, drinkt snel – dorst! – verslikt zich een keer, maar laat niet los. Door haar neus haalt ze adem – brommend en knorrend, omdat ze verkouden is.
Ik streel haar zachtjes over haar piepkleine donzen haartjes.
Klok, klok, klok…

Ze laat los, rekt haar armpjes uit en kijkt me aan. Grote, ronde ogen. Er breekt een lach door – een lach die zich verspreidt over haar hele gezichtje. Automatisch beantwoord ik haar lach. Ze maakt een geluidje. Ik boots haar geluidje na en maak nog een paar andere klanken. Aa – oo- ie – oe – uu. Ingespannen kijkt ze naar mijn lippen. Dag lieverd, heb je lekker gedronken? Onze zeepbel schittert.

We gaan even verschonen, zeg ik tegen haar. We, want we doen het samen: ik verwissel haar luier en zij kijkt blij om zich heen. Naar de afbeelding boven de commode, naar haar handje – hé, wat is dat? – naar de muurschildering van Muis. En naar Bonkje, die onze bel binnen is gefladderd en op het krukje voor de commode is geklommen. Ze schenkt ook Bonkje een stralende lach.

‘Dag kleine meis,’ zegt Bonkje en ze geeft Bloem een kusje, ‘krijg jij een schone luier? En mag jij lekker vitamientjes D? Die vind je lekker hè? Nu gaat je grote zus weer weg. Dag mama, ik ga me aankleden!’

Dan is ze weer weg, mijn oudste dochter (!) Het is onvoorstelbaar dat ook zij zo klein begonnen is. Nu is er geen babyvet meer te bekennen. De kleine, mollige kinderhandjes en stevige kinderbeentjes hebben plaatsgemaakt voor slanke grotemeisjeshanden en grotemeisjesbenen. Het is bijna ongemerkt gegaan. Ik knipperde met mijn ogen en poef – plotseling waren ze daar…

Bloem begint een beetje te jammeren. Het gaat haar niet vlug genoeg. Snel trek ik haar haar sokjes weer aan. Even het voedingskussen omdraaien, dan kunnen we weer gaan zitten. Jengel, jengel – mama, schiet nou op! Jaja, rustig maar, je mag nog even aan de andere kant drinken. Zodra ze mijn tepel tegen haar gezichtje voelt, is ze stil. Ze keert haar wijd opengesperde mondje naar mijn borst toe. Ik kijk naar haar en voel haar ademhalen. Voel haar drinken. Eventjes nog, voordat ik als een speer naar mijn werk moet. Eventjes nog in onze cocon, zij en ik.