Nachtmerrie

Er zijn op Bonkjes school jaarlijks terugkerende festiviteiten waar zij zich al tijden van tevoren op verheugt. Het zomerfeest is er één van.

Er zijn op Bonkjes school jaarlijks terugkerende festiviteiten waar ik al tijden van tevoren tegenop zie. Het zomerfeest van vandaag bijvoorbeeld.

Aangezien vrijdag mijn vrije dag is, besluit ik vóór het feest een middagdutje te doen, in de hoop dat ik het na een beetje rust kan opbrengen om er een uur lang min of meer glimlachend rond te lopen.  Zodra ik Bloem in haar bedje heb gelegd, duik ik zelf in bed. Bonkje wekt me een paar keer – is het al bijna tijd om naar het feest te gaan? – maar ik val telkens weer in slaap en begin te dromen. Over het zomerfeest.

In dromen kan alles – zelfs zomerfeesten kunnen fantastisch zijn. Het feest in mijn droom is dat echter niet. Tenminste, niet in positieve zin.
Wanneer het feest zich plotseling verplaatst naar onze achtertuin, die in een soort modderpoel veranderd blijkt te zijn, wordt het er niet beter op.  Niemand schijnt de modder op te merken en praat, drinkt en eet vrolijk door, terwijl ik met mijn hakken steeds verder wegzak in de modder en ondertussen de nieuwe schutting tussen onze tuin en die van de buren zie versplinteren en bezwijken. Dat is de druppel die de emmer doet overlopen en opeens sta ik, terwijl ik mijn hakken wild om me heen slinger, luidkeels te schreeuwen: ‘Welke idioot heeft dit *** bedacht?!’

Tja. Ik heb geen Freud nodig om me uit te leggen dat ik misschien een beetje (te) moe ben en dat ik het misschien een klein beetje (te) druk heb. Maar ja, ik heb Bonkje beloofd dat we in ieder geval een uurtje gaan en ze heeft het verdiend.

Het is negen uur.
Het zomerfeest is weer achter de rug. Bonkje heeft haar uurtje feest meegepikt en ik ben het uur zonder ongelukken – huilbuien ofzo – doorgekomen. Uitgerust voelde ik me na mijn dutje niet bepaald, maar wellicht heeft het toch nog zijn vruchten afgeworpen – na zo’n droom kon de werkelijkheid eigenlijk alleen nog maar meevallen.

Eindejaarsdilemma

Het eindejaarsdilemma is er weer. Het probeert zich al een week of twee aan me op te dringen. Nietsvermoedend pakte ik de krant, waar het zich met de eerste kerstkaart in verscholen bleek te hebben. Met een geniepig zacht plofje landde het op het aanrecht.

Tot nu toe was ik het de baas: ik heb het begraven onder een grote stapel post. Maar er druppelen nu langzamerhand méér kaarten binnen en met elke kaart wordt het sterker en krijgt het meer stem. Nog even en het achtervolgt me de hele dag.

Vorig jaar had ik me stellig voorgenomen het te negeren. Totdat het ervoor zorgde dat ik me vierentwintig uur per dag schuldig voelde. Even nog dacht ik – goed, alléén aan oma dan! Het keek me minachtend aan. Aan oma èn aan dat stel vrienden dat ik eigenlijk al heel lang weer eens van plan was te bellen? Maar er was geen houden aan. Het had geen enkel mededogen. Het was alles – of niets. En wat dat niets betekende wist ik inmiddels maar al te goed. Nooit, nóóit zou het me meer met rust laten. Er was maar één manier om er vanaf te komen.

Ik heb me overgegeven. Ik ben gezwicht. Wat een verademing was dat. Ik had wel kunnen jubelen van vreugde: het is weg, het is weg!

Nu is het er weer. Het eindejaarsdilemma.

Vertwijfeld vraag ik me af of ik dit keer wel kan winnen. Of dat ik maar beter meteen de strijdbijl kan begraven.

“Moe van de kerstpost”, “Hoe signeer ik” en “Kritische kerstkaartenontvanger” vragen advies aan Beatrijs Ritsema