Televisie

Na ongeveer 15 tv-loze jaren hebben we er sinds 5 december weer één. Een tv. Oorspronkelijk waren we van plan er een te kopen als Lune vier werd en naar school ging, zodat ze geen buitenbeentje zou worden. Toen het zover was hadden we echter niet de indruk dat ze het miste. Ze mocht af en toe filmpjes kijken op de computer en dat was prima. Bovendien bleef het zo echt een feest als ze bij onze ouders wel tv kon kijken.

Tijdens het feestje voor Lunes tiende verjaardag merkt echter één van haar vriendinnen er iets over op en uit Lunes reactie merken we duidelijk dat ze dat vervelend vindt. Vooral het idee van sommige klasgenoten dat we dan zeker arm zijn lijkt haar dwars te zitten (haar klasgenoten kunnen zich duidelijk niet voorstellen waarom je anders geen tv hebt , iederéén heeft toch een tv?) Het is maar een kort moment, maar toch zit het ons niet lekker. Niet wat haar klasgenoten denken, maar wel hoe Lune zich daaronder voelt. Als we het er eind november nog eens over hebben, is de beslissing dan ook snel genomen.

En zo komt het dat pakjesavond eindigt met een speurtocht door het huis. Kleine gedichtjes leiden Lune en Bloem naar een doos nieuwe borden onder ons bed, een stapel nieuwe handdoeken in bad en een nieuwe telefoon (want de oude deed het niet meer) in de meterkast. In de meterkast hangt nog een laatste gedichtje. Terwijl Lune het voorleest zien we haar ogen groter worden.

‘Een tv?! Nee, dat is vast ijdele hoop!’
‘Ga maar kijken op zolder, dan zie je het vanzelf.’

In het wasmachinehok ligt een heel groot cadeau. Lune kan het nog steeds niet te geloven en durft nauwelijks iets te zeggen, bang de betovering te verbreken. Bloem heeft daar geen last van.
‘Ja, daar zit een tv in’ stelt ze nuchter vast, alsof ze dagelijks ingepakte tv’s vindt.
Manlief tilt het pakket naar beneden, om het daar samen met Lune voorzichtig uit te pakken. Als het papier eraf is slaakt Lune een kreet die nog het meeste lijkt op de luide roep van een zeeleeuw.
‘Kijk, Bloem, een tv! We hebben een tv gekregen! We hebben een tv gekregen!’
Bloem (net naar school, vier jaar) komt even kijken.
‘O ja’.
Dan rent ze snel weer naar de bank om verder te spelen met het ridderpak dat ze van Sinterklaas gekregen heeft. Best aardig hoor, zo’n tv, maar een ridderpak is tenminste ècht leuk.

Het duurt nog een paar dagen voor we de tv aan kunnen sluiten, maar dat lijkt Lune niet te deren. We hébben er nu tenminste één en dat lijkt al voldoende om ongelovige reacties van haar klasgenoten verder te voorkomen.
‘Als ik zei dat we geen tv hadden dan zeiden de jongens: oh, ik zou echt dóódgaan als we geen tv hadden!’

Wat me in al die jaren zonder tv het meest is opgevallen, is de grote discrepantie in de reactie van kinderen en van volwassenen als je vertelt dat je geen tv hebt. De meeste kinderen reageren ongeveer net zo als Lunes klasgenoten, de meeste volwassenen schieten – nadat ze eerst hebben gevraagd waarom je dan geen tv hebt (we vonden dat we er te lang achter bleven hangen en dat begon ons steeds meer te irriteren – voor je het wist was er weer een avond voorbij) – meteen in een soort verdedigingsmodus: o, maar wij kijken bijna nooit hoor! Dat laatste heb ik altijd wel frappant gevonden, gezien de enorme hoeveelheid gesprekken die ze vervolgens wel over tv-programma’s en tv-BN’ers met elkaar voeren.

Wat me na een paar maanden mèt tv nog steeds het meeste opvalt en verbijstert is het absurde aantal zenders (ik heb niet eens zin om door te zappen tot ik ze allemaal gezien heb) en het daarmee totaal niet in verhouding staande matige en eenzijdige aanbod. Er zijn een paar formules die je vrijwel elke dag op verschillende zenders tegenkomt (talentenjachtprogramma’s (zingen, dansen, koken), ik-leer-iets-heel-moeilijks-waarbij-ik-flink-op-mijn-bek-kan-gaan-en-leer-dat-hopelijk-sneller-dan-mijn-concurrenten-programma’s (kunstschaatsen, stijldansen, schoonspringen) weetjes-spelprogramma’s, realityseries, praatprogramma’s met ‘experts’, BN’ers-die-hun-BN-status-moeten-opkrikken-en-daarom-aan-alles-meedoen-programma’s)- waarvan de grootste gemene deler volgens mij is: ik wil met mijn kop op tv en het maakt niet uit hoe.

Natuurlijk zijn er ook wel positieve uitzonderingen, maar om nu te zeggen dat televisie kijken mijn leven verrijkt – nee, bepaald niet. Die ellenlange reclameblokken – ik snap eigenlijk niet dat mensen nog zo massaal tv blijven kijken – tegen de tijd dat zo’n reclameblok voorbij is ben je bijna vergeten waar je naar zat te kijken. En het journaal – het journaal mensen, sorry hoor, maar dat is toch echt niet meer van deze tijd? De vaste cameraopstelling heeft plaatsgemaakt voor meerdere gezellig bewegende camera’s, de nieuwslezeres mag niet meerblijven zitten maar moet ook in beweging komen zodat we ook haar kekke hakjes zien en ons na afloop niet alleen de weerman met zijn bewegende kaartjes en satelietbeelden herinneren. Om over de betuttelende manier waarop de onderwerpen gebracht worden nog maar te zwijgen. Nee, sorry, geef mij maar de krant.

En nee, natuurlijk ben ik niet Roomser dan de paus. Als ik niet uitkijk wil ik de volgende uitzending van masterchef-Holland-USA-UK-Australia ook weer zien want ik vind het toch wel fascinerend wat ze nu weer moeten maken en ik hoop toch dat die of die doorgaat want die is sympathiek en die mag wat mij betreft afvallen, want dat is echt een bitch. Maar uiteindelijk word ik er niet echt blij van. Niet zoals ik dat bijvoorbeeld kan worden van het lezen van een boek, of het maken of bewerken van foto’s of iets dergelijks. Af en toe, met mate, dan blijft het wel leuk. En tijdens het strijken (maar dan kijk ik gewoon op de computer, naar uitzending gemist). Anders voel ik me al snel een beetje vies en vadsig – alsof ik te veel fast food heb gegeten.

Maar goed, we deden het ook niet voor onszelf, we deden het voor Lune. En alleen al haar enorme blijdschap bij het uitpakken van de tv was goud waard.