Strategisch inzicht

Bloem doet mee aan het schoolvoetbaltoernooi.

Manlief is meegegaan naar de ‘training’, waar de een na de ander –  Bloem gelukkig niet – in tranen uitbarstte en iedereen in een kluitje achter de bal aanrende. Niemand leek te beseffen dat dat misschien niet zo handig was en de keepers (ze wisselden elkaar af) snapten ook niet dat je met de bal in handen beter niet over je eigen doellijn kon stappen.

Manlief sprak zijn bewondering uit voor de vader die zich had opgeworpen als coach en was verder vooral tevreden dat hij zich nergens mee had bemoeid.

Het is woensdagochtend. Vanmiddag is het zover: ze moeten spelen tegen twee teams van andere scholen. Bloem verheugt zich er enorm op. Terwijl ik haar haar vlecht, heeft ze het er met manlief over. Die kan er vanmiddag niet bij zijn. Ik vang iets op over vrij staan, een beetje opzij zodat je beide kanten op kan kijken, je de bal kan zien en je tegenspeler niet uit je rug kan weglopen. ‘Kijk, als de bal hier is – en jij staat daar…’

Bloem luistert met een ernstig gezicht en knikt. De theorie lijkt in ieder geval te zijn geland.

Ik zeg niets, maar van binnen moet ik heel hard lachen.

Voetbalschoen

Terwijl de verkoper Lune helpt bij het passen van nieuwe balletschoentjes en gymschoenen – ze is uit haar oude paren gegroeid – valt mijn oog plotseling op Bloem. Ze staat helemaal verlekkerd te kijken naar een blauwe kindervoetbalschoen (precies zo één als op het plaatje). Ze heeft ‘m precies naast haar laars gezet.

Blauwe voetbalschoen met drie witte strepen

Kijk mama, deze past wel! Die kan ik aan als ik ga voetballen!
O – en mama, ze hebben hier ook hele kleine hockeysticks!

We zullen zien – eerst maar eens op zwemles…

Mama doet een beetje gek

Na de eerste helft lopen we naar beneden -we kunnen wel iets alcoholisch gebruiken. Bonkje is nog klaarwakker – getuige het geroep uit haar kamer.
‘Heeft Nederland gewonnen?’
‘Nee, Nederland staat met 2-0 achter, wees maar blij dat je het niet hebt gezien,’ antwoordt manlief.
Als we ons opmaken voor de tweede ronde, besluiten we Bonkje te vragen of ze nog even uit bed wil om mee te kijken naar de tweede helft. Ja, dat wil ze wel. En als ze óók nog iets mag drinken en een handje chips krijgt, is het feest helemaal compleet.

Dan scoort Nederland…. bijna. Aaaargh! Ik dacht echt dat die er in zou gaan! En dat roep ik geloof ik ook. En misschien ook nog wel wat andere dingen. En misschien maak ik ook nog wel wat grootse arm- en beenbewegingen – ik kan het me niet precies herinneren. Ik weet wel dat manlief heeft overwogen me zijn hartslagmeter om te doen – leek ‘m blijkbaar wel een leuk veldonderzoekje: hoe snel kan het hart van mijn vrouw tekeer gaan bij het zien van een voetbalwedstrijd.

‘Mama doet wel een beetje gek als ze voetbal kijkt hè?’ zegt manlief tegen Bonkje.
Ja, dat vindt Bonkje ook. Ze geeft me een paar schouderklopjes.
‘Maar mama, zo erg is het toch helemaal niet, als ze verliezen? Het is maar een spelletje, er zijn véél ergere dingen in de wereld.’

Het moet niet gekker worden

Toen ik op de lagere school zat was er geen WK-voetbal. Of misschien was het er wel, maar ik kan me niet herinneren dat daar op school aandacht aan werd besteed. Ik kan me alleen nog de eeuwige strijd tussen de Ajax- en Feyenoordfans op school herinneren. Die strijd bleef redelijk onschuldig overigens en bestond vooral uit het zingen van het liedje ‘Feyenoord, op de plee, doortrekken en weg ermee!’ Of: ‘Ajax, op de plee, doortrekken en weg ermee!’ – al naargelang het kamp waarin je thuishoorde.

Vorige week kregen we per e-mail een brief:

Het zal u waarschijnlijk niet ontgaan zijn dat zeer binnenkort het wereldkampioenschap voetbal in Zuid-Afrika start. Evenals veel ouders hebben ook wij gemerkt dat dit op school bij veel kinderen erg leeft. In samenwerking met een aantal zeer enthousiaste ouders van onze school willen we maandag 14 juni dan ook een Oranje-dag houden. 14 juni is de eerste speeldag voor Oranje op het WK. ‘Onze jongens’ spelen hun eerste wedstrijd ’s middags om half 2. Dat willen we niet onopgemerkt voorbij laten gaan. We willen deze wedstrijd met alle kinderen gaan bekijken.

Hè? Ik lees de laatste alinea nog een keer. Met alle kinderen naar de voetbalwedstrijd kijken onder schooltijd? Ja, het staat er echt. Ik vind het ook leuk om naar wedstrijden van het Nederlands elftal te kijken, maar vind dit toch wel wat ver gaan. Hoezo, voetbalgekte?

We vragen alle kinderen (en ouders die willen komen kijken), zich helemaal in het Oranje uit te dossen. Hoe gekker hoe mooier zullen we maar zeggen. Voor de mooist uitgedoste supporter is er een prijs te winnen. Deze wordt in de pauze van de wedstrijd uitgereikt, hopelijk door een oud international en voormalig bondscoach. Wie dat is verklappen we nog niet! Tevens willen we in de komende dagen alle kinderen het Wilhelmus aanleren zodat ze mee kunnen zingen en weten wat een volkslied is. Als veel kinderen denken dat ‘Hup Holland hup’ het volkslied is, lijkt ons dat geen overbodige luxe.

Nee, dat vind ik ook wel ernstig.  Het blijkt uiteindelijk alleen om het eerste couplet van het Wilhelmus te gaan, maar ach – ik vraag me af hoeveel Nederlanders het volkslied volledig uit hun hoofd kennen en aan de lipbewegingen te zien hebben sommige voetballers van het Nederlands elftal al moeite met het eerste couplet.

Aangezien er ook een andere kant van het WK is en wij onze leerlingen ook bewust willen maken van de wereld en de maatschappij waarin wij leven, willen we voor de wedstrijd met de groepen 3 t/m 8 ook stilstaan bij de minder ‘glamourous’ kant van het WK. Wij hebben hiervoor een gastspreker uitgenodigd. SOS Kinderdorpen hebben wij uitgenodigd om te praten met de kinderen over hoe het is om als kind in Zuid-Afrika te leven, te wonen en op te groeien. Tevens zullen zij in Zuid-Afrika een project gaan doen samen met de KNVB om Afrikaanse jongens opleiden tot voetbalcoaches. We zijn blij dat zij hebben toegezegd dit te komen doen. De kinderen zullen het zendingsgeld van komende week doneren aan SOS Kinderdorpen.

Dat is dan wel weer mooi, maar ik blijf er een beetje dubbel gevoel bij houden. Nou ja, het is zoals het is, dus op vrijdag ga ik met Bonkje op zoek naar oranje accessoires. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan, want hoewel Bonkje zich thuis graag verkleedt, wil ze in het openbaar vooral niet voor gek lopen.

Dit jaar ging ze voor het eerst verkleed mee om naar de carnavalsoptocht kijken, maar ja – dat was dan ook wel in een hele mooie prinsessenjurk. Het mag dus oranje zijn, maar wel móói oranje. We hebben geluk en vinden een oranje-wit zonnehemdje dat ze ook op andere momenten nog kan dragen. Heel wat beter dan een veel te groot en veel te duur oranje zweetshirt met nummer 10 erop. Een oranje fluitje heeft ze al, want daar heeft een jongetje afgelopen week op getrakteerd.

Tijdens het weekend verheugt ze zich enorm op de oranjedag en maandag is het dan eindelijk zo ver. Ik mag zowaar twee oranje ‘beessies‘ in haar haren vlechten en op haar armen – niet op haar gezicht, want dan ‘ziet iedereen het’ – wil ze graag twee ‘roodwitblauwehartjestattoos’. Het grote oranje beessie doet dienst als boa en het fluitje hangt om haar nek. Ik hoop voor de juffen en meesters dat ze oordopjes in hebben gedaan, maar voel me niet echt schuldig: het is tenslotte geen vuvuzela en de oranjedag was ook niet mijn idee.

 

Overdag luister ik met een aantal collega’s eerst via de radio en later via internet naar het verslag van de wedstrijd. Het is een vreemde wedstrijd met een bal ‘die niet daalt’ en waar spelers ‘in gaan’. En met een treffer in eigen doel van de Denen. De internetverbinding is een beetje traag, dus een paar tellen voor ik via internet hoor dat er een tweede doelpunt is gevallen, hoor ik al gejuich op straat en in een kamer even verderop. Dit keer is het Kuijt die heeft gescoord.

’s Avonds vraag ik aan Bonkje hoe het was.
‘Het was heel erg leuk. Maar aan het eind vond ik het wel een beetje saai worden.’
En hadden er meer kinderen een fluitje bij zich?
‘Ja, heel veel. En ook een heleboel toeters. Maar we mochten alleen fluiten als er een doelpunt was gevallen.’
Dan vraag ik wie het eerste doelpunt heeft gescoord.
Met een zucht antwoordt ze:
‘Nederland natuurlijk!’
Ze zegt er gelukkig nog net geen ‘dûh’ achteraan.
‘Was het een Nederlander die scoorde?’
‘Ja!’
Als manlief en ik iets zeggen over Denen die per ongeluk in eigen doel schieten, wordt ze een beetje boos.
Manlief en ik geven elkaar een knipoog. We zullen de buitenspelregel maar niet meer ter sprake brengen.