Maan kwijt

 

In de winter tel ik altijd af naar het moment waarop de dagen weer gaan lengen. Naar het moment waarop je niet langer ’s ochtends in het donker vertrekt en ’s avonds in het donker weer thuiskomt. Maar soms kan ik die donkere winterdagen plotseling wel waarderen. Bijvoorbeeld als mijn peuterdochter me door haar ogen mee laat kijken naar de wereld.

Donkuh buite
Ja het is nog donker buiten. Kijk, je kunt de maan nog zien. En een ster.
Maan! Maan!

Zon! Tieguig! Maan! Maan!
Ja, je kunt de maan ook nog steeds zien.
Dan gaan we de bocht om.
Maan zoeke! Maan kwijt!
Kan je de maan niet meer vinden?
Maan kwijt, jámmuh, mama!

Wintertijd

Eindelijk gerechtigheid – eindelijk het uur weer terug dat ons in het voorjaar is afgepikt!
Eén dag geniet ik met volle teugen. Maar de volgende dag kan ik er niet langer omheen.

Twee weken eerder ben ik al gezwicht en heb ik mijn zomerjas omgeruild voor mijn winterjas. Zo voelt het tenminste. Net alsof ik de zomer langer vast kan houden zolang ik niet toegeef aan de kou. ‘Als ik het negeer, is het er niet’. Wensdenken heet zoiets.
Tot ik er genoeg van heb. Goed, ik geef me gewonnen. Maar ik sla terug. Want ik heb genoeg van mooie, lange winterjassen waarin je de hele winter loopt te koukleumen. Jassen die tussen je spaken komen bij het fietsen, waar je over struikelt als je de trap oploopt en die een magische aantrekkingskracht op hondenharen lijken te hebben. Al is dat laatste na Zoeffs dood misschien niet zo’n sterk argument meer.

Ik koop een halflang jack dat met een dubbele rits. En een binnenzak. (Ik heb een binnenzak!) Inwending grijnzend sta ik op het perron. Ha, daar heb je niet van terug met je stomme koude wind. Om me heen staan een paar vrouwen te bibberen in hun mooie lange winterjassen. Sneu voor ze. Maar ook een beetje dom. Tevreden verschuil ik me nog wat verder in de kraag van mijn jack.

Wat zou het mooi zijn als de slag daarmee gewonnen was. Maar de strijd is nog lang niet gestreden. En deze klap komt hard aan.
Het is donker als ik opsta om naar mijn werk te gaan.
Het is donker als ik van mijn werk naar het station fiets.

Bah, wat heb ik een hekel aan die lange donkere dagen. Misschien komt het ook wel doordat mijn lijf automatisch naar een verhoogde staat van paraatheid overschakelt als ik in het donker over straat moet. Geluiden en bewegingen die ik zou negeren als het licht is, worden geregistreerd en gecategoriseerd. Normaal – afwijkend. Onbekenden op straat idemdito. Betrouwbaar – onbetrouwbaar.

Toen ik jaren geleden eens aan manlief – toen nog vriendlief – vertelde dat ik in het donker op stille stukken onwillekeurig alle mannen als potentiële verkrachters beschouw ‘totdat het tegendeel is bewezen’, was hij met stomheid geslagen. Maar ja, hij is dan ook nog nooit achtervolgd of lastig gevallen.

Ik zet het beeld van de schijnbaar eindeloze weg die nog afgelegd moet worden voor de dagen weer gaan lengen, uit mijn hoofd. Ik heb een fijn winterjack, vermijd de stille stukken zoveel mogelijk en als ik thuiskom kan ik mijn drie schatten in mijn armen sluiten. Met een warm gevoel van binnen fiets ik verder.